Broeder Cipolla belooft aan een paar boeren, hun een veer te toonen
van den engel Gabriël. Hij vindt daarvoor in de plaats kolen en hij
zegt hun, dat het die zijn, waarmee Sint Laurentius geroosterd is.
[131]
Toen ieder met vertellen gereed was, wist Dioneo, dat het zijn beurt
was. Daarom geen plichtgevoel afwachtend, legde hij allen stilte op,
die het scherpe woord van Guido prezen en begon: Bekoorlijke donna’s.
Hoewel ik het voorrecht heb te zeggen, wat mij het meest behaagt, wil
ik heden niet afwijken van onderwerp, waarover gij allen zeer
verstandig gesproken hebt. Maar ik wil u aantoonen met welk een
voorzichtigheid en onverwacht een der broeders van Santo Antonio aan
een strik ontsnapte hem door twee jongelieden gespannen.
Certaldo is een burcht in den Val d’Elsa in ons graafschap gelegen,
dat, hoe klein ook, vroeger door edele en welgestelde lieden werd
bewoond. Daar hij er veel geld kreeg, had frate Cipolla een der
broeders van Santo Antonio de gewoonte er eens per jaar langen tijd
heen te gaan, om er de aalmoezen, gegeven door stommelingen, in te
zamelen. Hij was er gezien niet minder om zijn naam dan door vroomheid,
daar die plaats de best bekende uien [132] voortbrengt van geheel
Toscane. Cipolla was klein van gedaante, rood van haar, van een
vroolijk uiterlijk, een gezellig man en behalve dat, hoewel hij niets
wist, was hij zoo’n goed en handig spreker, dat wie hem niet kende, hem
niet slechts voor een groot redenaar zou gehouden hebben, maar voor
Cicero zelf of misschien voor Quintilianus en daarom was hij van allen
in die streek de vertrouwde, de vriend of de beschermer. Daar hij
volgens zijn gewoonte op een Zondagmorgen in de maand Augustus gekomen
was en de mannen en de vrouwen van de naburige dorpen in de hoofdkerk
naar de mis waren gegaan, sprak hij: Dames en heeren. Het is uw
gewoonte elk jaar aan de armen van baron messer Santo Antonio van uw
graan en haver te sturen elk naar zijn vermogen en vroomheid, opdat de
zalige Santo Antonio Uw ossen en ezels en varkens en schapen onder zijn
bescherming neemt. En in het bijzonder betaalt gij hen, die bij onze
broederschap zijn ingeschreven, den kleinen cijns, die men eens per
jaar opbrengt. Ik ben door mijn meerdere, dat is de heer abt, gezonden
om U daaraan te herinneren en daarom met Gods zegen, als gij de klokken
zult hooren luiden na den noen, zult gij hier komen buiten de kerk,
waar ik ook tot U zal spreken en gij het kruis zult kussen. Ik ken U
allen als zeer devoot jegens den baron, messer Antonio, en zal U door
bijzondere genade een zeer heilig en zeer schoon reliek toonen, dat ik
zelf uit het Heilige Land van over zee hebt meegebracht, een der veeren
van den engel Gabriël, die in de kamer van de Maagd Maria achterbleef,
toen hij haar de Boodschap bracht in Nazareth. Er waren, toen broeder
Cipolla deze woorden sprak, twee zeer sluwe jongelieden in de kerk,
Giovanni del Bragoniera en Biagio Pizzini. Nadat zij een weinig
gelachen hadden over het reliek van broeder Cipolla, stelden zij elkaar
voor, hoewel zij met hem bevriend waren hem met die veer een poets te
bakken.
Zij wisten, dat broeder Cipolla dien ochtend in het kasteel ontbeet met
een van zijn vrienden en zoodra zij hem daar aan tafel bemerkt hadden,
gingen zij naar de herberg, waar de monnik was afgestapt na
overeengekomen te zijn, dat Biagio den knecht van broeder Cipolla aan
de praat moest houden en Giovanni dan onder de bagage van den broeder
naar die veer zou zoeken en die stelen. Broeder Cipolla had een knecht,
Guccio Balena, door anderen Guccio Imbratta en Guccio Porco genaamd.
