VIJFDE VERTELLING.

Een jaloersch man vermomd als priester neemt zijn vrouw de biecht

af, wien zij voorliegt, dat zij een priester bemint, die elken

nacht bij haar komt. Terwijl de ijverzuchtige man bij de deur op

post staat, laat de donna haar minnaar over het dak binnen komen en

blijft met hem.

Nadat Lauretta haar verhaal had geëindigd en ieder de donna geprezen

had, die den booswicht behandelde zooals paste, keerde de koning, om

geen tijd te verliezen, zich naar Fiammetta en beduidde haar op

beminnelijke wijze te vertellen, die aldus begon: Zeer edele donna’s.

De voorafgaande geschiedenis drijft mij er toe U ook van een

ijverzuchtig man te spreken, want dat, wat de vrouw doet en vooral

wanneer de mannen zonder reden jaloersch zijn, is welgedaan. En als de

wetgevers alles wel overwogen, zouden zij geen andere straf voor de

vrouwen bepaald hebben dan zij voor ieder vaststelden, die een ander

treft om zich zelf te verdedigen, want de ijverzuchtigen zijn de

belagers der jonge vrouwen en zoeken met alle macht hun dood. Zij

blijven de heele week opgesloten en nemen de familie- en de huiselijke

plichten waar, verlangend gelijk elk om op feestdagen eenige

verlichting, rust en vermaak te hebben gelijk de boeren buiten, de

handwerkers in de steden en de regeerders aan de hoven, gelijk God

zelf, die den zevenden dag rustte en gelijk de heilige en de

burgerlijke wetten het willen, die Gods eer en het gemeenschappelijk

welzijn in het oog houdend de dagen van den arbeid onderscheidde van

den rustdag. Dit willen de jaloersche mannen niet toestemmen;

integendeel, als alle anderen vroolijk zijn, houden zij hun vrouwen

meer opgesloten en achteraf en maken hen ongelukkiger en treuriger. Hoe

groot en hoedanig het verlangen is van die misdeelden, weten alleen

zij, die dit ondervonden hebben. Dus: wat een vrouw ten onrechte aan

een jaloersch echtgenoot doet, moet men zeker niet veroordeelen maar

prijzen.

Er was dan in Arimino een rijk koopman, met veel bezittingen en geld,

die een zeer schoone echtgenoote had. Hij was zeer jaloersch op haar en

had geen andere reden daarvoor dan dat hij veel van haar hield en haar

heel mooi vond en wist, dat zij al haar best deed om hem te behagen en

aldus dacht, dat ieder man haar zou beminnen en zij allen schoon moest

voorkomen en ook, dat zij moeite deed aan anderen te behagen, wat de

meening was van een slecht, ongevoelig man. Door zijn ijverzucht was

hij zoo waakzaam en hield haar zoo gebonden, dat misschien vele ter

dood veroordeelden door de gevangenbewaarders met evenveel voorzorg

worden in het oog gehouden. De donna kon naar geen bruiloft, feest of

kerk gaan of een voet buitenshuis zetten en durfde zich niet aan een

venster vertoonen. Aldus was haar leven zeer treurig en zij droeg dat

verdriet met des te meer ongeduld, naarmate zij zich minder schuldig

voelde.

Daar zij zich door haar man verongelijkt zag, peinsde zij er over tot

haar vertroosting een middel te vinden om dat te doen, waardoor haar

dit met recht zou geschieden. Daar zij geen middel had zich verblijd te

toonen met de liefde, die de een of ander aan den dag legde voor haar,

welke door de straat ging, dacht zij er over na, dat er in het huis

naast het hare een knap en aardig jonkman was en of er in de

scheidsmuur geen gat was, waardoor zij zoo dikwijls kon loeren, als zij

met den jonkman zou spreken en hem haar liefde te schenken, indien hij

die wilde aannemen. Zij kon hem zoo terug vinden en haar treurig leven

veranderen, tot de duivel bij haar man uit het lijf was gedreven. Daar

zij het geheele huis doorliep, als de man er niet was, zag zij in den

muur der woning bij toeval in een vrij afgelegen deel, dat er een

spleet in was. Zij keek door die scheur en kon slecht, wat er achter

was, onderscheiden, maar werd een kamer gewaar en zeide tot zich zelf:

Indien dit de kamer van Filippo is, (haar buur) zijn wij bijna klaar.

