Nastagio deglie Onesti, die een donna uit de familie Traversari
bemint, verkwist zijn rijkdommen zonder wederliefde te vinden. Op
verzoek der zijnen gaat hij naar Chiassi. Daar ziet hij een ridder
een vrouw najagen en haar dooden en door twee honden verscheuren.
Hij noodigt zijn familie en de donna door hem bemind tot een
ontbijt en deze ziet diezelfde jonge vrouw in stukken rijten. Uit
vrees voor een dergelijke behandeling stemt zij toe Nastagio [104]
tot man te nemen.
Toen Lauretta zweeg, begon Filomena op bevel der koningin aldus:
Beminnelijke donna’s. Indien het medelijden een deugd is, die in ons
wordt geprezen, zoo wordt ook de wreedheid, waaraan gij U schuldig
maakt door de goddelijke gerechtigheid uit U te verjagen, gewroken en
om u dit aan te toonen heb ik zin U een verhaal te doen niet minder
roerend dan aangenaam.
Er was vroeger in Ravenna, een zeer oude stad van Romagna een groot
aantal edele ridders, onder welken een jonkman Nastagio degli Onesti,
dien de dood van zijn vader en van een zijner ooms onschatbaar rijk had
achtergelaten. Deze, gelijk het met jongelieden gebeurt, omdat hij
zonder vrouw was, werd verliefd op de dochter van messer Paolo
Traversaro [105], een meisje van veel hooger adel dan hij en hij hoopte
door zijn pogingen haar op hem verliefd te maken. Maar dezen, hoe
grootsch, schoon en lofwaardig ze ook waren, deden haar niet alleen
geen genoegen, maar schenen haar zelfs te vervelen, zoo wreed, hard en
ruw toonde zich het beminde meisje, misschien door haar bijzondere
schoonheid of door haar zoo hoogen adel zoo trotsch en aanmatigend
geworden, dat noch hij, noch iets van hem haar kon behagen. Dat was
voor Nastagio zoo zwaar te dragen, dat hij van verdriet meermalen na
zich beklaagd te hebben, van plan was haar te vermoorden. Daarna zich
bedwingend, nam hij zich vaak voor haar geheel te laten varen, of,
indien hij kon, haar te laten gelijk zij hem. Maar vergeefs nam hij
zulk een besluit, omdat, hoe meer hem de hoop ontbrak, des te meer
groeide zijn liefde aan. Daar hij volhield het meisje lief te hebben en
doorging met bovenmatig geld verteren, scheen het aan sommigen van zijn
vrienden en verwanten, dat hij beide: zich zelf en het zijne te
verteren scheen. Daarom verzochten en raadden zij hem meermalen uit
Ravenna te vertrekken en eenigen tijd in een andere plaats te
vertoeven; dan zou daardoor de liefde en de verkwisting ophouden.
Nastagio spotte meermalen met dien raad, maar toch door hen
aangespoord, kon hij niet langer weigeren en stemde toe. Hij liet een
groote uitrusting gereed maken, alsof hij naar Frankrijk of Spanje of
naar een andere vergelegen streek wilde gaan, steeg te paard en
vergezeld van vele vrienden ging hij uit Ravenna weg en begaf zich naar
een plaats op drie mijlen misschien vandaar, Chiassi [106] genaamd en
daar—nadat hij paviljoenen en tenten had laten opslaan—zeide hij tot
hen, die hem vergezeld hadden, dat hij daar wilde blijven en dat zij
naar Ravenna zouden terugkeeren. Terwijl Nastagio daar halt maakte,
begon hij het mooiste, het schitterendste leven te leiden, dat ooit
geleefd was en noodigde dan dezen dan genen tot een avond- of
middagmaal uit, gelijk hij gewoon was. Daar het begin van Mei was en
zeer mooi weer en hij over de wreede donna nadacht, verzocht hij aan
zijn heele personeel hem alleen te laten om weer naar zijn welgevallen
aan haar te kunnen denken en ging voet voor voet zich zelf verstrooiend
door te peinzen tot in een pijnbosch. Daar het vijfde uur van den dag
haast voorbij was en hij bijna een halve mijl er in was gegaan en er
niet aan dacht te eten of aan iets anders, scheen hij opeens een zeer
groote klacht te hooren en schrille kreten, geuit door een donna.
