Messer Forese van Rabatta [123] en meester Giotto, de schilder,
komen van Mugello en bespotten elkaar onderweg over hun leelijk
voorkomen.
Zoodra Neifile zweeg en de donna’s veel genoegen hadden gehad in het
antwoord van Chichibio, sprak Pamfilo naar den wil der koningin: Zeer
geliefde donna’s. Het gebeurt dikwijls, dat, gelijk de fortuin onder
lagere beroepen soms zeer groote schatten van deugd verbergt, wat
Pampinea kort te voren aantoonde, aldus ook in de leelijkste gedaanten
van menschen wonderbare geest door de natuur is neergelegd. Dit blijkt
zeer sterk bij twee onzer burgers, van wien ik u in ’t kort hoop te
spreken. Want de een, die messer Forese van Rabatta heette, was klein
en misvormd van figuur met een plat en knorrig gezicht, zoodat hij bij
wien ook der Baronci [124] vergeleken nog leelijk zou geweest zijn.
Deze was zoo doorkneed in de kennis der wetten, dat hij door vele
bekwame mannen voor een heele boekenkast van rechtsgeleerdheid werd
gehouden. En de ander, die Giotto heette, had een zoo uitstekenden
geest, dat er niets was in de natuur, de moeder en de oorzaak aller
dingen door de voortdurende wenteling des hemels, dat hij niet met het
stilet, de pen of het penseel weer kon geven, dat zij daarop niet
slechts gelijkend maar eer de voorwerpen zelf schenen, zoodat het
zintuig van het gezicht der menschen, er door misleid, hen die deed
houden voor echt in plaats nagebootst. En daar hij die kunst weer in
het volle licht heeft gesteld, die vele eeuwen begraven was onder de
dwalingen van enkelen, die meer schilderden om de oogen der onwetenden
te bekoren dan den geest der kenners te voldoen, kan men met recht hem
een der stralen van Florence’s glorie noemen. En dit des te meer, omdat
hij in leven als meester onder de anderen dien roem met zooveel meer
nederigheid verwierf, daar hij steeds weigerde meester genoemd te
worden. Deze titel door hem verworpen omglanst hem des te meer,
naarmate die met des te meer verlangen door hen, die minder dan hij
kenden of door zijn leerlingen gretig werd aangenomen. Maar hoewel zijn
kunst zeer groot was, was hij daarom nog niet van figuur of van aanblik
mooier dan messer Forese. Maar laat ik tot de geschiedenis overgaan:
Messer Forese en Giotto hadden in Mugello hun bezittingen en toen
messer Forese de zijnen was gaan zien, in dien tijd van den zomer als
de rechtbanken vacantie nemen en op een slecht karrepaard er heen ging,
ontmoette hij den reeds gezegden Giotto, die eveneens de zijnen
bezichtigd had en die naar Florence terugkeerde. Deze was noch door
zijn paard, noch door zijn bagage beter voorzien dan de ander en als
oude lieden vergezelden zij elkaar met langzamen gang. Gelijk wij het
dikwijls zien gebeuren, overviel hen een plotse stortbui, die hen zoo
spoedig ze konden deed vluchten in het huis van een boer, met wien zij
beide bevriend en bekend waren. Maar daar de regen na eenigen tijd niet
scheen te willen ophouden en zij denzelfden dag te Florence wilden
zijn, leenden zij van den landman twee oude mantels van laken van
Romagna en twee hoeden heelemaal rood van ouderdom, omdat er geen
beteren waren en begaven zich weer op weg. Toen zij eenigen tijd waren
voortgegaan en zich geheel doorweekt zagen en smerig door de
modderspatten, die de paarden met de pooten in menigte opwierpen—wat ze
er juist niet beter deed uitzien—en het weer wat opklaarde, begonnen
zij, die lang zwijgend waren voortgegaan, te spreken. Messer Forese,
die voortreed en naar Giotto luisterde, welke een zeer goed prater was,
begon hem van ter zijde, van boven en overal te bekijken en daar hij er
in elk opzicht zoo schandelijk en ontoonbaar uitzag, begon hij zonder
eenigen eerbied voor zijn persoon te lachen en zeide: Giotto, als ons
op dit oogenblik een vreemde tegemoet kwam, die u nooit zou gezien
hebben, gelooit gij, dat hij zou wanen, in u den grootsten schilder van
de wereld voor zich te hebben gelijk gij zijt? Giotto antwoordde snel:
Messire, ik geloof, dat hij het zou denken, wanneer hij u ziende, zou
meenen, dat u het a, b, c kent. [125] Toen messer Forese dit hoorde,
erkende hij zijn dwaling en zag zich met dezelfde munt betaald, waarmee
hij zijn koren verkocht had.