Guido Cavalcanti beleedigt in beleefde termen zekere florentijnsche
ridders, die hem hadden verrast.
Toen de koningin bemerkt had, dat Emilia haar verhaal had verteld en
dat behalve degeen, die het voorrecht had, het laatst te spreken, zij
dit nog moest doen, begon zij aldus: Lieve donna’s. Hoewel gij mij twee
van de novellen ontnomen hebt, die ik wilde verhalen, is er mij één
overgebleven, waarvan het slot een zoo aardig antwoord bevat, dat er
misschien nooit een met zulk een diepen zin gezegd is.
Gij moet dan weten, dat er vroeger in onze stad veel schoone en
lofwaardige gebruiken bestonden, waarvan er slechts een is
overgebleven, dank zij de gierigheid, die tegelijk met den rijkdom is
toegenomen en de eersten er uit verdreven heeft. Een van die gewoonten
was, dat de edellieden zich op verschillende plaatsen in Florence
verzamelden en groepen vormden en slechts hen toelieten, die de kosten
konden dragen. Zij hielden dan bij den een, dan bij den ander open
tafel. Zij noodigden dikwijls vele vreemde edellieden en ook burgers
uit. Eens per jaar minstens kleedden zij zich op dezelfde wijze en de
adellijksten reden te paard, hielden wapenspelen en dikwijls bij
voorname feesten of als een of ander blij bericht van overwinning of
van iets anders de stad had bereikt. Onder deze gezelschappen was er
een van messer Betto Brunelleschi [129], messer Betto, die met zijn
metgezellen dikwijls zijn best had gedaan, Guido, den zoon van
Cavalcante de’Cavalcanti te halen, omdat hij behalve een der beste
redenaars ter wereld een uitstekend natuur-philosoof (het gezelschap
gaf daar weinig om) en heel aardig was, wel bemind, zeer bespraakt en
omdat hij beter wist, wat hem paste dan welk edelman ook. Hij was zeer
rijk en wist volgens alle eischen te ontvangen. Maar messer Betto was
er bij hem nooit in geslaagd dit gedaan te krijgen en hij en zijn
kameraden geloofden, dat het kwam, omdat Guido in zijn bespiegelingen
zeer afgezonderd van de menschen leefde. En omdat hij in eenige
opzichten van de meening der Epicuristen was, zeide de groote menigte,
dat hij met zijn bespiegelingen geen ander doel had dan om te bevinden,
dat er geen God was.
Eens was Guido vertrokken van den Tuin van San Michele en langs de
renbaan van Adimari tot San Giovanni gekomen. Er waren toen rondom San
Giovanni groote graven in marmer en steen, die thans zich bevinden in
Santa Reparata. Toen hij tusschen de zuilen van porfier [130] gekomen
was, en die graven en de poort van San Giovanni, welke gesloten was
kwam messer Betto met zijn gezelschap over het Santa Reparata-plein en
toen ze Guido tusschen die graven zagen, zeiden ze: Laten we hem eens
plagen. Ze gaven hun paarden de sporen, alsof zij voor de grap een
aanval op hem deden, waren achter hem, voor hij het merkte en zeiden
hem: Guido, gij weigert ons gezelschap, maar kijk, als gij bevonden
zult hebben, dat God niet bestaat, wat zult gij dan doen? Hierop
antwoordde Guido vlug, die zich door hen ingesloten zag: Heeren, u kunt
mij bij u thuis zeggen, wat gij wilt, en nadat hij zijn hand op een van
die graven had gelegd, die groot waren, sprong hij er licht over heen
en kwam aan den anderen kant en ging van hen bevrijd heen.
Zij keken elkander aan en zeiden tegen elkander, dat Guido zijn hoofd
verloren had en dat, hetgeen hij gezegd had, niets beteekende, omdat
het er zóó mee stond, dat zij daar niets meer te vertellen hadden dan
alle andere burgers en Guido niet minder dan een van hen. Messer Betto
keerde zich toen tot hen en zeide: Gij zijt leeghoofden, als gij niet
hebt begrepen, dat hij goed en in weinige woorden de grootste
beleediging van de wereld heeft gezegd. Want deze graven zijn de huizen
der dooden, omdat de dooden daarin liggen en blijven, welke hij onze
huizen noemt om ons te toonen, dat wij en de andere menschen dwazen en
en ongeletterden zijn vergeleken bij hem en andere wetenschappelijke
mannen en minder dan dood zelfs en daarom zegt hij, zijn wij tehuis.
Toen begreep ieder met schaamte, wat Guido had willen zeggen; nooit
hinderden zij hem meer en hielden van af dat oogenblik messer Betto
voor een slim en verstandig ridder.