En voorzichtig liet zij haar dienstmeid, die haar welgezind was,

verspieden en die bevond, dat de jonkman werkelijk heel alleen daar

sliep. Zij ging daarom dikwijls naar die spleet toe en als zij er den

jonkman bemerkte, liet zij door de scheur kleine steentjes vallen en

dergelijke prutserijen, zóó, dat de jonkman om te zien, wat dat

beteekende, er heen kwam. Zij riep hem zachtjes. En hij, die haar stem

kende, antwoordde haar en zij, die nu gelegenheid had, opende hem haar

geheele ziel. Hierover was de jongeling zeer blijde en maakte het gat

grooter zoo, dat niemand het merkte. Zij keuvelden dikwijls en gaven

elkaar de hand, maar meer konden zij niet doen door de voortdurende

waakzaamheid van den jaloerschen echtgenoot. Toen het Kerstfeest

naderde, zeide de donna tot haar man, dat, als het hem beviel, zij ’s

ochtends naar de kerk wilde gaan biechten en deelnemen aan de

plechtigheid, gelijk de andere christenen doen. Hierop antwoordde de

nijdigaard: Hebt gij dan gezondigd, dat gij wilt gaan biechten? De

donna sprak: Hoe! Gelooft gij, dat ik heilig ben, omdat gij mij

opgesloten houdt! Gij weet wel, dat ik zonden bega als de andere

stervelingen, maar die wil ik U niet zeggen, want gij zijt geen

priester. De nijdigaard kreeg argwaan en wilde de zonden, die zij had

bedreven, te weten komen en peinsde over een middel. Hij vond het goed,

maar wilde niet, dat zij naar een andere kerk ging dan naar hun kapel

en dat zij er bij tijds naar toe zou gaan en er biechten bij hun

kapelaan of den priester, dien de kapelaan haar zou aanwijzen en dan

dadelijk naar huis zou gaan. De donna begreep het maar half, maar

zonder een woord meer antwoordde zij, dat zij het zou doen. Toen de

morgen van den feestdag kwam, stond de donna bij het krieken van den

dag op en ging naar die kerk. De jaloersche man stond ook op, ging naar

dezelfde kerk en was er eerder dan zij en daar hij het al met den

priester eens was, wat hij wilde doen, trok hij haastig een gewaad van

den priester aan met een groote, om het hoofd sluitende kap, welke hij

een weinig naar voren had getrokken en zette zich neer in het koor. De

donna liet den priester roepen. De priester kwam en toen hij van de

donna hoorde, dat zij wilde biechten, zeide hij, dat hij haar niet aan

kon hooren, maar dat hij een metgezel zou sturen en zond tot diens

ongeluk den jaloerschen man. Deze veranderde zich zooveel mogelijk,

hoewel het nog niet helder dag was en had zich de kap ver over de oogen

getrokken, maar wist zich niet zoo te vermommen, dat hij door de donna

niet spoedig werd herkend. Toen zij dit zag, zeide zij tot zich zelf:

