ACHTSTE VERTELLING.

Fresco dringt bij zijn nicht aan niet in een spiegel te kijken,

wanneer haar het zien van leelijke menschen hinderde.

De novelle verhaald door Filostrato trof de harten van de donna’s met

eenige schaamte en zij gaven er met een eerbaren blos zichtbaar op hun

gelaat blijk van en toch konden zij zich ternauwernood van lachen

onthouden. Toen hij tot het einde gekomen was, keerde de koningin zich

tot Emilie en gelastte, dat die zou volgen. Deze verhief zich, alsof

zij uit den slaap opstond en begon zuchtend: Verliefde, jonge dames.

Omdat een langdurige gedachte mij hier ver vandaan heeft gevoerd, zal

ik gedwongen zijn onze koningin te gehoorzamen, misschien met een

korter historie dan wanneer ik met mijn geest hier aanwezig was

geweest. Ik zal u de zotte dwaling vertellen van een meisje, dat door

een scherts van een harer ooms zou verbeterd zijn, zoo zij verstandig

genoeg was geweest hem te hebben begrepen.

Een zekere Fresco van Celatico had een nicht, schertsend Ciesca

genaamd, die hoewel zij schoon was van vorm en gelaat, toch niet zoo

engelachtig was als dikwijls het geval is en zich zoo edel waande, dat

zij gewoon was mannen, vrouwen en alles te laken, zonder er op te

letten, dat zij zelf onbehagelijker en driftiger dan eenige andere

donna was. Zij was zoo trotsch, alsof zij tot de dynastie der koningen

van Frankrijk behoord had. Als zij op straat liep, scheen zij zoo sterk

de lucht van verbrand vuil te ruiken, dat zij niets deed dan haar neus

snuiten, alsof zij bij iedereen stank bespeurde. Bovendien had zij nog

vele andere, hinderlijke manieren. Zij ging eens naar huis

teruggekeerd, waar Fresco was, zitten, vol landerigheid en deed niets

dan zuchten. Fresco vroeg haar: Ciesca, waarom zijt gij, terwijl het

heden feest is, zoo spoedig naar huis terug gekeerd? Zij antwoordde

geheel uit de hoogte door zotheid: Omdat ik geloof, dat er nooit op de

wereld zooveel onaangename en vervelende menschen zijn geweest als nu;

er is er niet een op straat of die mishaagt mij als de duivel. En ik

geloof niet, dat er een vrouw op de wereld is, wien het hinderlijker is

al die nare gezichten te zien en om daar niet naar te kijken ben ik

naar huis gegaan.

Fresco, wien de manieren van zijn nicht zeer hinderden, antwoordde:

Meisje, als de onaangename gezichten je zoo verdrieten en je toch

blijmoedig wilt leven, kijk dan nooit in den spiegel. Maar zij van ziel

zoo hol als een riet en die Salomo meende te evenaren, verstond de ware

beteekenis der scherts van Fresco niet beter dan een schaap:

Integendeel, zeide zij, ik wil mij zelf zien als de andere vrouwen en

zoo bleef zij in haar stompzinnigheid en is nog zoo.

De Decamerone van Boccaccio · 第 66 / 116 题