Hij was zoo leelijk, dat Lippo Topo nooit zijn gelijke geschilderd
heeft. Broeder Cipolla maakte er dikwijls met zijn gezelschap gekheid
over en zeide van hem: Mijn knecht bezit negen eigenschappen en als een
in het bezit was geweest van Salomo, Aristoteles of Seneca, was die
voldoende geweest om hun deugd, hun verstand en hun heiligheid te
bederven. Denk eens na en hij heeft er negen, die er noch deugd, noch
verstand, noch heiligheid op na houdt. Als men hem soms vroeg naar die
negen dingen, antwoordde hij, die ze op rijm had gebracht: Hij is
langzaam, vuil en leugenachtig, slordig, ongehoorzaam, kwaadsprekend,
zorgeloos, zonder geheugen en ongemanierd. Bovendien heeft hij nog
andere ondeugden, waarover het beter is te zwijgen. En het
lachwekkendst is, dat hij overal een vrouw wil nemen en een huis huren.
Omdat hij een grooten, zwarten en glanzenden baard heeft, gelooft hij
zoo mooi te zijn en aardig, dat alle vrouwen die hem zien, verliefd op
hem worden en als men hem liet gaan, zou hij ze naloopen, tot hij er
zijn gordel bij verloor. Het is waar, dat hij voor mij een groote steun
is, omdat er niemand is, hoe vertrouwelijk hij ook met mij mee spreekt,
of mijn knecht moet er het zijne van weten en vraagt men mij iets, dan
is hij zóó bang, dat ik niet zal weten te antwoorden, dat hij dadelijk
ja of neen zegt, al naar hij ’t het best acht. Broeder Cipolla had hem
in de herberg achtergelaten en hem gelast op te passen, dat niemand
zijn knapzakken zou aanraken, omdat zich daarin heilige dingen
bevonden. Maar Guccio Imbratta, die nog verlangender was in de keuken
te zijn dan een nachtegaal op de groene takken en vooral als hij er een
dienstmeid zag, had in dien van den waard er een gevonden vet, dik,
klein en mismaakt en met een paar borsten, die twee mestmanden leken en
met een gezicht, dat aan de Baronci herinnerde, en erg zweetend, smerig
en berookt; daarop wierp hij zich als een gier op aas en liet de kamer
van broeder Cipolla in den steek. Hoewel het Augustus was, ging hij bij
het vuur zitten, begon met haar, die Nuta heette, een gesprek, zeide,
dat hij volgens getuigenis van een procureur edelman was en dat hij
meer dan duizende florijnen rijk was, zonder te rekenen wat hij aan
anderen schuldig was en dat hij tot meer in staat was dan God zelf.