Geloofd zij God, dat deze van jaloersch man priester is geworden; maar

ik zal hem geven, wat hij zoekt. Zij deed of zij hem niet kende en ging

aan zijn voeten zitten. Messer de jaloersche had zich eenige steentjes

in den mond gestoken, opdat die hem een weinig de spraak zouden

belemmeren, zoodat hij geloofde geenszins ontdekt te kunnen worden. In

de biecht vertelde de donna, dat zij gehuwd was en dat zij verliefd was

op een priester, die elken nacht met haar sliep. Toen de nijdigaard dit

hoorde, was het hem of hij een messteek in het hart kreeg en ware het

niet geweest, dat de begeerte hem drong er meer van te weten, dan had

hij de biecht laten varen en zou heengegaan zijn. Hij hield zich dus

goed en vroeg de donna: Hoe zoo? Slaapt uw man met U? De donna

antwoordde: Zeker, messire. Maar, zei de nijdigaard, hoe kan de

priester met U slapen? Messer, hernam de donna, ik weet niet door welk

kunstmiddel, maar er is in huis geen deur zoo gesloten, die, als hij

klopt, niet opengaat en wanneer hij tot de deur van mijn kamer gekomen

is, spreekt hij, voor hij die opent, zekere woorden uit, waardoor mijn

man dadelijk inslaapt en zoodra hij dit merkt, komt hij binnen en

blijft bij mij. Toen sprak de nijdigaard: Madonna, dat is een leelijk

ding en mag zeker niet zoo blijven. De donna hernam: Messire, ik kan

niet van hem scheiden, omdat ik hem veel te lief heb. Dan, sprak de

nijdigaard, kan ik U geen absolutie geven. De donna voegde er aan toe:

Ik ben er treurig om, want ik kwam niet hier om U leugens te vertellen,

en als ik gelooven zou het te kunnen, zou ik het U zeggen.

De nijdigaard sprak toen: Werkelijk, mevrouw, ik heb medelijden met U,

want ik zie, dat gij uw ziel zult verliezen, maar ik wil moeite doen om

mijn gebeden afzonderlijk tot God te richten in uw naam, misschien

zullen die U geholpen hebben en als dat zoo is, zullen wij er mee

voortgaan. De donna antwoordde hierop: Messer, stuur niemand bij mij,

want als mijn man het te weten komt, is hij zoo vreeselijk jaloersch,

dat niemand hem uit het hoofd kan praten, dat men voor iets anders dan

kwaad komt, en ik zou het geheele jaar geen goed bij hem kunnen doen.

Hierop antwoordde de nijdigaard: Madonna, twijfel er niet aan, want ik

zal zoo te werk gaan, dat gij er voor hem nooit iets over zult hooren.

Toen sprak de donna: Indien gij dit durft, stem ik er in toe. En nadat

de absolutie gegeven was, ging zij naar de mis. De nijdigaard met zijn

leelijk avontuur deed zuchtend de kleeren van den priester uit en ging

naar huis, verlangend een middel te ontdekken om den priester en zijn

vrouw een leelijke poets te bakken. De donna zag wel aan het gezicht

van den echtgenoot, dat zij hem een kwaad feest had gegeven, maar hij

trachtte, zooveel hij kon, te verbergen, wat hij gedaan had en wat hij

meende te weten. Daar hij besloten had in den komenden nacht bij de

deur te gaan staan en af te wachten, tot de priester kwam, zeide hij

tot de donna: Ik moet van avond elders eten en slapen en daarom moet

gij goed de straatdeur sluiten en ook die op het midden van de trap en

van de kamer en ga dan naar bed. De donna antwoordde: Goed. En zoodra

zij de gelegenheid had, ging zij naar het gat en gaf het gewone teeken.

