Fresco dringt bij zijn nicht aan niet in een spiegel te kijken,
wanneer haar het zien van leelijke menschen hinderde.
De novelle verhaald door Filostrato trof de harten van de donna’s met
eenige schaamte en zij gaven er met een eerbaren blos zichtbaar op hun
gelaat blijk van en toch konden zij zich ternauwernood van lachen
onthouden. Toen hij tot het einde gekomen was, keerde de koningin zich
tot Emilie en gelastte, dat die zou volgen. Deze verhief zich, alsof
zij uit den slaap opstond en begon zuchtend: Verliefde, jonge dames.
Omdat een langdurige gedachte mij hier ver vandaan heeft gevoerd, zal
ik gedwongen zijn onze koningin te gehoorzamen, misschien met een
korter historie dan wanneer ik met mijn geest hier aanwezig was
geweest. Ik zal u de zotte dwaling vertellen van een meisje, dat door
een scherts van een harer ooms zou verbeterd zijn, zoo zij verstandig
genoeg was geweest hem te hebben begrepen.
Een zekere Fresco van Celatico had een nicht, schertsend Ciesca
genaamd, die hoewel zij schoon was van vorm en gelaat, toch niet zoo
engelachtig was als dikwijls het geval is en zich zoo edel waande, dat
zij gewoon was mannen, vrouwen en alles te laken, zonder er op te
letten, dat zij zelf onbehagelijker en driftiger dan eenige andere
donna was. Zij was zoo trotsch, alsof zij tot de dynastie der koningen
van Frankrijk behoord had. Als zij op straat liep, scheen zij zoo sterk
de lucht van verbrand vuil te ruiken, dat zij niets deed dan haar neus
snuiten, alsof zij bij iedereen stank bespeurde. Bovendien had zij nog
vele andere, hinderlijke manieren. Zij ging eens naar huis
teruggekeerd, waar Fresco was, zitten, vol landerigheid en deed niets
dan zuchten. Fresco vroeg haar: Ciesca, waarom zijt gij, terwijl het
heden feest is, zoo spoedig naar huis terug gekeerd? Zij antwoordde
geheel uit de hoogte door zotheid: Omdat ik geloof, dat er nooit op de
wereld zooveel onaangename en vervelende menschen zijn geweest als nu;
er is er niet een op straat of die mishaagt mij als de duivel. En ik
geloof niet, dat er een vrouw op de wereld is, wien het hinderlijker is
al die nare gezichten te zien en om daar niet naar te kijken ben ik
naar huis gegaan.
Fresco, wien de manieren van zijn nicht zeer hinderden, antwoordde:
Meisje, als de onaangename gezichten je zoo verdrieten en je toch
blijmoedig wilt leven, kijk dan nooit in den spiegel. Maar zij van ziel
zoo hol als een riet en die Salomo meende te evenaren, verstond de ware
beteekenis der scherts van Fresco niet beter dan een schaap:
Integendeel, zeide zij, ik wil mij zelf zien als de andere vrouwen en
zoo bleef zij in haar stompzinnigheid en is nog zoo.