De bakker Cisti [113] doet met een woord messer Geri Spina inzien,
dat hij een onbescheiden vraag doet.
Het antwoord van madonna Oretta werd door elk der donna’s en der heeren
zeer geprezen, waarop de koningin beval, dat Pampinea zou volgen.
Daarom begon zij aldus: Schoone donna’s. Ik zou door mij zelf niet
kunnen beoordeelen wie meer zondigt of de natuur door een nobele ziel
aan een slecht lichaam te verbinden of de fortuin door een gewoon
beroep op te leggen aan een lichaam met een edelen geest begaafd als
bij onzen medeburger Cisti, wat wij ook nog bij velen hebben kunnen
zien. Dezen Cisti met een hooge ziel begiftigd, maakte de natuur
bakker. En zeker zou ik en de natuur en de fortuin gelijkelijk
verfoeien, indien ik niet wist, dat de natuur zeer voorzichtig is en de
fortuin duizend oogen heeft, hoewel de dwazen haar als blind
voorstellen. Ik geloof, dat zij als bedachtzame lieden, dikwijls doen,
onzeker zijn van de toekomst, de kostbaarste voorwerpen om ze in
veiligheid te stellen op de minste plaatsen in huis verbergen als de
minst verdachte plekken en ze er slechts bij hooge noodzakelijkheid uit
te voorschijn halen, daar de minste plaats juist zekerder dienst doet
dan de mooiste kamer het zou kunnen. En aldus verbergen dikwijls de
twee hoogste regeerders der wereld hun kostbaarste dingen in het
duister van de beroepen, die als de laagsten bekend staan, opdat, als
zij er die uit te voorschijn halen, hun glans des te klaarder
verschijnt. Het behaagt mij U een kleine historie te verhalen, hoe de
bakker Cisti, die de oogen des geestes terug gaf aan messer Geri Spina,
dit toonde, wat mij de geschiedenis in het geheugen riep van madonna
Oretta, die zijn vrouw was. Ik zeg dan, dat paus Bonifacius [114], bij
wien messer Geri Spina in groot aanzien stond, eenige van zijn
edellieden als ambassadeurs naar Florence had gezonden voor eenige
belangrijke zaken [115], die in het huis van messer Geri Spina waren
afgestegen, welke hen bij de zaken van den Paus hielp. Wat er ook de
reden van zij, elken morgen gingen messer Geri en de gezanten van den
Paus langs Santa Maria Ughi, waar de bakker Cisti zijn bakkerij had en
persoonlijk zijn beroep uitoefende. Hoewel de fortuin hem een zeer
nederig beroep had gegeven, was zij hem toch zoo welwillend geweest,
dat hij er rijk in was geworden en zonder dit beroep ooit voor een
ander te verlaten zeer ruim leefde, terwijl hij onder andere goede
dingen altijd de beste witte en roode wijnen had, die men in Florence
of buiten vond. Hij zag elken morgen messer Geri en de gezanten van den
Paus langs zijn deur gaan en daar het zeer warm was, meende hij, dat
het een groote beleefdheid was hun witten wijn te drinken te geven,
maar op zijn stand lettend en dien van messer Geri, scheen het hem niet
passend hem uit te noodigen, maar hij wilde een middel verzinnen, dat
messer Geri er toe zou voeren zich zelf uit te noodigen. Daar hij een
geheel wit vest aan had en een altijd gewasschen sloof, die hem eer het
uiterlijk gaven van een molenaar dan van een bakker, liet hij zich
elken morgen op het uur, dat messer Geri met de gezanten moest
voorbijgaan voor zijn deur een nieuwe kan vol frisch water brengen en
een kleine, nieuwe, bologneesche flesch met zijn goeden witten wijn en
twee bekers, die van zilver schenen, zoo blank waren die. Daarna ging
hij zitten en als ze voorbijgingen, na twee of drie keer te hebben
gespuwd begon hij zoo smakelijk dien wijn van hem te drinken, dat een
doode er trek in zou krijgen.