Zoodra Filippo dit vernam, kwam hij dadelijk. De donna vertelde hem,

wat er dien morgen gebeurd was en zeide toen: Ik ben er zeker van, dat

hij zich op den loer zal leggen bij de deur en vindt gij dus een

middel, opdat gij vannacht over het dak komt. De jongeling hierover

zeer tevreden zeide: Madonna, laat mij gaan. Toen de nacht kwam,

verborg zich de nijdigaard heimelijk met zijn wapens in een

gelijkvloersche kamer en de donna had alle deuren laten sluiten en het

best, die op het midden van de trap, opdat de nijdigaard niet kon

komen. Toen haar het oogenblik gunstig scheen en de jongeling langs een

zeer verborgen weg kwam, gingen zij naar bed en gaven elkaar goede

gelegenheid en veel genoegen. Bij het aanbreken van den dag ging de

jongeling naar huis. De nijdigaard, treurig en zonder avondmaal,

stervend van koude, stond den geheelen nacht met zijn wapens naast de

deur om te wachten, tot de priester kwam en toen het dag werd en hij

niet meer kon waken, ging hij in de gelijkvloersche kamer slapen. Hij

stond om drie uur in den morgen op en daar de deur van het huis open

was, deed hij, of hij van elders kwam, klom de trap op en ontbeet. Kort

daarop liet hij een kleinen jongen komen, alsof het de klerk van den

priester was, en zond dien naar haar toe met de vraag of de priester

gekomen was. De donna, die den bode wel kende, antwoordde, dat hij dien

nacht niet gekomen was en als het zoo voortging, hij dien kon vergeten

maar zij niet. De nijdigaard stond verscheidene nachten op post om den

priester bij de deur te beloeren en de donna nam voortdurend met den

jonkman de kans waar. Ten slotte vroeg de nijdigaard, die het niet meer

uithield met een vertoornd gelaat, wat zij dien ochtend gebiecht had.

De donna wilde het niet zeggen, daar dit niet eerbaar was. De

nijdigaard antwoordde: Slechte vrouw. Ik weet toch, wat gij hem gezegd

hebt en ik moet weten wie de priester is, waarop gij zoo verliefd zijt

en die door zijn tooverijen alle nachten met U slaapt, anders zal ik je

ervoor laten bloeden. De donna ontkende, dat zij op een priester

verliefd was. Wat, sprak de nijdigaard, heb je dat dan niet verteld aan

den priester, die U de biecht afnam? De donna hernam: Hij heeft het U

niet over verteld, maar voor mijn part zoudt gij er bij geweest zijn.

De nijdigaard sprak: Zeg mij, wie die priester is. De donna glimlachte

en zeide: Het doet mij veel genoegen, wanneer een wijs man zich laat

leiden door een onnoozele vrouw gelijk men een ram bij de horens naar

de slachtplaats voert, hoewel gij niet verstandig waart van het

oogenblik af, dat de booze geest der jaloezie in Uw borst drong en

daarom hoe dwazer en dommer gij zijt, des te minder kan ik met mijn

list eer inleggen. Gelooft gij, man, dat ik blind ben met de oogen in

mijn hoofd gelijk gij met die van den geest? Ik heb den priester

herkend, die mij de biecht afnam; gij waart het zelf en trachtte U in

het hoofd te praten, wat gij zoeken gingt. Waart gij wijs geweest,

gelijk gij U verbeeldt, en hadt gij niet beproefd de geheimen te weten

te komen van Uw goede vrouw, en zonder ijdele argwaan zoudt gij er op

gelet hebben, of, wat zij U bekende, waar was, terwijl zij in geen

enkel opzicht had gezondigd. Ik zeide U, dat ik een priester liefhad en

hadt gij U zelf niet, dien ik ten onrechte bemin, tot priester gemaakt?

Ik zeide U, dat ik geen enkele deur van het huis voor hem gesloten kon

houden, wanneer hij met mij wilde slapen. Ik zeide U, dat de priester

zich elke nacht bij mij bevond en wanneer waart gij niet bij mij? Zondt

gij Uw klerkje tot mij, dan wist gij, dat gij niet bij mij waart en ik

liet U weten, dat de priester niet bij mij geweest was. Welke dwaas,

behalve gij, die U door ijverzucht hebt laten verblinden, had dit niet

begrepen? Gij hebt aan de deur gewaakt en hebt mij willen wijs maken,

dat gij ergens anders zijt gaan avondmalen en slapen. Verander U, wordt

weer man, gelijk gij het waart; en laat U niet voor den mal houden,

want ik zweer bij God, dat, als ik U horens wilde doen dragen en gij

honderd oogen hadt gelijk thans twee, ik mijn zin zou volgen, zóó, dat

gij het niet zoudt gewaar worden.

De booze nijdigaard, die zeer handig het geheim van de donna meende te

hebben gemerkt, dacht, dat hij niet bedrogen was, hield zijn vrouw voor

goed en wijs en ontdeed zich van zijn minnenijd, toen hij er reden voor

had, terwijl hij er van verging, toen het onnoodig was. Daardoor had de

sluwe donna niet meer noodig als de katten haar minnaar over het dak te

laten komen maar door de deur. Zij ging stil te werk en verschafte zich

zelf en hem meermalen een goede gelegenheid en een vroolijk leven.

De Decamerone van Boccaccio · 第 74 / 116 题