Zonder te letten op haar muts, waarop zulk een laag vet was, dat zij er
den soepketel van Altopascio [133] mee had kunnen klaar maken, en op
haar verscheurde en gelapte schort. Om haar hals en oksels zat vuil
zweet en meer vlekken en kleuren dan ooit tartaarsche of indische
kleeden vertoonden en hij zeide haar, alsof hij heer van Castiglione
was, dat hij haar goed wilde kleeden, haar uit die ellende bevrijden
anderen te dienen en haar de hoop te geven op meer fortuin en vele
andere dingen. En hoewel hij het op zeer welgezinden toon zeide,
verging het in den wind en er bleef niets van over gelijk de schoonsten
van zijn ondernemingen. De twee jongelieden vonden aldus Guccio Porco
[134] met Nuta bezig. Verheugd door die omstanstandigheid, traden zij
in de kamer van broeder Cipolla; het eerste wat zij zochten, was de
knapzak, waarin de veer lag. Toen zij die openden, vonden zij een klein
kistje; zij ontsloten dit, ontdekten er een veer in uit een
papagaaienstaart en meenden, dat dit degene moest zijn, die hij beloofd
had te vertoonen. En allicht kon hij dat in die tijden doen gelooven,
omdat nog niet de weeldeartikelen van Egypte, tenzij in een klein deel
in Toscane waren ingevoerd en zij hadden zelfs nog nooit van papagaaien
gehoord. De jongelingen, blijde die veer gevonden te hebben, namen die
mede en het kistje vulden zij met kolen, die zij in een hoek in de
kamer zagen. Na het weer te hebben gesloten gingen zij, ongezien,
verheugd heen. De onnoozele menschen, die in de kerk waren, vernamen,
dat zij na den noen de veer van de engel Gabriël zouden zien. De eene
buurman vertelde het aan gene en de eene buurvrouw aan de andere en
zoodra ieder had gemiddagmaald; liepen zij naar het kasteel en vonden
er ternauwernood plaats en wachtten af om die veer te zien. Broeder
Cipolla, die goed gegeten had en een weinig geslapen en de menigte
boeren zag, beval aan Guccio Imbratta te zeggen, dat hij met de
heiligenklokjes naar het slot zou opklimmen en zijn knapzakken zou
brengen. Guccio rukte zich met moeite uit de keuken van Nuta en ging
met de gevraagde dingen naar boven. Toen hij daar was aangekomen, ging
hij op last van frater Cipolla naar de deur van de kerk en begon met
kracht de klokken te luiden.
Frate Cipolla begon, daar hij er niets van had gemerkt, dat zijn bagage
veranderd was, zijn preek en zeide tot staving van de feiten vele
woorden. Hij moest nu de veer vertoonen, zeide met groote plechtigheid
het Confiteor op, liet twee toortsen aansteken, wikkelde zacht het taf
los en na eerst zijn kap te hebben afgenomen haalde hij het kistje te
voorschijn. Eerst sprak hij eenige zinsneden uit tot lof en eer van den
engel Gabriël en van zijn reliek en opende toen het kistje. Hij zag het
met kolen gevuld en dacht, dat Guccio Baleta hem dat niet geleverd had,
omdat hij hem er niet toe in staat rekende en hij schold hem even uit,
omdat hij het zoo slecht bewaakt had en begreep, dat anderen hem dit
hadden gedaan, maar hij vervloekte in stilte zich zelve, dat hij het
bewaren van zijn goed had opgedragen aan hem, dien hij kende als
slordig, ongehoorzaam, zorgeloos en kort van geheugen. Doch zonder van
kleur te verschieten hief hij het gelaat en de handen ten hemel en
sprak luide: O Heer, steeds zij uw macht geprezen. Hij sloot het kistje
en sprak tot de menigte: Dames en heeren. Gij moet weten, dat ik, toen
ik nog zeer jong was, door mijn meerdere gestuurd werd naar dat deel
der wereld, waar de zon opgaat en mij werd opzettelijk gelast, dat ik
zou zoeken tot ik er de bullen van den grooten Porcellana zou vinden,
welke hoewel ze niets kosten om ze zegelen, meer voor anderen van nut