Toen messer Geri dat een of twee ochtenden gezien had, vroeg hij op den
derden: Wel, Cisti, is die goed! Cisti stond snel op en zeide: Zeker,
messere, maar ik kan het U niet doen begrijpen, als gij er niet van
proeft. Messer Geri, wien of de hitte van het weer of meer dan gewone
arbeid of misschien het smakelijk drinken, wat hij Cisti had zien doen,
dorst had gegeven, zeide glimlachend tot de gezanten gekeerd: Heeren,
het is goed, dat wij eens proeven van den wijn van dezen waarden man;
misschien is die zóó, dat wij er geen berouw van zullen hebben, en met
hen samen ging hij naar Cisti. Deze, die dadelijk een mooie bank uit
den winkel had laten halen, verzocht hen te gaan zitten en zeide tot de
knechts, die al vooruit kwamen om de glazen te vullen: Metgezellen, ga
achteruit en laat mij dien dienst verrichten, want ik kan niet minder
goed wijn mengen dan bakken. En wacht u er niet mee er een teug van te
proeven. Bij die woorden, na zelf vier schoone en nieuwe bekers
gespoeld te hebben, liet hij een kleine flesch van zijn wijn komen,
waarvan hij gedienstig messer Geri en zijn metgezellen te drinken gaf.
Het scheen hun de beste wijn, dien zij sinds lang gedronken hadden;
daarom na hem veel geprezen te hebben kwam messer Geri, zoolang de
gezanten daar bleven, elken morgen met hen drinken.
Toen hun zaken afgedaan waren en zij tot vertrek gereed waren, gaf
messer Geri een prachtig gastmaal, waaraan hij een groot deel van de
eerzaamste burgers uitnoodigde en ook Cisti, die er op geenerlei
voorwaarde wilde komen. Messer Geri beval daarop aan een van zijn
knechts aan Cisti een kleine flesch van diens wijn te gaan vragen en er
bij de eerste spijzen een halven beker per persoon van te schenken. De
knecht misschien zeer aanmatigend, omdat hij nooit van dien wijn had
kunnen drinken, nam een groote flesch, maar toen Cisti deze zag, zeide
hij: Mijn zoon, messer Geri heeft u niet tot mij gezonden. De knecht
beweerde herhaaldelijk het tegendeel, maar kreeg geen ander antwoord,
keerde naar messer Geri terug en vertelde hem dit. Hierop antwoordde
messer Geri: Ga terug en zeg hem, dat ik het deed en als hij u weer zoo
antwoordt, vraag hem dan naar wien ik u dan zend?
De knecht ging terug en zeide: Cisti, stellig zendt messer Geri mij
toch naar u. Cisti antwoordde: Mijn zoon, dat is bepaald niet waar. Aan
wien zendt hij mij dan? vroeg de knecht. Cisti hernam: Naar de Arno.
[116] De knecht berichtte dit aan messer Geri en dadelijk gingen zijn
geestesoogen hem open en sprak hij tot den knecht: Laat mij de flesch
zien, die gij medebrengt. Nadat hij die had gezien, zeide hij: Cisti
zegt de waarheid en na hem te hebben beschimpt liet hij hem een
passende flesch meenemen, Cisti zag de flesch opnieuw en zeide: Nu weet
ik zeker, dat hij u naar mij toezendt en hij vulde haar met genoegen.
Denzelfden dag liet hij een vat met dien wijn vullen en liet dit
zachtjes [117] naar het huis van messer Geri dragen, ging er vervolgens
zelf heen, vond hem en zeide: Messer, ik wilde niet, dat gij gelooven
zoudt, dat de groote flesch vanmorgen mij had verschrikt, maar daar het
mij scheen, dat gij vergeten waart, dat ik mij aan u dezer dagen
vertoond had met kleine flesschen, namelijk met wijn die niet voor de
bedienden is, heb ik u dit vanochtend willen herinneren. Daar ik er
niet langer op wil passen, heb ik u dien doen toekomen; doe er thans
mee wat gij wilt. Aan messer Geri was het geschenk van Cisti zeer
aangenaam en hij toonde hem zooveel dank als passend was en hield hem
daarna steeds in eere en tot vriend.