Een ridder vraagt aan madonna Oretta [112] met hem te paard te gaan
zitten en haar een verhaal te doen. Als hij echter slecht vertelt,
verzoekt zij hem haar weer te doen afstijgen.
Jonge dames. Evenals op de schoone avonden de sterren de sieraden des
hemels zijn en in de lente de bloemen van de groene weiden en de
struiken bedekt met hun loover de heuvels tooien, zoo zijn de geestige
woorden dit van de lofwaardige manieren en de schoone gesprekken. En
omdat zij kort moeten zijn, passen zij beter de donna’s dan de heeren
te meer, omdat het lange spreken meer aan de vrouwen dan aan de mannen
misstaat. Het is waar, dat, wat er ook de reden van zij, of door de
minderheid van onzen geest of door de zonderlinge vijandschap, die de
hemel aan onzen tijd toont, er thans weinig donna’s of geen zijn, die
er een kan zeggen op het juiste oogenblik of indien men er haar een
zegt, het weet te verstaan gelijk het behoort, wat in ’t algemeen ons
tot schande strekt. Maar daar er over dit onderwerp al genoeg beweerd
is door Pampinea, wil ik er niet meer van zeggen. Maar om U te doen
zien, hoeveel schoons zij in zich bevatten, als zij op het juiste
oogenblik verteld worden, behaagt het mij U te verhalen van de
hoffelijke manier, waarop een edelvrouw aan een ridder het stilzwijgen
wist op te leggen.
Gelijk velen van U het hebben kunnen zien of hooren, leefde er nog niet
lang geleden in onze stad een lieve, welopgevoede en welsprekende donna
en van een waardigheid, zoo dat ik haar naam niet verbergen wil—zij
heette dan madonna Oretta en was de vrouw van messer Ger Spina—welke
toevallig buiten was gelijk wij nu. Zij ging van de eene plaats naar de
andere om zich te ontspannen met donna’s en cavalieri, welke zij dien
dag allen ten middagmaal had gehad. Daar de weg was van daar, waar men
vertrok tot ginds, waar allen te voet wilden heengaan, zeide een der
ridders van het gezelschap: Madonna Oretta, wanneer gij wilt, zal ik U
te paard een groot deel van den weg nemen, dien wij zullen gaan en ik
zal U dan een der schoonste verhalen van de wereld doen. Hierop
antwoordde de donna: Messire, daarom bid ik U ten zeerste en het zal
mij zeer aangenaam zijn.
Messire de ridder, wien misschien de degen beter aan de zijde stond dan
het verhalen met den mond, hoorde dit en begon een novelle, die hij
zelf voor zeer schoon hield, maar daar hij drie of vier keer dezelfde
woorden herhaalde en dan op hetzelfde terugkwam en telkens zei: Ik heb
het niet goed gezegd, en vaak de namen verwarde en den een met den
ander verwisselde, bedierf hij die op barbaarsche wijze zonder er van
te spreken, dat hij zeer slecht de hoedanigheid der personen en de
gebaren, die zij maakten, weergaf. Hiervan brak madonna Oretta
herhaaldelijk, terwijl zij hem hoorde, het zweet uit en werd ze wee om
het hart, alsof zij ziek was en flauw dreigde te vallen. Toen zij het
eindelijk niet langer kon uithouden, en begreep, dat de edelman in de
war was en er niets meer van terecht zou brengen, zeide zij schertsend:
Messer, Uw paard heeft een te harden loop, daarom bid ik U mij te laten
afstijgen. De ridder, die eigenlijk beter toehoorder dan verteller was,
begreep dit woord en nam dit in scherts als aardigheid op en begon over
andere dingen te spreken, terwijl hij zonder die af te maken, de
begonnen en slecht voortgezette vertelling staakte.