Broeder Rinaldo slaapt met zijn petemoei; de echtgenoot vindt hem,
met haar in de kamer en zij doen hem gelooven, dat hij de wormen
van het zoontje bezwoer.
Filostrato wist niet op zóó bedekte wijze over de parthische paarden te
spreken, of de ondeugende donna’s lachten er om en deden of het om iets
anders was. Maar toen de koning zag, dat de novelle geëindigd was,
gelastte hij Elisa te verhalen. Deze gehoorzaamde en begon: Bekoorlijke
donna’s. Het bezweren van het spook van Emilia heeft mij een
geschiedenis in het geheugen geroepen van een andere bezwering, die ik
zal verhalen, hoewel deze niet zoo schoon is als de voorgaande, maar
daar mij voor ons onderwerp op het oogenblik geen andere invalt.
Gij moet weten, dat er in Siena een heel aardig jonkman was van
voorname familie, Rinaldo. Hij was vurig verliefd op een zeer schoone
buurvrouw, de echtgenoote van een rijk man en hoopte een middel te
vinden haar zonder argwaan te spreken en alles te verkrijgen, wat hij
verlangde. Maar daar hij er geen kans toe zag en de donna zwanger was,
dacht hij er aan haar peet te worden en na vriendschap te hebben
gesloten met haar man zeide hij hem zijn wensch en het geschiedde.
Rinaldo peet geworden van madonna Agnesa en meer in de gelegenheid haar
te spreken, verzekerde zich er van haar met woorden zijn bedoeling te
doen kennen, die zij te voren uit de uitdrukking van zijn oogen had
kunnen opmaken. Hoewel aan de donna niet mishaagde, wat zij had
gehoord, gaf het hem niet veel. Het duurde niet lang of wat er ook de
reden van zij, Rinaldo werd monnik, doch hij bleef naar haar verlangen,
hoewel hij eenigen tijd de liefde ter zijde had gesteld, die hij zijn
petemoei toedroeg. Doch na verloop van tijd zonder het kleed af te
leggen, wakkerde hij zijn ijdelheden weer aan en begon er behagen in te
scheppen zich goed gekleed te vertoonen, liederen en sonnetten en
balladen te maken en te zingen en al dergelijke dingen meer. Maar wat
zeg ik van onzen broeder Rinaldo? Welke monniken doen zoo niet? O
schande van de verdorven wereld! Zij schamen zich niet te verschijnen
met dik geverfd gelaat, verwijfd in hun kleeren en in alles. Zij loopen
niet als duiven maar als zegevierende hanen met opgeheven kam en de
borst vooruit. En wat nog erger is—laat staan, dat zij hun cellen vol
potjes met pommade en olie hebben, met potten vol verschillende
confituren, met flacons en glazen karaffen, met reukwaters en oliën,
met fleschjes van malvezij en griekschen wijn en andere zeer kostbare
wijnen, zoodat het geen monniks-cellen schijnen maar eer aan de
toeschouwers apotheken en winkels van reukwerk—zij schamen zich niet
drankzuchtig te zijn en zij verbeelden zich, dat men niet weet, dat de
vasten, grove en eenvoudige spijzen en een sober leven de menschen
mager en licht en het gezondst maken. En als zij ziek worden, zijn zij
het niet het minst van de jicht, waarvoor men als geneesmiddel
kuischheid pleegt voor te schrijven en andere dingen behoorend tot het
leven van een nederigen monnik. En zij gelooven, dat men niet weet, dat
buiten een karig leven, de lange nachtwaken, het bidden en de
leefregels de menschen bleek en droefgeestig moeten maken en dat noch
San Domenico, noch San Francesco er vier kleeden op na hielden, noch
gekleurde rokken, noch heidensch goed, maar alles van grof linnen en
van natuurlijke kleur om de koude te verdrijven en niet om te pronken.
Hierin moge God voorzien, gelijk noodig is voor de zielen der
onnoozelen, die hen onderhouden. Aldus begon frate Rinaldo tot zijn
begeerten teruggekeerd de petemoei vaak te bezoeken en daar zijn
vermetelheid groeide, begon hij met meer volharding dan eerst haar te
vragen, wat hij verlangde. De donna op een goeden dag door hem lastig
gevallen zag, hoezeer zij begeerd werd en daar frate Rinaldo haar
misschien schooner scheen dan eerst, zocht daarbij hulp, wat allen
doen, die willen toestaan, wat hun gevraagd wordt en zeide: Hoe,
broeder Rinaldo, doen de broeders zulke dingen? Hierop antwoordde frate
Rinaldo: Madonna, als ik die kap van mijn rug zal hebben—en ik zal dit
vlug doen,—zal ik U een man schijnen als de rest en geen broeder. De
donna glimlachte en zeide: Helaas, ongelukkige, die ik ben, gij zijt
mijn peetvader en ik heb dikwijls gehoord, dat dit een al te groote
zonde is en zeker, als het niet zoo was, zou ik doen, wat gij wilde.
Frate Rinaldo zeide: Gij zijt een dwaze vrouw, als gij het daarom
nalaat. God vergeeft erger, als men er berouw over heeft. Maar zeg mij,
wie is meer verwant met Uw zoon, dan ik, die hem ten doop zal houden of
Uw echtgenoot, die hem voortbracht? De donna antwoordde: Mijn man is
hem nader. Gij zegt de waarheid, sprak de broeder, en slaapt Uw man
niet met U? Zeker, antwoordde de donna. Dan, zei de broeder, moet ook
ik, die minder verwant met Uw zoon ben, bij U slapen. De donna, die de
logica niet kende en die maar weinig geest noodig had om te gelooven of
te doen, alsof zij geloofde, dat de broeder de waarheid sprak,
antwoordde: Wie zou op Uw wijze opmerkingen weten te antwoorden? En
daarna ondanks de verwantschap stemde zij toe naar zijn genoegen te
handelen.