zijn dan voor ons. Ik ging op reis, vertrok uit Vinegia en kwam langs
den Burcht der Noordoostwinden, reed vandaar door het koninkrijk van
Garbo en Baldacca, bereikte Parione en vandaar uit, niet zonder dorst,
kort daarna Sardigna. Maar waarom zal ik u van alle landen spreken, die
ik heb doorzocht! Ik kwam, nadat ik het kanaal was overgestoken, den
arm van San Giorgio genaamd, in Truffia [135] en Ruffia [136], zeer
bevolkte rijken en vandaar kwam ik in het gebied van Menzogna [137],
waar ik vele van onze broeders en van andere godsdiensten vond, die
allen den arbeid ontweken uit liefde tot God en zich om weinig
bekommerden, mits zij er voor zich zelf voordeel in zagen en veel geld
verkwistten. Vandaar trok ik naar het gebied der Abruzzen [138], waar
de mannen en vrouwen op klompen over de bergen gaan en de varkens met
hun eigen darmen aankleeden [139] en dicht daarbij vond ik lieden, die
het brood op stokken en den wijn in zakken dragen. Vandaar kwam ik bij
de bergen van Bacchus, waar alle wateren naar beneden loopen en in
korten tijd drong ik zoo ver door, dat ik India Pastinaca bereikte,
waar ik u zweer bij mijn ordekleed, dat ik de snoeimessen [140] zag
vliegen, iets ongeloofelijks. Maar dit kan mij zelfs Maso del Saggio
niet ontstrijden, den grooten koopman, dien ik daar vond, die noten
kraakte en de schalen als afval verkocht. Maar omdat ik niet vinden
kon, wat ik zocht, keerde ik terug en kwam in het Heilige Land, waar in
den zomertijd het oudbakken brood vier denari kost en het versche voor
niets wordt verkocht. En daar vond ik den eerwaardigen vader, messer
Nonmiblasmete Sevoipiace [141], den allereerwaardigsten patriarch van
Jerusalem, die uit eerbied voor het ordekleed van baron messire Sint
Antonius wilde, dat ik al de heilige relieken zag, die hij bij zich
had. En er waren er zooveel, dat ik, zoo ik ze allen wilde tellen, tot
verscheidene duizenden zou komen. Maar toch om U niet zonder troost te
laten, zal ik U er eenigen noemen. Eerst toonde hij mij den vinger van
den Heiligen Geest zoo volledig en gaaf, als die ooit is geweest en de
kuif van den Serafijn, die aan Sint Franciscus verscheen en een der
nagels van de Cherubijnen, een der ribben van het vleesch geworden
Woord aan de vensters uitgestald, kleeren van het katholieke Heilig
Geloof, eenige stralen der Ster, die aan de drie Magiërs in het Oosten
verscheen, een flesch vol zweet van den heiligen Michaël, toen hij
tegen den Duivel vocht, de kaak als doodsbeen van Sint Lazarus en
anderen. En daar ik hem gul een afschrift schonk der plagiaten van
Monte Morello in de volkstaal en van eenige hoofdstukken van Caprezio,
die hij lang had gezocht, maakte hij mij deelgenoot van zijn heilige
relieken en gaf mij een der nagels van het Heilige Kruis en een klein
fleschje gevuld met een weinig klank der klokken van den tempel van
Salomo, de veer van den engel Gabriël, waarvan ik U gesproken heb en
een der klompen van San Gherardo da Villa Magna, welke ik onlangs te
Florence aan Gherardo van Bonsi gaf, die er een zeer grooten eerbied
voor heeft. Ook gaf hij mij kolen, waarop de gelukzalige martelaar Sint
Laurentius gebraden werd. Deze dingen heb ik alle meegebracht en ik heb
ze allen bij mij.
Het is waar, dat mijn meerdere mij nooit heeft toegestaan die te
vertoonen, voor hij er zeker van was, dat ze echt waren. Maar nu het
door zekere wonderen van hen uitgegaan en door brieven ontvangen van
den Patriarch zeker is, heeft hij mij dit veroorloofd, maar ik,
bevreesd ze aan anderen toe te vertrouwen, draag die altijd bij mij. Ik
draag de veer van den engel Gabriël, opdat die niet bederft, in een
kistje en de kolen, waarop San Lorenzo gebraden werd in een ander.
