Peronella stopt haar minnaar in een groot wijnvat, als haar man
thuis komt. Als deze zegt, dat hij dit verkocht heeft, zegt zij,
dat zij dit ook heeft verkocht aan iemand, die er in is gekropen om
te zien of het in goeden staat is. Deze springt er uit en laat het
door den echtgenoot schoon maken, terwijl hij de vrouw liefkoost en
laat het daarna bij zich thuis brengen.
De novelle van Emilia werd met zeer groot gelach aangehoord en het
gebed door allen als goed en heilig geprezen en toen die geëindigd was,
beval de koning aan Filostrato te vervolgen, die aldus begon: Zeer
geliefde donna’s. De bedriegerijen, die de mannen jegens U uithalen en
vooral de echtgenooten zijn zoo talrijk, dat, wanneer soms een vrouw
haar man bedriegt, gij niet alleen voldaan moet zijn en U tevreden
toonen het te weten of het aan iemand te hooren zeggen, maar gij moet
het zelf overal vertellen om aan de mannen te leeren, dat, als die
poetsen weten te bakken, de vrouwen het ook kunnen, wat niet anders dan
zeer nuttig kan zijn, omdat, als men weet, dat de tegenpartij het ook
kan, men die niet zoo licht zal willen bedriegen. Wie twijfelt er dus
aan, dat, wanneer het thans bij de mannen bekend wordt, het niet hun
grootste reden tot zelfbedwang zal zijn, als zij weten, dat gij hen
evenzeer voor den mal kunt houden? En aldus wil ik U vertellen wat een
jonge vrouw van hoe lagen stand ook in een ommezien tot haar zelfbehoud
aan haar man leverde.
Nog niet lang geleden nam in Napels een arm man een schoone en
begeerenswaardige vrouw tot echtgenoote, Peronella en hij als metselaar
en zij door te spinnen verdienden moeilijk den kost. Eens werd een
aardig jonkman, die Peronella zag, op haar verliefd en beijverde zich
zoo voor haar, dat zij zich met hem eigen maakte. Om samen te zijn,
namen zij deze maatregel: daar de echtgenoot elken morgen vroeg moest
opstaan om te werken of werk te vinden, stond de jonkman ergens om hem
naar buiten te zien komen en daar de straat, waar hij woonde en die
Avorio heette, zeer eenzaam was, kon hij, als de ander heenging, in
haar huis komen en zoo deden zij meermalen. Eens kwam Giannello
Strignario, de jonkman, toen de man er op uit was gegaan in huis en
bleef met Peronella samen. Na eenigen tijd kwam de man, hoewel hij
gewoonlijk den heelen dag niet thuis kwam, terug. Daar hij de deur van
binnen gesloten vond, klopte hij en zeide in zichzelf: O God, wees
altijd geprezen; want, hoewel Gij mij arm hebt gemaakt, hebt Gij mij
tenminste getroost met een goede en brave vrouw. Ziet Gij, hoe zij
spoedig van binnen sloot, opdat niemand er in zou komen, die haar zou
hinderen. Peronella, die den echtgenoot bemerkte, daar zij zijn wijze
van kloppen kende, zeide: Wee mij, Giannellief, ik ben des doods, want
daar is mijn man, dien God bedroeve, omdat hij is teruggekeerd en ik
begrijp het niet, dat hij op dit uur komt; misschien, dat hij U zag.
Maar bij de liefde van God, wat er ook gebeurd is, kruip in dat vat, ik
zal open gaan doen en kijken wat het beduidt. Giannello kroop haastig
in het wijnvat en Peronella opende haar man en zeide stuursch: Wat is
dat voor nieuwigheid, dat gij hedenmorgen zoo vroeg naar huis komt? Het
schijnt mij, dat gij niets uitvoert, want ik zie U terugkeeren met uw
gereedschappen in de hand, en als gij zoo doet, waar zullen wij dan van
leven! Gelooft gij, dat ik duld, dat gij mijn rok en andere kleeren
naar den lommerd brengt. Ik doe dag en nacht niets anders dan spinnen,
zoodat het vleesch mij van de nagels gaat voor de olie van de lamp.
