DERDE VERTELLING.

Monna Nonna de’Pulci maakt met een vlug antwoord aan de minder

eerlijke scherts van den bisschop van Florence een einde.

Toen Pampinea haar vertelling geëindigd had, en zoowel het antwoord als

de vrijgevigheid van Cisti door allen zeer waren geprezen, behaagde het

aan de koningin, dat Laurella daarna zou spreken, die vroolijk aldus

met verhalen begon: Bekoorlijke donna’s. Eerst heeft Pampinea en nu

Filomena inderdaad genoeg gesproken van ons gebrek aan geest en de

schoonheid van gevatte woorden, waartoe het dus niet noodig is terug te

keeren. Maar behalve dat, wat al van antwoorden gezegd is, is hun

hoedanigheid zoo, dat zij hen, die ze verstaat, niet meer moeten bijten

als schapen en niet als de hond, want wanneer het woord zóó sterk bijt,

dan is het geen scherts meer maar een beleediging. Dit deden heel goed

zoowel de woorden van mevrouw Oretta als het antwoord van Cisti. Het is

waar, dat, als men tot verweer spreekt en hij, die dan antwoordt, bijt

als een hond, diegene mij niet te laken schijnt, die het eerst door een

hond is gebeten, daar dit anders niet zou gebeurd wezen en men moet dus

er op letten, hoe, wanneer en met wien en ook waar men schertst. Omdat

een onzer prelaten daar geen acht op gaf, ontving hij geen minderen

beet, dan hij gaf, wat ik u in een klein verhaal wil aantoonen. Toen

messer Antonio d’Orso bisschop was van Florence, een waardig en wijs

prelaat, kwam daar een catalaansch edelman, messer Dego [118] della

Ratta, maarschalk van koning Ruberto [119]. Daar die edelman zeer

schoon van lichaam was en een zeer groot liefhebber van vrouwen,

bekoorde onder de andere florentijnsche donna’s hem er een, die zeer

schoon was en de nicht van een broeder des genoemden bisschops. Daar

hij had bemerkt, dat haar echtgenoot, van hoe goede familie ook, zeer

gierig was en slecht, kwam hij met hem overeen hem vijfhonderd

goudguldens te geven, als hij hem een nacht met zijn vrouw zou laten

slapen. Daarom liet hij zilveren popolijnen [120], die toen koers

hadden, vergulden en gaf hem die na met de vrouw te hebben geslapen,

hoewel het tegen haar zin was. Daar allen dit wisten, had de gemeene

kerel er schade bij en spot en de bisschop als wijs man deed of hij

niets er van wist.

Daar de bisschop en de maarschalk veel met elkaar omgingen, zagen zij

op Sint Johannes [121] naast elkaar rijdend de donna’s loopen langs den

weg, waar wedloopen werden gehouden, en bemerkte de bisschop een jong

meisje, dat de tegenwoordige pestziekte ons ontnomen heeft en dat monna

Nonna de’Pulci heette, een nicht van messer Messer Rinucci en dat gij

alle moet gekend hebben. Het was toen een frisch en een mooi meisje,

dat goed praatte en openhartig was van natuur.

Zij wachtte sinds een oogenblik haar man bij de poort van San Piero. De

bisschop toonde haar aan den maarschalk en toen hij bij haar was, legde

hij zijn hand op haar schouder en sprak: Nonna, hoe bevalt U deze man.

Gelooft gij hem te kunnen veroveren? Het scheen aan Nonna, dat die

woorden een weinig haar eer raakten en van dien aard waren, dat die

haar konden schandvlekken voor degenen,—en dat waren er vele—die ze

hoorden. Daarom niet bedoelend die besmetting af te wisschen maar stoot

om stoot te geven, antwoordde zij snel: Messire, misschien zou hij

overwinnen, maar ik zou dan geen valsch geld vragen. Toen de maarschalk

en de Bisschop zich gelijkelijk aangetast voelden, de een als dader van

een oneerlijke zaak jegens de nicht van des bisschops broeder en de

andere als degeen, die de beleediging trof, omdat het zijn nicht was,

gingen zij zonder elkaar aan te zien beschaamd en zwijgend weg en

spraken den heelen dag geen woord meer. Zoo was het dus de jonge vrouw,

die gebeten werd, niet verboden anderen met scherts terug te bijten.

De Decamerone van Boccaccio · 第 61 / 116 题