Chichibio, kok van Currado Gianfigliazzi doet tot zijn redding met
een vlug antwoord den toorn van Currado in lachen overgaan en
ontsnapt aan het kwade lot, waarmee hij door Currado werd bedreigd.
Reeds zweeg Lauretta en werd Nonna ten hoogste door allen geprezen,
toen de koningin gelastte, dat Neifile zou volgen. Zij sprak: Verliefde
donna’s. Hoewel de zwakheid van geest dikwijls vlugge en nuttige en
schoone woorden ingeeft aan hen, die ze zeggen al naar de
omstandigheden, komt ook dikwijls de fortuin vreesachtige lieden te
hulp en legt er hun opeens op de tong, die nooit met kalm brein door
den spreker zouden kunnen gevonden worden, wat ik U door mijn novelle
wil aantoonen. Currado Gianfigliazzi, gelijk elk van U het heeft kunnen
hooren en zien, is altijd beschouwd geworden als een edel burger van
onze stad. Vrijgevig en prachtlievend leidt hij een leven van
baanderheer, liefhebbert voortdurend met honden en vogels om nu niet te
spreken van zijn ernstiger werken. Hij had eens op een dag met een van
zijn valken bij Peretola [122] een kraanvogel gedood en daar hij haar
vet en jong vond, liet hij dien naar zijn kok brengen, die Chichibio
heette, een Venetiaan, en gelastte hem dien te braden voor het
avondmaal en haar wel te verzorgen. Chichibio, die net zoo nieuwbakken
van hersens was als hij er uitzag, maakte den kraanvogel klaar, deed
hem op het vuur en begon hem met ijver te braden. Toen die zoo goed als
gaar was en er een sterke geur van af kwam, kwam er een vrouwtje van
het land, Brunetta genaamd, waarop Chichibio zeer verliefd was, in de
keuken en toen zij den reuk van den kraan gewaar werd en den vogel zag,
verzocht zij Chichibio dringend er haar de dij van te geven. Chichibio
antwoordde haar zingend: Gij zult haar niet van mij hebben, donna
Brunetta, gij zult haar niet van mij hebben. Hierover kwaad antwoordde
Brunetta: Bij het geloof in God, als gij mij haar niet geeft, zal je
van mij nooit meer iets hebben, wat je bevalt. En in korten tijd
wisselden zij vele woorden. Tenslotte gaf Chichibio, na een van de
dijen losgesneden te hebben, die aan de donna om haar niet boos te
maken. Toen de kraan daarna opgediend was voor Currado en een
vreemdeling, dien hij had uitgenoodigd, zonder die dij, en Currado
daarover verwonderd was, liet hij Chichibio roepen en vroeg hem wat
daarmee gebeurd was. De domme Venetiaan antwoordde dadelijk: Signor, de
kraanvogels hebben maar één dij en één poot. Currado antwoordde
woedend: Wat duivel hebben ze maar een dij en een poot? Heb ik dan geen
andere kranen dan die gezien? Chichibio ging voort: Het is, mijnheer,
zooals ik U zeg en als het U aanstaat, zal ik het U bij de levenden
laten zien. Currado ter wille van den vreemdeling, die bij hem was,
wilde er verder geen woorden over hebben, maar zeide: Daar gij mij zegt
dit te zullen aantoonen bij de levenden, iets wat ik nooit heb gezien
of hooren zeggen, wil ik dit morgenochtend zien en zal dan tevreden
zijn, maar ik zweer u bij het lichaam van Christus, dat, als het anders
zal wezen, ik u zal tracteeren op een manier, dat gij u tot uw schade
mijn naam zult herinneren, zoolang gij hier zult leven.
Het onderhoud hield dus voor dien avond op en den volgenden morgen,
zoodra het dag werd, stond Currado, die door den toorn niet had kunnen
slapen, nog geheel prikkelbaar op en beval, dat de paarden werden
voorgebracht en nadat hij Chichibio op een hengst had laten klimmen,
zeide hij, terwijl hij hem naar een rivier leidde, aan welker oever
altijd bij den dageraad kraanvogels te zien waren: Nu zullen we spoedig
zien, wie gisterenavond gelogen heeft, gij of ik. Chichibio, die zag,
dat de toorn van Currado nog voortduurde en dat hij zijn domheid
bekennen moest en niet wist, hoe hij het doen moest, reed in den
grootsten angst van de wereld naast Currado en had graag, als hij had
gekund, willen vluchten, maar daar dit onmogelijk was, keek hij dan
weer vooruit en dan weer achteruit en op zijde en al, wat hij zag,
waren, meende hij, kraanvogels, die op twee pooten stonden. Maar
ternauwernood waren zij bij de rivier gekomen of het eerste wat zij
zagen, waren een twaalftal kranen, die allen op een poot stonden,
gelijk zij gewoon zijn, als zij slapen. Daarom wees hij ze ijlings aan
Currado en zeide: Gij kunt duidelijk genoeg zien, messer, dat ik u
gisteravond de waarheid heb gezegd, dat de kraanvogels maar een dij en
een poot hebben, als gij ziet naar hen, die daar staan. Currado zeide
bij het zien van deze: Wacht maar, tot ik je zal toonen, dat ze er twee
hebben en ze wat meer naderend, schreeuwde hij: Ho, ho, door welken
kreet de kraanvogels de andere poot uitstaken en na eenige treden
begonnen te vluchten. Hierop zeide Currado tot Chichibio gekeerd: Hoe
lijkt het, je schelm? Schijnt het je nu, dat zij er twee op na houden?
Chichibio, geheel van streek, antwoordde, niet wetend, hoe het in hem
opkwam: Ja, messer, maar u hebt niet Ho, ho, geroepen tegen dien van
gisteravond, want als U daartegen zoo hadt geschreeuwd, had die ook de
andere dij en den anderen poot uitgestoken, zooals dezen hebben gedaan.
Dit beviel zoo aan Currado, dat al zijn toorn in goedmoedigheid en
lachen veranderde en hij sprak: Chichibio, je hebt gelijk; ik had dit
moeten doen. Zoo vermeed Chichibio met zijn vlug en aardig antwoord het
kwade gevolg en verzoende zich met zijn meester.