NEGENDE VERTELLING.

Guido Cavalcanti beleedigt in beleefde termen zekere florentijnsche

ridders, die hem hadden verrast.

Toen de koningin bemerkt had, dat Emilia haar verhaal had verteld en

dat behalve degeen, die het voorrecht had, het laatst te spreken, zij

dit nog moest doen, begon zij aldus: Lieve donna’s. Hoewel gij mij twee

van de novellen ontnomen hebt, die ik wilde verhalen, is er mij één

overgebleven, waarvan het slot een zoo aardig antwoord bevat, dat er

misschien nooit een met zulk een diepen zin gezegd is.

Gij moet dan weten, dat er vroeger in onze stad veel schoone en

lofwaardige gebruiken bestonden, waarvan er slechts een is

overgebleven, dank zij de gierigheid, die tegelijk met den rijkdom is

toegenomen en de eersten er uit verdreven heeft. Een van die gewoonten

was, dat de edellieden zich op verschillende plaatsen in Florence

verzamelden en groepen vormden en slechts hen toelieten, die de kosten

konden dragen. Zij hielden dan bij den een, dan bij den ander open

tafel. Zij noodigden dikwijls vele vreemde edellieden en ook burgers

uit. Eens per jaar minstens kleedden zij zich op dezelfde wijze en de

adellijksten reden te paard, hielden wapenspelen en dikwijls bij

voorname feesten of als een of ander blij bericht van overwinning of

van iets anders de stad had bereikt. Onder deze gezelschappen was er

een van messer Betto Brunelleschi [129], messer Betto, die met zijn

metgezellen dikwijls zijn best had gedaan, Guido, den zoon van

Cavalcante de’Cavalcanti te halen, omdat hij behalve een der beste

redenaars ter wereld een uitstekend natuur-philosoof (het gezelschap

gaf daar weinig om) en heel aardig was, wel bemind, zeer bespraakt en

omdat hij beter wist, wat hem paste dan welk edelman ook. Hij was zeer

rijk en wist volgens alle eischen te ontvangen. Maar messer Betto was

er bij hem nooit in geslaagd dit gedaan te krijgen en hij en zijn

kameraden geloofden, dat het kwam, omdat Guido in zijn bespiegelingen

zeer afgezonderd van de menschen leefde. En omdat hij in eenige

opzichten van de meening der Epicuristen was, zeide de groote menigte,

dat hij met zijn bespiegelingen geen ander doel had dan om te bevinden,

dat er geen God was.

Eens was Guido vertrokken van den Tuin van San Michele en langs de

renbaan van Adimari tot San Giovanni gekomen. Er waren toen rondom San

Giovanni groote graven in marmer en steen, die thans zich bevinden in

Santa Reparata. Toen hij tusschen de zuilen van porfier [130] gekomen

was, en die graven en de poort van San Giovanni, welke gesloten was

kwam messer Betto met zijn gezelschap over het Santa Reparata-plein en

toen ze Guido tusschen die graven zagen, zeiden ze: Laten we hem eens

plagen. Ze gaven hun paarden de sporen, alsof zij voor de grap een

aanval op hem deden, waren achter hem, voor hij het merkte en zeiden

hem: Guido, gij weigert ons gezelschap, maar kijk, als gij bevonden

zult hebben, dat God niet bestaat, wat zult gij dan doen? Hierop

antwoordde Guido vlug, die zich door hen ingesloten zag: Heeren, u kunt

mij bij u thuis zeggen, wat gij wilt, en nadat hij zijn hand op een van

die graven had gelegd, die groot waren, sprong hij er licht over heen

en kwam aan den anderen kant en ging van hen bevrijd heen.

Zij keken elkander aan en zeiden tegen elkander, dat Guido zijn hoofd

verloren had en dat, hetgeen hij gezegd had, niets beteekende, omdat

het er zóó mee stond, dat zij daar niets meer te vertellen hadden dan

alle andere burgers en Guido niet minder dan een van hen. Messer Betto

keerde zich toen tot hen en zeide: Gij zijt leeghoofden, als gij niet

hebt begrepen, dat hij goed en in weinige woorden de grootste

beleediging van de wereld heeft gezegd. Want deze graven zijn de huizen

der dooden, omdat de dooden daarin liggen en blijven, welke hij onze

huizen noemt om ons te toonen, dat wij en de andere menschen dwazen en

en ongeletterden zijn vergeleken bij hem en andere wetenschappelijke

mannen en minder dan dood zelfs en daarom zegt hij, zijn wij tehuis.

Toen begreep ieder met schaamte, wat Guido had willen zeggen; nooit

hinderden zij hem meer en hielden van af dat oogenblik messer Betto

voor een slim en verstandig ridder.

De Decamerone van Boccaccio · 第 67 / 116 题