Dezen zijn zoo aan elkaar gelijk, dat ik dikwijls het eene voor het
andere aanvat; dat is mij nu gebeurd, want ik dacht het kistje met de
veer te hebben meegenomen en nu heb ik dat meegedragen met de kolen. Ik
geloof niet, dat dit het gevolg alleen van een dwaling is maar Gods
wil, daar ik mij herinner, dat het feest van San Lorenzo binnen twee
dagen plaats heeft. En daar God wenschte, dat ik door U de kolen te
toonen, waarmee hij gebraden is, in Uw zielen weer het vuur der
vroomheid doe opvlammen, heeft Hij mij de gezegende kolen bedropen van
de vochten uit dat heilige lichaam doen meenemen.
Daarom, gezegende zonen, neem Uw kappen af en nader vroom om ze te
aanschouwen. Maar weet eerst, dat elk, die door die kolen gemerkt wordt
met het teeken des Kruises, het heele jaar er zeker van kan zijn, dat
het vuur hem niet zal aanraken zonder dat hij het voelt. Na die woorden
zong hij een loflied voor San Lorenzo, opende het kistje en toonde de
kolen. Toen de dwaze menigte met vrome bewondering alles had gade
geslagen, drongen allen naar broeder Cipolla en gaven hem een beter
offerande dan gewoonlijk. Broeder Cipolla begon met de kolen in de hand
op de witte hemden, op de keurslijven en de sluiers der vrouwen de
grootste kruisen te trekken, die er op konden staan, denkend, dat hoe
meer die versleten, hoe meer ze het kistje met geld zouden vullen
gelijk hij meermalen ondervonden had. Na op die wijze niet dan tot zijn
grootste voordeel al de Certaldeezen te hebben bekruist, deed hij door
zijn tegenwoordigheid van geest hen de bedrogenen blijven, die hem voor
den mal dachten te houden. Zij waren bij de preek tegenwoordig geweest
en daar zij het nieuwe verdedigingsmiddel, door hem aangewend, hadden
gehoord, hadden zij zoo gelachen, dat zij dachten hun kaken er bij te
verliezen. En toen de menigte vertrokken was, gingen zij naar hem toe
en bekenden met genoegen, wat zij hadden uitgehaald en gaven hem zijn
veer terug, welke hem het volgende jaar niet minder opbracht dan dien
dag de kolen.
Deze historie schonk aan het heele gezelschap groot genoegen en vermaak
en het meest toen broeder Cipolla sprak van zijn pelgrimstocht en over
de relieken door hem aanschouwd en medegebracht. De koningin zag haar
heerschappij geëindigd en stond op, nam den krans en plaatste dien
lachend op het hoofd van Dioneo en zeide: Het is tijd, Dioneo, dat gij
een weinig den last gewaar wordt van donna’s te regeeren en te leiden.
Wees dus koning en bestuur ons aldus, dat als uw rijk uit is, wij U
moeten prijzen. Dioneo antwoordde met een lach, de kroon aanvaardend:
Gij kunt er reeds velen gezien hebben, ik meen koningen van het
schaakbord, die meer waard zijn dan ik, maar zeker, indien gij mij
gehoorzaamt gelijk men een koning eerbiedigt, zal ik u daarvan doen
genieten zonder hetwelk zeker geen feest volmaakt vroolijk is. Ik zal
regeeren, zoo goed ik kan. En nadat hij volgens de gewoonte den
hofmeester had laten komen, gelastte hij hem, wat hij te doen had,
zoolang zijn heerschappij duurde en sprak daarna:
Waardige donna’s. Er is op zoo verschillende manieren over menschelijke
bekwaamheid en de verschillende voorbeelden daarvan gesproken, dat, als
juffrouw Licisca niet kort geleden hier was gekomen om mij stof te
geven voor de aanstaande vertellingen van morgen, ik er aan twijfel, of
het mij niet veel moeite zou gekost hebben een onderwerp te kunnen
vinden om over te spreken. Zij, gelijk gij hoorde, zeide, dat zij geen
buurvrouw had, die als maagd tot haar echtgenoot was gegaan en zij
voegde er aan toe, dat zij wel wist hoe vele en hoedanige streken de
