VIERDE VERTELLING.

Chichibio, kok van Currado Gianfigliazzi doet tot zijn redding met

een vlug antwoord den toorn van Currado in lachen overgaan en

ontsnapt aan het kwade lot, waarmee hij door Currado werd bedreigd.

Reeds zweeg Lauretta en werd Nonna ten hoogste door allen geprezen,

toen de koningin gelastte, dat Neifile zou volgen. Zij sprak: Verliefde

donna’s. Hoewel de zwakheid van geest dikwijls vlugge en nuttige en

schoone woorden ingeeft aan hen, die ze zeggen al naar de

omstandigheden, komt ook dikwijls de fortuin vreesachtige lieden te

hulp en legt er hun opeens op de tong, die nooit met kalm brein door

den spreker zouden kunnen gevonden worden, wat ik U door mijn novelle

wil aantoonen. Currado Gianfigliazzi, gelijk elk van U het heeft kunnen

hooren en zien, is altijd beschouwd geworden als een edel burger van

onze stad. Vrijgevig en prachtlievend leidt hij een leven van

baanderheer, liefhebbert voortdurend met honden en vogels om nu niet te

spreken van zijn ernstiger werken. Hij had eens op een dag met een van

zijn valken bij Peretola [122] een kraanvogel gedood en daar hij haar

vet en jong vond, liet hij dien naar zijn kok brengen, die Chichibio

heette, een Venetiaan, en gelastte hem dien te braden voor het

avondmaal en haar wel te verzorgen. Chichibio, die net zoo nieuwbakken

van hersens was als hij er uitzag, maakte den kraanvogel klaar, deed

hem op het vuur en begon hem met ijver te braden. Toen die zoo goed als

gaar was en er een sterke geur van af kwam, kwam er een vrouwtje van

het land, Brunetta genaamd, waarop Chichibio zeer verliefd was, in de

keuken en toen zij den reuk van den kraan gewaar werd en den vogel zag,

verzocht zij Chichibio dringend er haar de dij van te geven. Chichibio

antwoordde haar zingend: Gij zult haar niet van mij hebben, donna

Brunetta, gij zult haar niet van mij hebben. Hierover kwaad antwoordde

Brunetta: Bij het geloof in God, als gij mij haar niet geeft, zal je

van mij nooit meer iets hebben, wat je bevalt. En in korten tijd

wisselden zij vele woorden. Tenslotte gaf Chichibio, na een van de

dijen losgesneden te hebben, die aan de donna om haar niet boos te

maken. Toen de kraan daarna opgediend was voor Currado en een

vreemdeling, dien hij had uitgenoodigd, zonder die dij, en Currado

daarover verwonderd was, liet hij Chichibio roepen en vroeg hem wat

daarmee gebeurd was. De domme Venetiaan antwoordde dadelijk: Signor, de

kraanvogels hebben maar één dij en één poot. Currado antwoordde

woedend: Wat duivel hebben ze maar een dij en een poot? Heb ik dan geen

andere kranen dan die gezien? Chichibio ging voort: Het is, mijnheer,

zooals ik U zeg en als het U aanstaat, zal ik het U bij de levenden

laten zien. Currado ter wille van den vreemdeling, die bij hem was,

wilde er verder geen woorden over hebben, maar zeide: Daar gij mij zegt

dit te zullen aantoonen bij de levenden, iets wat ik nooit heb gezien

of hooren zeggen, wil ik dit morgenochtend zien en zal dan tevreden

zijn, maar ik zweer u bij het lichaam van Christus, dat, als het anders

zal wezen, ik u zal tracteeren op een manier, dat gij u tot uw schade

mijn naam zult herinneren, zoolang gij hier zult leven.

Het onderhoud hield dus voor dien avond op en den volgenden morgen,

zoodra het dag werd, stond Currado, die door den toorn niet had kunnen

slapen, nog geheel prikkelbaar op en beval, dat de paarden werden

voorgebracht en nadat hij Chichibio op een hengst had laten klimmen,

zeide hij, terwijl hij hem naar een rivier leidde, aan welker oever

altijd bij den dageraad kraanvogels te zien waren: Nu zullen we spoedig

zien, wie gisterenavond gelogen heeft, gij of ik. Chichibio, die zag,

dat de toorn van Currado nog voortduurde en dat hij zijn domheid

bekennen moest en niet wist, hoe hij het doen moest, reed in den

grootsten angst van de wereld naast Currado en had graag, als hij had

gekund, willen vluchten, maar daar dit onmogelijk was, keek hij dan

weer vooruit en dan weer achteruit en op zijde en al, wat hij zag,

waren, meende hij, kraanvogels, die op twee pooten stonden. Maar

ternauwernood waren zij bij de rivier gekomen of het eerste wat zij

zagen, waren een twaalftal kranen, die allen op een poot stonden,

gelijk zij gewoon zijn, als zij slapen. Daarom wees hij ze ijlings aan

Currado en zeide: Gij kunt duidelijk genoeg zien, messer, dat ik u

gisteravond de waarheid heb gezegd, dat de kraanvogels maar een dij en

een poot hebben, als gij ziet naar hen, die daar staan. Currado zeide

bij het zien van deze: Wacht maar, tot ik je zal toonen, dat ze er twee

hebben en ze wat meer naderend, schreeuwde hij: Ho, ho, door welken

kreet de kraanvogels de andere poot uitstaken en na eenige treden

begonnen te vluchten. Hierop zeide Currado tot Chichibio gekeerd: Hoe

lijkt het, je schelm? Schijnt het je nu, dat zij er twee op na houden?

Chichibio, geheel van streek, antwoordde, niet wetend, hoe het in hem

opkwam: Ja, messer, maar u hebt niet Ho, ho, geroepen tegen dien van

gisteravond, want als U daartegen zoo hadt geschreeuwd, had die ook de

andere dij en den anderen poot uitgestoken, zooals dezen hebben gedaan.

Dit beviel zoo aan Currado, dat al zijn toorn in goedmoedigheid en

lachen veranderde en hij sprak: Chichibio, je hebt gelijk; ik had dit

moeten doen. Zoo vermeed Chichibio met zijn vlug en aardig antwoord het

kwade gevolg en verzoende zich met zijn meester.

De Decamerone van Boccaccio · 第 62 / 116 题