EERSTE VERTELLING.

Gianni Lotteringhi hoort bij nacht aan zijn deur kloppen. Hij wekt

zijn vrouw en zij doet hem gelooven, dat dit een spook is. Zij

beginnen het met een gebed te bezweren en het tikken houdt op.

Mijn heer, het zou mij zeer aangenaam geweest zijn, indien het u had

behaagd, dat een ander met zulk een schoonen stof begonnen ware, maar

omdat het u bevalt, dat ik hierdoor al de anderen moed schenk, doe ik

het gaarne. Zeer geliefde donna’s. Ik zal u iets verhalen, wat u in de

toekomst van nut kan zijn, zoo gij even bang zijt als ik en het meest

voor een spook, waarmee ik—God weet het—niet bekend ben, en ik vond ook

niemand, die het nog zag en om dit, daar wij het allen evenzeer

vreezen, weg te jagen, wanneer gij maar goed mijn geschiedenis onthoudt

en ook een heilig en goed gebed kunt leeren.

Er leefde vroeger te Florence in de San Brancazio-straat een

fijnlinnenkaarder Gianni Lotteringhi, een man gelukkiger in zijn vak

dan in andere dingen, omdat hij onnoozel van geest, meermalen tot

koorvoerder was gemaakt van de Laudesi van Santa Maria Novella om voor

hun vergaderplaats te zorgen. Dit beviel hem, omdat hij als welgesteld

man zeer vaak goede gastmalen aan de broeders gaf. Dezen, omdat de een

er kousen, de ander een kap en gene er vaak een schoudermantel mee

verdienden, leerden hem goede gebeden en gaven hem het Pater noster in

de volkstaal en den zang van Sint Alexis en de klacht van Sint

Bernardus en het loflied van donna Mathilde en al dergelijke gekkepraat

meer, waar hij zeer veel mee ophad en die hij met groote zorg voor het

heil van zijn ziel bewaarde.