getrouwde vrouwen nog aan hun mannen hadden geleverd. Maar het eerste
daar gelaten, meen ik, dat het tweede aardig moet zijn om over te
spreken en daarom wil ik, dat men morgen spreekt, daar donna Liscisca
er mij aanleiding toe gaf, over de streken, die of uit liefde of tot
hun redding de vrouwen jegens hun mannen hebben uitgehaald, hetzij die
het al of niet merkten. Het behandelen van deze stof scheen aan elk der
donna’s slecht te passen en zij verzochten hem het al voorgestelde te
veranderen. De koning antwoordde hun: Donna’s. Ik ken het onderwerp,
dat ik u voor heb geschreven niet minder goed dan gij en wat gij mij
wilt aantoonen, kan mij er niet van af brengen, want ik meen, dat nu de
tijd zoo is, dat de menschen er op uit zijn oneerbaar te handelen, elk
verhaal geoorloofd is. Of weet gij niet, dat door de verdorvenheid van
dit tijdvak de rechters de rechtbanken hebben verlaten, dat de wetten
zoowel goddelijke als menschelijke zwijgen en dat groote vrijheid aan
elk is geschonken om het leven te beveiligen? Daarom, indien uw
eerbaarheid wat minder gevoelig wordt door dit te vertellen, is dat
niet om er een of andere laakbare daad op te doen volgen. Maar om u en
anderen te vermaken, zie ik niet, welke reden men zou kunnen aanhalen
om u later verwijten te kunnen doen. Bovendien is uw gezelschap van af
den eersten dag van samenkomst tot op dit uur zeer eerbaar geweest bij
alles, wat men ook verteld heeft en het schijnt mij niet, dat het door
eenige slechte daad geschandvlekt is, noch met Gods hulp worden zal.
En: wie is er die uw fatsoen niet kent? Ik geloof niet, dat dit door
genoegelijke gesprekken en zelfs niet door de vrees voor den dood kan
verzwakt worden. En om u de waarheid te zeggen, indien men wist, dat
gij er een oogenblik voor aarzelde over die streken te praten, zou men
misschien denken, dat gij u er schuldig aan voelde en er daarom niet
over wilt spreken. Zonder te rekenen dat gij mij een groote eer
aandoet, mij, die tot heden aan allen hebt gehoorzaamd, nu gij mij tot
uw koning hebt gemaakt, wilt gij mij nu de wet toevertrouwen en niet
spreken over wat ik u beveel. Laat dus liever die bedenking varen, die
meer eigen is aan slechte zielen dan aan de uwen en laat ieder met goed
geluk een mooi verhaal doen.
Toen de dames dit hadden gehoord, zeiden zij, dat het zou gebeuren
gelijk hij wenschte; daarom gaf de koning verlof aan elk tot aan het
uur van het avondmaal te doen, wat men wilde. De zon stond nog zeer
hoog, daar de gedachtenwisseling kort was geweest; toen derhalve Dioneo
met de andere jongelieden was gaan schaak spelen, zeide Elisa, die de
andere donna’s geroepen had. Daar wij hier zijn, heb ik verlangd u te
leiden naar een plaats hier dicht bij, waar ik meen, dat nooit iemand
van u was en die men de Dames-Vallei noemt en ik heb nog geen
gelegenheid gehad u er heen te brengen, behalve nu, want de zon staat
nog hoog en daarom als het u behaagt er heen te gaan, twijfel ik er
bepaald niet aan, dat gij, wanneer gij er zult zijn, zeer voldaan zult
wezen u er heen te hebben begeven. De donna’s antwoordden, dat zij
gereed waren en nadat zij een van hun dienstmaagden hadden geroepen
zonder er iets van te zeggen aan de jongelieden, begaven zij zich op
weg. Zij waren niet verder dan een mijl gegaan, toen zij de
Dames-Vallei bereikten. Zij gingen die door een zeer nauw pad binnen,
waaraan een van de zijden een zeer heldere beek liep en vonden die zoo
schoon en aangenaam en in het bijzonder op dat oogenblik, toen het zeer
warm was, dat men die onder geen beter omstandigheid had kunnen zien.