Daarom brak hij zijn zoete gedachten af en hief het hoofd op om te zien
wat er gaande was en verwonderde zich er over, dat hij zich in het
pijnhout bevond. Daarna voor zich uitziende, zag hij uit een zeer dicht
bosch van boompjes en doornstruiken naar de plaats, waar hij was, een
zeer schoon jong meisje loopen, naakt, met loshangende haren en geheel
verscheurd door de distels en de doornstruiken, die weende en luid om
genade riep. En behalve dat zag hij aan haar zijden twee zeer groote en
wreede waakhonden, die haar dicht op de hielen wreed, waar zij haar
maar krijgen konden, beten en achter haar zag hij op een zwart
strijdros een bruinen ridder met een zeer verwoed gezicht en een degen
in de hand, die haar met vreeselijke en beleedigende woorden met den
dood bedreigde. Dit verbaasde en ontstelde hem tegelijkertijd en wekte
ten slotte zijn medelijden op met de ongelukkige donna, waaruit de
begeerte ontstond haar, als hij kon, van dien angst en van zulk een
dood te bevrijden. Maar hij was ongewapend en na zijn toevlucht te
hebben genomen tot een boomtak bij wijze van stok, ging hij de honden
en den ridder tegemoet. Maar de ridder, die dit zag, schreeuwde hem van
verre toe: Nastagio, meng U er niet in, laat de honden en mij dat doen,
wat die slechte vrouw heeft verdiend. En bij die woorden grepen de
honden het meisje met kracht in de zijden, deden haar stand houden en
de ridder, die volgde, steeg van zijn paard.
Hierop zeide Nastagio, die nader kwam: Ik weet niet, wie gij zijt, dat
gij mij zoo kent maar ik zeg U, dat het een groote lafheid is van een
gewapend ridder een naakte vrouw te willen vermoorden en haar de honden
na te sturen of zij een wild dier is. Ik wil haar zeker zoo goed
verdedigen als ik kan. Toen zeide de ridder: Nastagio, ik was van
denzelfden staat als gij en gij waart nog een klein kind, toen ik, die
messer Guido degli Anastagi genoemd werd, veel meer verliefd op die
vrouw werd dan gij het nu zijt op die der Traversari en haar hardheid
en wreedheid maakten mij zoo ongelukkig, dat ik eens met dienzelfden
degen, welke gij in mijn hand ziet als wanhopig mij doodde en ik ben
tot de eeuwige straffen veroordeeld. Maar het duurde niet lang, dat
zij, die over mijn dood zeer verheugd was, stierf en wegens de zonde
van haar wreedheid en de vreugde over mijn martelingen had zij geen
berouw, daar zij geloofde hierdoor niet te zondigen maar zich
verdienstelijk te hebben gemaakt en daarom werd en is ook zij tot de
straffen der hel veroordeeld. Zoodra zij er in afdaalde, werd dit aan
haar en mij als straf gegeven: aan haar voor mij uit te vluchten en aan
mij, die haar zoozeer beminde, haar te volgen als een doodvijand niet
als een beminde donna en zoo vaak ik haar achterhaal, dood ik haar met
den degen, waarmee ik mij zelf doodde en open haar de borst en dat
harde en koude hart, waarin nooit liefde of medelijden konden
binnentreden, ruk ik haar, gelijk gij dadelijk zult zien, uit het
lichaam en geef het te eten aan de honden. Maar het duurt niet lang of
gelijk de gerechtigheid en de macht van God het wil, staat zij, alsof
zij niet gestorven was, weer op en opnieuw begint de treurige vlucht en
volgen de honden en ik haar. En elken Vrijdag op dit uur bereik ik haar
en volvoer ik die marteling, welke gij zien zult. En geloof niet, dat
wij op andere dagen uitrusten, maar dan haal ik haar op andere plaatsen
in, waar zij jegens mij wreed dacht of handelde en daar ik van minnaar
vijand geworden ben gelijk gij ziet, moet ik aldus haar zooveel jaren
volgen, als zij maanden wreed jegens mij geweest is. Laat dus de
goddelijke gerechtigheid haar gang gaan en verzet U niet tegen datgene,
waaraan gij geen weerstand zult kunnen bieden.
Toen Nastagio die woorden hoorde, werd hij geheel verlegen en had haast
geen haar op het lichaam, dat niet overeind stond, ging achteruit en
naar het meisje ziende, begon hij beangst af te wachten wat de ridder
zou doen. Toen deze met spreken ophield, liep hij als een dolle hond
met den degen in de hand naar het meisje, dat geknield en stevig
vastgehouden door de honden hem om genade smeekte. Hij stak dien met al
zijn kracht door het midden van de borst, die hij geheel doorboorde.