Nu had hij een zeer mooie en bekoorlijke vrouw, monna Tessa, de dochter

van Mannuccio van la Cuculia, tevens wijs en zeer schrander. Zij, die

de onnoozelheid van haar man kende, was verliefd op Federigo di Neri

Pegolotti, een knappe en frissche jonkman en hij op haar. Zij regelde

het met haar meid, dat Federigo haar kwam spreken op een zeer mooie

plek, die gezegde Gianni in Camerata had, waar zij den ganschen zomer

bleef en Gianni soms kwam eten en slapen en ’s ochtens naar zijn winkel

ging en enkele malen naar zijn Laudesi. Federigo, zeer verlangend, koos

den tijd, die hem was opgegeven en ging gedurende den vesper heen, en

daar Gianni er dien avond niet kwam, bleef hij geheel op zijn gemak en

met veel genoegen bij de donna avondmalen en slapen. Terwijl zij in

zijn armen lag, leerde zij hem gedurende den nacht wel zes van de

lofzangen van haar man. Maar daar zij niet wilde, dat dit de laatste

maal was en tevens de eerste en Federigo evenmin, stelden zij het

volgende vast, opdat de dienstmeid niet telkens tot hem moest gaan: dat

hij elken dag, wanneer hij ging naar of terugkwam van zijn buiten, hij

acht zou geven op een wijnrank langs haar huis. Hij zou een ezelskop

zien geplaatst op een der wijngaardstaken. Wanneer hij den snuit

gekeerd zag naar Florence, kon hij zeker dien nacht bij haar komen en

als hij de deur niet open vond, had hij maar drie keer te kloppen. Maar

wanneer hij den kop zou zien met den spits naar Fiesole, zou Gianni er

zijn. Zoo kwamen zij dikwijls bijeen. Doch eens zou Federigo avondmalen

met Monna Tessa. Zij had voor hem twee groote kapoenen laten braden, en

Gianni kwam zeer laat. Daarover was de donna zeer treurig en hij en zij

aten een beetje van het gezouten vleesch, dat zij afzonderlijk had

laten koken. Zij liet de meid de twee gebraden kippen in een witten

doek doen en verscheidene versche eieren en een flesch met goeden wijn

in haar tuin dragen, waar men in kon komen zonder door het huis te gaan

en waar zij gewoon was soms met Federigo te avondmalen en zij zeide

haar, dat zij die moest neerleggen aan den voet van een perzikboom, die

aan den kant van een veld stond. Haar toorn was zoo groot, dat zij

vergat aan de meid te zeggen, dat zij zoo lang wachtte en hem te

berichten, dat Gianni er was en dat hij dien voorraad uit den tuin zou

medenemen. Aldus, toen zij en Gianna naar bed waren gegaan en ook de

meid, duurde het niet lang of Federigo kwam en klopte een keer hard aan

de deur, welke zoo dicht bij de kamer was, dat Gianni het onmiddellijk

hoorde en de donna ook, maar opdat Gianni niets kon vermoeden, deed zij

of ze sliep. En na eenigen tijd gestaan te hebben, klopte Federigo ten

tweeden male, waarover Gianni verwonderd de donna een weinig aan de

elboog stootte en zeide: Tessa, hoor je, wat ik hoor? Het schijnt, dat

men aan onze deur klopt. De donna, die veel beter dan hij had gehoord,

deed of zij wakker werd en zeide: Wat zegt gij? Ik zeg, zeide Gianni,

dat het schijnt, dat men aan onze deur klopt. De donna zeide: Klopt

men? O wee, Gianni, weet je dan niet, wat dat is? Dat is het spook,

waarvoor ik deze nachten den grootsten angst heb gehad, zoodat ik,

zoodra ik het gewaar werd, het hoofd onder de dekens stak en het er

niet onderuit durfde trekken, voor het licht werd. Toen zeide Gianni:

Kom, vrouw, wees niet bang, want ik heb maar dadelijk het Te Lucis en

de Intemerata en andere gebeden op te zeggen, wanneer wij naar bed gaan

en maak aan elken hoek van het bed het teeken des kruises in naam van

den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, dan hoeft gij niet bang meer

te zijn, daar het U dan geen kwaad meer kan doen.

De donna, opdat Federigo geen argwaan kreeg en met haar ging twisten,

stond toch op om hem te doen bemerken, dat Gianni er was en zeide tot

den echtgenoot: Wel, wel, dat zijn mooie woorden! Ik voor mij, ik zou

mij niet veilig achten, indien wij het niet bezwoeren, terwijl gij er

bij zijt. Gianni hernam: En hoe bezweert men het? De donna sprak: Ik

weet het wel te bezweren, want eergisteren, toen ik naar den aflaat te

Fiesole ging, leerde mij een van de kluizenaarsters, die, Giannilief,

voor mij wel het heiligst van allen zijn en die mij zoo bang zag, een

heilig en goed gebed en zeide, dat zij het altijd met goed gevolg

beproefd had, voor zij kluizenaarster was. God weet, dat ik nooit den

moed heb gehad om het alléén te beproeven, maar nu gij er zijt, wil ik,

dat wij het bezweren. Gianni zeide, dat het hem zeer beviel. Zij gingen

samen zachtjes naar de deur, waar Federigo al argwanend afwachtte. Toen

zeide de donna tot Gianni: Gij moet spuwen, als ik het U zeg. Goed, zei

Gianni. En de donna begon het gebed en zeide: Spook, spook, dat ’s

nachts rondgaat, gij zijt hier gekomen met opgeheven staart in den tuin

naar den voet van den grooten perzikboom, waar gij het gebradene

tweemaal gebraden zult vinden en honderd eieren van mijn hen; zet je

mond aan de flesch en ga heen en doe geen kwaad noch aan mij, noch aan

mijn Gianni. Hierna sprak zij tot den echtgenoot: Spuw Gianni, en

Gianni spuwde. Federigo hoorde dit, van minnenijd vertoornd, en had

ondanks al zijn neerslachtigheid zulk een lust te lachen, dat hij er

van barstte en zachtjes sprak hij, terwijl Gianni spuwde: Spuw je

tanden uit. De donna, die drie maal het spook had bezworen, ging met

den echtgenoot weer naar bed. Federigo, die verwacht had met haar te

avondmalen, en die haar woorden wel had verstaan, ging den tuin in en

vond alles aan den voet van den grooten perzikboom, droeg het naar huis

en avondmaalde daar zeer op zijn gemak.

Later lachte hij met haar dikwijls over die bezwering. Het is waar, dat

sommigen zeggen, dat de donna wel de ezelskop naar Fiesole gekeerd had,

maar dat een landman door den wijngaard gaande hem een stokslag gaf en

hem om en om draaide en hij naar Florence gekeerd bleef en dat daardoor

Federigo in de meening geroepen te zijn, gekomen was en dat de donna

het gebed aldus had gedaan: Spook, spook, ga met God, want ik heb het

ezelshoofd niet omgekeerd, maar een ander en dat God hem er over

bedroeve; ik ben hier met mijn Gianni; en dat hij daarop heengegaan

zonder nachtverblijf en avondmaal bleef. Maar een mijner buurvrouwen,

een zeer oude donna, vertelde mij, dat het allebei waar was, naar wat

zij er van wist als kind; maar dat het laatste niet met Gianni

Lotteringhi gebeurd was maar met iemand, die Gianni di Nello heette,

welke bij de poort San Piero woonde, niet minder dwaas dan Gianni

Lotteringhi. En daarom, mijn lieve donna’s, staat het aan U van de

beide lezingen die te kiezen, welke U het meest van de twee bevalt of

beide. Zij hebben een zeer groote kracht bij zulke dingen, gelijk

gij—hoop ik—gehoord hebt. Leer ze en dan kan dat U nog helpen.

De Decamerone van Boccaccio · 第 70 / 116 题