En naar hetgeen elk van hen mij later herhaalde, was de vlakte, die het
diep van de vallei vormden zoo rond of zij met een passer was
afgecirkeld; zoozeer scheen zij een kunstwerk der natuur en niet van
menschenhand. Zij was in omtrek meer dan een halve mijl, omringd door
zes kleine bergen niet al te hoog en op den top van elk zag men een
verblijf in den vorm van een schoon lustoord. De hellingen van die
kleine bergen daalden zacht naar die vlakte af gelijk wij in de
theaters de trappen van hun top van boven naar beneden achtereenvolgens
geordend zien dalen, steeds meer hun kring vernauwend. En deze
hellingen, voor zoover ze naar het Oosten zich uitstrekten, waren
bedekt met wijnranken, olijven, amandelboomen, kersenboomen,
vijgenboomen en een groot aantal andere vruchtboomen, zonder dat een
duim gronds verloren ging. Zij, die de vlakte tegen den noord
oostenwind beschutten, waren allen bedekt met eiken, esschen en andere
gewone boomen in de grootste orde geplant. De vlakte, die volgde en die
geen anderen toegang had dan die de dames waren ingegaan, was vol
dennenboomen, cypressen, laurierboomen en eenige pijnboomen zoo goed
gerangschikt en opgesteld, alsof de beste kunstenaar ze daar neergezet
had. Zelfs als de zon hoog stond, drong hij er bijna niet door tot den
bodem, die een kleine, groene weide was en vol purperkleurige en andere
bloemen. En bovendien, wat niet het minst genoegen verschafte, was een
beekje, dat uit een der valleien tusschen de genoemde bergjes afdaalde
en bij sprongen viel over levendig gekleurd gesteente en dat
neerschietend een zeer aangenaam gedruisch maakte en uiteenspattend van
verre levend zilver scheen, dat uit een of ander dof voorwerp
opschitterde. Beneden in de kleine vlakte gekomen en ontvangen in een
klein kanaal liep het vlug tot in het midden van de weide en vormde
daar een klein meertje gelijk aan de vijvers, welke de burgers dikwijls
in de tuinen maken, als zij dit kunnen. Dit meertje was niet dieper dan
een man tot de borst hoog is, zonder dat er eenige troebelheid in was,
en toonde in zijn heldere diepte zeer fijn zand, zoodat, wie niets
anders te doen zou gehad hebben, de korrels kon tellen, als hij gewild
had. En niet alleen liet de diepte water zien, maar er schoten hier en
daar zooveel visschen doorheen, dat dit ook een wonder was van
genoegen. Het meertje had geen anderen oever dan den bodem van de
weide, die te meer schoonheid verspreidde rondom, naarmate zij er meer
vochtigheid van ontving. Het te overvloedige water werd in een ander
kanaal ontvangen, waardoor het uit de vallei stroomde en liep naar de
laagste gedeelten.
Toen de jonge dames hier aangekomen waren na overal te hebben
rondgekeken, prezen zij die plaats zeer. Daar het zeer warm was en zij
het waterbekken voor zich zagen, overlegden zij of zij daar zouden
baden. Na hun meid last te hebben gegeven op den weg te blijven staan
en op te letten of er iemand aankwam, ontkleedden zij zich alle zeven
en gingen in het water, dat de blankheid van hun lichaam niet meer
verborg dan een doorschijnend glas het een roode roos zou hebben
gedaan. Daar ze allen er in gegaan waren, zonder dat het water er
eenigszins onhelder van geworden was, begonnen zij hier en daar de
visschen te vangen met de handen, daar die zich niet konden verbergen.