Onder den dekmantel van het peetschap meer op hun gemak, omdat de
argwaan minder was, waren zij meermalen samen. Eens toen frate Rinaldo
bij de donna kwam en er niemand was dan een kleine en aardige meid,
zond zij die naar den duiventil met een metgezel van hem om haar het
Paternoster te leeren. Zij nam haar kind bij de hand, sloot de deur en
zij begonnen op een sofa elkaar te liefkozen. Terwijl dit geschiedde,
kwam de vader thuis zonder door iemand opgemerkt te worden, klopte aan
de deur van de kamer en riep de donna. Madonna Agnesa, die dit gewaar
werd, zeide: Daar is mijn man; nu zal hij merken, wat de reden is van
onze vriendschap. Broeder Rinaldo was ontkleed, dat wil zeggen zonder
kap en gewaad, in een gewoon wambuis en sprak, toen hij dit vernam: Gij
zegt de waarheid, als ik maar gekleed was, zou er wel een middel op
zijn, maar als gij opent en hij mij zoo vindt, is er geen voorwendsel
te vinden. De donna door onmiddellijk overleg geholpen zei: Kleedt je
aan, neem Uw petekind op den arm en luister goed, wat ik hem zeggen
zal, opdat Uw woorden goed met de mijnen overeen stemmen. De man had
nog niet opgehouden met kloppen, of de vrouw antwoordde: Ik kom bij je.
Zij ging met een welgemoed gezicht naar de deur van de kamer, en zeide:
Man, broeder Rinaldo onze peetvader is hier en God zond hem; want als
hij niet gekomen was, zouden wij vandaag ons kind verloren hebben. Toen
de arme dwaas [143] dit hoorde, was hij buiten zich zelf en zeide: Hoe
dat?
O man, zei de donna; het heeft pas zulk een hevige flauwte gehad, dat
ik geloofde, dat hij dood was. Onze peetvader, die hier was, heeft hem
op den arm genomen, sprak: Petemoei, hij heeft wormen in het lijf, die
het hart naderen en hem zeker zullen dooden, maar wees niet bang, want
ik zal ze bezweren en doen sterven en gij zult Uw kind gezond zien. Wij
hadden U hier noodig om gebeden op te zeggen, en daar de meid U niet
wist te vinden, heeft hij ze toch doen uitspreken door zijn metgezel op
de hoogste verdieping van ons huis. Geen ander dan de moeder van het
kind mag bij een dergelijke plechtigheid tegenwoordig zijn en opdat
niemand ons zou storen, sloten wij ons hier op en ik geloof, dat hij
niet langer wacht dan tot zijn metgezel zijn gebeden zal opgezegd
hebben, want het kind is nu al geheel tot zich zelf gekomen. De dwaas
geloofde die dingen; zóó greep de liefde voor zijn zoon hem aan. Hij
slaakte een diepen zucht en zeide: Ik wil het zien. De donna sprak:
Neen, ga niet, gij zoudt bederven, wat er gebeurd is; wacht af en ik
zal U dan roepen. Broeder Rinaldo kleedde zich op zijn doode gemak aan,
nam het kind op den arm en riep toen gelukkig: O petemoei, hoor ik niet
den peetvader? De dwaas antwoordde: Ja, messer. Dan, zeide frate
Rinaldo, kom hier. De dwaas ging er heen. Rinaldo zei hem: Gij behoudt
Uw zoon door Gods genade; nog pas geloofde ik, dat gij hem tot den
vesper niet levend zoudt zien. Laat zijn evenbeeld van was tot Gods
eere voor het beeld zetten van San Ambruogio, door wiens bemiddeling
God U die genade schonk. Toen het kind den vader zag, betuigde het hem
vreugde, gelijk kleine kinderen doen; hij nam het in zijn armen,
weende, alsof hij het uit het graf had opgehaald, kuste het en bedankte
den peetvader. De metgezel van broeder Rinaldo, die niet één maar
misschien wel vier paternosters aan de meid had geleerd en haar een
beursje had gegeven van witte zijde, dat een non aan hem had geschonken
en haar tot zijn toegewijde had gemaakt, had de peetvader naar de kamer
van de vrouw hooren roepen en was zachtjes naar een kant er van
gekomen, waar hij zien en hooren kon, wat men er deed. Toen hij de zaak
tot een goed einde gevoerd zag, ging hij naar beneden en zeide de kamer
binnen tredend: Broeder Rinaldo, de vier gebeden, die gij mij hebt
gelast te prevelen, heb ik allen opgezegd. Hierop hervatte frate
Rinaldo: Mijn broeder, gij hebt goeden adem. Ik had, toen mijn
peetvader kwam, er nog maar twee opgezegd, maar God de Heer heeft door
ons het kind genade geschonken. De dwaas liet goede wijnen en
meelspijzen komen en bewees aan zijn peetvader en zijn gezel eer in,
wat ze meer noodig hadden dan iets anders. Toen ging hij met hen samen
het huis uit en beval ze Gode aan en zonder eenig uitstel liet hij den
afdruk van was maken en zond dien om met anderen te worden opgehangen
bij het beeld van Sint Ambrosius maar niet die van Milaan.