ZESDE DAG.

De vijfde dag van de Decamerone eindigt, de zesde vangt aan. Onder

het bewind van Elisa spreekt men van dengene, die, aangespoord door

een of andere aardige zet zich verweert, of met een snel antwoord

of doorzicht zich behoedt voor schade, gevaar of schande.

De maan in het midden des hemels geklommen, had zijn stralen verloren

en reeds onder het nieuwe, wassende licht, was elk deel der aarde

verhelderd, toen de koningin opgestaan haar gezelschap liet wekken en

zij zich met langzame schreden verwijderden van den schoonen heuvel,

zich over het gras verspreidden, over verschillende dingen spraken, van

gedachten wisselden over de meerdere of mindere schoonheid van

verhaalde novellen en nog over de verscheidene daarin voorkomende

gevallen weer lachten, tot het aan allen tijd scheen, toen de zon

warmer begon te worden, naar huis terug te gaan. Daarom keerden zij hun

schreden daarheen, vanwaar ze gekomen waren. En ginds, waar de tafels

al gedekt stonden en alles met geurige kruiden en met schoone bloemen

bezaaid was, begonnen zij, voor het warmer werd, op verzoek der

koningin te eten. Toen zij verzadigd waren, zongen zij, voor zij iets

anders deden, eenige schoone en aardige liederen; deze ging slapen,

gene schaakspelen en een ander hervatte dit. En Dioneo met Lauretta

begonnen samen Troïlus en Crescida [109] te zingen. En reeds was het

uur om consistorium [110] te houden weergekeerd, toen de koningin alle

als gewoonlijk had laten roepen en zij rondom de fontein gingen zitten.

Reeds wilde zij bevel geven de eerste geschiedenis te verhalen, toen er

iets gebeurde, wat nog nooit was geschied, namelijk dat er door de

koningin en allen een groot rumoer werd gehoord, dat de meiden en

knechts in de keuken maakten. Men liet daarom den hofmeester komen en

vroeg hem, wat de oorzaak was van het geschreeuw en het tumult en hij

antwoordde, dat het leven gaande was tusschen Licisca en Tindaro. Maar

de reden wist hij niet, hoewel hij er toch heen wou gaan om ze te doen

zwijgen, wanneer hij van hunnentwege daartoe bevel kreeg. De koningin

gelastte hem Licisca en Tindaro dadelijk te laten komen; nadat dit

geschied was, vroeg zij hun, wat de oorzaak van het tumult was. Tindaro

wilde er op antwoorden, toen Licisca, die een vrouw van een zekeren

leeftijd was en trotscher dan eenige andere en verhit door haar

geschreeuw, met een kwaad gezicht naar hem gekeerd, zeide: Kijk, die

ezel van een vent, die den moed heeft, wanneer ik er bij ben, vóór mij

te spreken! Laat mij aan het woord. En tot de koningin gewend, ging zij

voort: Madonna, die wil mij de vrouw van Sycophante leeren kennen. Die

wil mij, alsof ik haar nooit bezocht had, wijs maken, dat in de eerste

huwelijksnacht, toen Sycophante met haar sliep, Messire Mazza met

geweld en bloedverlies in den Zwarten Berg kwam. [111] En ik zeg, dat

het niet waar, is maar dat het integendeel vreedzaam ging en tot groot

genoegen van beide. En hij is wel zoo stom, dat hij maar al te goed

gelooft, dat de jonge meisjes gek genoeg zijn om hun tijd te verliezen

en berusten voor hun vader en broeders, die hun zes van de zeven keer

drie of vier jaar langer laten wachten dan ze moesten om ze uit te

huwen. Ze zouden het goed maken, broederlief, als ze zoo lang wachtten.

Bij het geloof in Christus—en ik moet toch weten wat ik zeg, als ik

zweer—ik heb geen buurvrouw, die als maagd naar haar man is gegaan en

ook van de getrouwde vrouwen weet ik, hoe en wat voor poetsen ze hun

mannen bakken. En die ezel wil mij de vrouwen doen kennen of ik van

gisteren ben. Terwijl Licisca sprak, moesten de donna’s zoo lachen, dat

men ze al hun tanden had kunnen trekken.

De koningin had haar wel zes maal het zwijgen opgelegd, maar het hielp

niets, zij hield maar niet op voor ze gezegd had, wat haar uit den mond

viel. Toen zij klaar was, zeide de koningin lachend tot Dioneo: Dioneo,

dat is iets voor U. En daarom, als wij onze verhalen verteld hebben,

zult gij zorgen, dat gij hierover het eindoordeel uitspreekt Hierop

antwoordde Dioneo haastig: Madonna, het oordeel is uitgesproken zonder

dat er meer voor noodig is om te hooren en ik zeg, dat Licisca gelijk

heeft en geloof, dat het is zooals zij zegt en Tindaro is een ezel.

Toen Licisca dit hoorde, begon zij te lachen en tot Tindaro gewend,

zeide zij: Dat heb ik je wel gezegd. Ga weg met Gods genade; geloof jij

er soms meer van te weten dan ik, jij, die als de zuigelingen je oogen

nog niet open hebt gedaan. Ik heb, Goddank, niet voor niets geleefd.

Als de koningin haar niet met een kwaad gezicht het zwijgen had

opgelegd, en haar niet bevolen had er geen woord meer aan toe te voegen

noch ruzie te maken, als ze geen slaag wou hebben en met Tindaro

weggejaagd worden, had men den heelen dag wel met haar aan den gang

kunnen blijven. Toen zij heengegaan waren, beval de koningin aan

Filomena, dat zij met de verhalen aanving. Zij begon blijmoedig aldus:

De Decamerone van Boccaccio · 第 58 / 116 题