Bij dit vermaak maakten ze er enkelen buit en na eenigen tijd gingen
zij er uit; zij kleedden zich weer aan en toen was het uur daar om
huiswaarts te keeren. Vroegtijdig bij het paleis aangekomen, vonden zij
er nog de jongelieden bij het spel. Pampinea sprak lachend: Wij hebben
ons heden waarlijk bedrogen! Waarom, vroeg Dioneo, begint gij dan eerst
met daden eer gij met woorden aanvangt! [142] Pampinea vertelde hem
uitvoerig, vanwaar zij kwamen en hoe de plaats er uit zag en wat zij
hadden gedaan. De koning, die van de schoonheid van die plek hoorde en
deze verlangde te zien, liet snel het avondmaal komen; toen dit allen
verzadigd had, gingen de drie jongelieden met hun bedienden naar die
vallei en zij prezen deze als een van de schoonste plaatsen van de
wereld. En nadat zij er gebaad en zich weer aangekleed hadden en het
reeds zeer laat was, keerden zij huiswaarts, waar zij de donna’s
dansende vonden, op een wijs, die Fiammetta zong. Toen de dans gedaan
was, begonnen zij over de Dames-Vallei te praten en spraken met zooveel
lof daarvan, dat de koning den hofmeester ontbood, beval hem het maal
voor den volgenden morgen daar klaar te zetten en er bedden te laten
aandragen, indien men er wilde slapen of s’esta houden. Hierna liet hij
lichten komen, wijn en meelspijzen. Na gebruik daarvan beval hij, zich
gereed te maken tot den dans. Toen Pamfilo op zijn bevel een dans
geordend had, keerde de koning zich tot Elisa en sprak tot haar met
gratie: Schoone, jonge dame. Door u had ik de eer de krans te worden
opgezet, en nu wil ik vanavond u de eer laten voor den zang en zing dus
het lied, dat U het meest zal behagen. Elisa antwoordde glimlachend,
dat zij dit gaarne wilde en begon met een zachte stem aldus:
Liefde, indien ik aan uw klauwen kan ontsnappen,
Kan ik nauwelijks gelooven,
Dat niet een andere klauw mij grijpt.
Ik ging heel jong in uw oorlog
Geloovend, dat dit een hooge en zoete vrede was,
En ik legde al mijn wapens neder
Als hij die vertrouwen heeft:
Maar gij, trouwelooze tyran, tuk en roofziek,
Gij waart mij op de hielen
Met uw wapens en uw wreede nagels.
Toen, eenmaal omslingerd door uw ketens
Voor hem, die geboren werd om mij te doen sterven,
Vol bittere tranen en smarten,
Maakte gij mij gevangen en gij hebt mij in zijn macht gesteld;
En zijn heerschappij is zoo wreed,
Dat nooit zuchten hem bewogen
Noch klachten, die mij dooden.
Al mijn gebeden vervaagt de wind.
Hij luistert naar geen, noch wil hij er naar hooren
Daardoor stijgt mijn marteling ieder uur
En is dus het leven mij een last, en toch kan ik niet sterven.
Heer, heb medelijden met mijn smarten
En doe, wat ik niet vermag
Lever mij hem over in uw ketenen.
Indien gij dit niet wilt, ontkluister dan althans
De banden geknoopt door de hoop.
Zie! ik bid U, Heer, dat Gij dit wilt,
Want als Gij dit doet, heb ik nog vertrouwen
Weer schoon te worden, zooals ik placht te wezen,
En als de smart verdwijnen zal,
Zal ik mij tooien met witte en roode bloemen.
Nadat Elisa met een zeer meewarige verzuchting haar zang had geëindigd
en hoewel allen over zulke woorden verwonderd waren, kon toch niemand
raden, wat de aanleiding was. Maar de koning, die in goeden luim was,
liet Tindaro roepen, en beval hem, dat hij zijn doedelzak voor den dag
haalde, op welk geluid hij vele dansen liet uitvoeren. Maar daar reeds
een groot deel van den nacht voorbij was, gelastte hij toen, dat elk
zou gaan rusten.