Man, man, er is geen buurvrouw, die er zich niet over verwondert en die
niet met mijn zwoegen den draak steekt, zooveel als ik heb te verduren
en gij komt me thuis met hangende handen, wanneer gij uit werken moest
gaan. En bij die woorden begon zij te huilen en opnieuw te zeggen: Wee
mij, laat mij treuren. Op wat een kwaad uur ben ik geboren? Want ik heb
zulk een welgestelden jonkman kunnen trouwen en ik heb U genomen, die
niet denkt aan haar, die hij thuis heeft. De anderen profiteeren met
hun minnaars en er is er niet één, die er niet twee of drie heeft en
zij toonen aan hun echtgenooten de maan voor de zon en ik, ongelukkige,
omdat ik goed ben, lijd en heb tegenspoed; waarom ontzeg ik mij
minnaars als de anderen? Hoor wel, man, dat, als ik kwaad zou willen
doen, ik er wel zou vinden, die heel aardig zijn, mij liefhebben en die
mij groote sommen gelds hebben laten bieden, kleeren of edelgesteenten,
maar mijn hart duldde dit niet, omdat ik mijn moeders dochter ben en
gij keert naar huis terug, wanneer gij moet werken. De man zeide:
Vrouw, bij God, maak je niet zoo treurig. Ik ken U wel en dit heb ik
van ochtend gemerkt; ik ging uit om te werken, maar wij vergaten, dat
het heden Santo Galeone is, een rustdag, en daarom kwam ik thuis, maar
ik heb toch het middel gevonden, dat wij voor meer dan een maand brood
zullen hebben, want ik heb het wijnvat aan iemand, die bij mij zal
komen, verkocht, aan hem, die daarvoor al zoolang om het huis heeft
gedraaid en hij gaf mij er vijf goudlelies (goudguldens) voor.
Peronella antwoordde: Dat is juist mijn verdriet, dat gij een man zijt,
die van de wereldsche dingen moest weten en een vat voor vijf
goudlelies verkocht hebt, terwijl ik, vrouwtje, die nooit buiten de
deur kwam, den last ziende, die het ons veroorzaakte, het een man heb
verkocht, die, toen gij terugkeerde, er in is gegaan om te zien of het
heel is. Toen de echtgenoot dit hoorde, was hij meer dan tevreden en
hij zei tot hem, die met hem mee was gegaan: Mijn goede man, ga met
God, want gij hoort, dat mijn vrouw het tegen zeven heeft verkocht,
terwijl gij er maar vijf voor gaaft. De man sprak: Goed, en ging heen.
En Peronella zeide tot den echtgenoot: Regel met hem onze zaken.
Giannelli, die de gespitste ooren overeind hield of hij ook voor iets
bang moest zijn, wierp zich haastig uit het vat en alsof hij niets van
het binnenkomen van den echtgenoot had gemerkt, zeide hij: Waar zijt
gij, brave vrouw! Hierop antwoordde de echtgenoot: Hier ben ik, wat
verlangt gij? Giannello hernam: Wie zijt gij? Ik vraag het aan de
donna, met wien ik onderhandelde. De echtgenoot sprak: Handel gerust
met mij, want ik ben haar man. Giannello voegde er bij: Het vat schijnt
mij goed in orde, maar het komt mij voor, dat gij er vuil in hebt laten
liggen, want het is heelemaal smerig van ik weet niet wat voor droog
goed, dat ik er met de nagels niet af kan krijgen en ik neem het niet,
voor het schoon is. Toen sprak Peronella: Neen, daarom zal de verkoop
niet uitblijven, mijn man zal het heelemaal schoon maken. Na zijn
gereedschappen te hebben neergelegd en zich in zijn hemd te hebben
gezet, liet de echtgenoot licht aansteken en zich een schrapijzer
geven; toen sprong hij in de kuip en begon te schrappen. En Peronella,
alsof zij wilde zien, wat hij zou doen, stak het hoofd door den mond
van het vat, die niet zeer groot was en een van de armen met den
schouder en zei: Schrap hier, schrap daar en ook ginder en: kijk, daar
is nog wat vuil overgebleven. En terwijl zij zoo den echtgenoot
onderrichtte, besloot Giannello, die dien morgen zijn verlangen nog
niet bevredigd had, het te doen gelijk hij kon. Hij naderde haar, die
de opening van het vat geheel gesloten hield en zooals in de wijde
velden de losse merries en de verhitte hengsten van Parthië te werk
gaan, bevredigde hij zijn jeugdige begeerte. Toen het vat gekrabd was
liet hij haar los. Petronella zei tot Giannello: Houdt dat licht vast,
manlief en zie of het naar Uw zin schoon is gemaakt. Giannello, die er
in keek, zeide, dat het in orde was en nadat hem zeven goudlelies waren
geschonken, liet hij het naar zijn huis brengen.