Nauwelijks had het jonge meisje den stoot ontvangen, of zij viel
voorover op de aarde en klaagde en gilde voortdurend en de ridder, die
een mes nam, opende haar de ribben en trok er het hart uit en al wat er
om was en wierp het den honden voor, die als uitgehongerd het dadelijk
opaten. Het duurde slechts een oogenblik of het meisje, alsof er niets
gebeurd was, stond weer dadelijk op en begon te vluchten naar de zee,
terwijl de honden achter haar steeds haar beten en de ridder, op zijn
paard gestegen, nam den degen weer ter hand, begon haar te volgen en in
korten tijd waren zij zoo ver weg, dat Nastagio ze niet meer kon zien.
Na dit bijgewoond te hebben stond hij langen tijd medelijdend en
beangst en het kwam hem voor, dat dit veel voor hem waard kon zijn,
omdat het tooneel er zich elken Vrijdag herhaalde. Daarom na wel de
plaats te hebben opgemerkt, ging hij naar zijn bedienden terug en
vervolgens, toen het hem goed dacht, zeide hij tot zijn verwanten en
vrienden, die hij had ontboden: Gij hebt mij lang aangespoord mijn
vijandin niet meer te beminnen en een eind te maken aan mijn
verkwisting en ik ben bereid dit te doen, wanneer gij mij één gunst
toestaat namelijk deze, dat gij aanstaanden Vrijdag het zoo regelt, dat
messer Paolo Traversaro, zijn vrouw, zijn dochter, al de hun verwante
vrouwen en alle andere donna’s, die gij verkiest, bij mij zullen komen
middagmalen. Wat ik hiermee wil, zult gij dan zien. Het scheen hun een
licht werk om dit te doen en te Ravenna terug gekeerd noodigden zij,
toen het tijd was, hen uit, die Nastagio wenschte en hoewel het moeite
kostte het meisje er heen te krijgen door hem bemind, ging dit er toch
met de anderen samen heen. Nastagio liet een prachtig maal gereed maken
en liet de tafels onder de pijnboomen zetten vlak bij de plek, waar hij
het verscheuren van de wreede donna had gezien en nadat hij de heeren
en dames aan tafel had laten gaan, had hij dit zoo geregeld, dat het
beminde meisje juist door hem geplaatst werd tegenover de plek, waar
het feit weer moest geschieden. Toen het laatste gerecht was
opgedragen, begonnen allen de wanhoopskreten van de opgejaagde donna te
hooren. Iedereen was daarover zeer verwonderd en vroeg, wat dat dat was
en daar niemand het wist te zeggen, stonden zij allen recht overeind en
kijkend, wat dat kon wezen, zagen zij het klagende meisje en den ridder
en de honden, en het duurde maar een oogenblik, of zij waren bij hen.
Het rumoer werd groot, zoowel van de honden als van den ridder en
velen, om het meisje te helpen, liepen er op af. Maar de ridder sprak
hen toe gelijk hij het Nastagio had gedaan en deed ze niet alleen terug
deinzen, maar verschrikte ze allen en vervulde ze met verwondering. Hij
deed, wat hij vroeger had gedaan en zooveel donna’s, als er waren (want
er waren er genoeg, die verwant geweest waren of met het klagende
meisje of met den ridder en die zich zoowel zijn liefde als zijn dood
herinnerden) begonnen allen jammerlijk te schreien, alsof zij het zich
zelf zagen doen. [107] Toen dit gebeurd was en de donna en de ridder
waren verdwenen, begonnen zij, die dit gezien hadden, daarover vele en
verschillende gesprekken, maar onder degenen, die het meest verschrikt
waren, bevond zich de wreede, jonge dame door Nastagio bemind, welke
alles duidelijk had gezien en gehoord en in zich zelf begrepen had meer
dan iemand anders op wie die dingen sloegen, terwijl zij zich de
wreedheid herinnerde, door haar steeds tegen Nastagio volgehouden.
Daarom scheen het haar, of zij al voor hem, die vol toorn was, vluchtte
en of zij de honden aan haar zijden voelde. En zoo groot was de vrees,
die daaruit bij haar ontstond, dat het haar niet zou overkomen, dat zij
den tijd niet afwachtte (welke haar dienzelfden avond gegeven was) om
met haat in liefde veranderd, een kamenier aan haar getrouw naar
Nastagio te sturen, die hem van haar kant verzocht, of hij bij haar wou
komen. Want zij was bereid alles te doen, wat hij begeerde. Hierop liet
Nastagio antwoorden, dat hem dit zeer aangenaam was, maar dat, als het
haar zou behagen, hij haar genoegen slechts met eer wenschte en dat was
om haar te trouwen. Het meisje, dat wist, dat het slechts haar schuld
was, als zij niet de vrouw van Nastagio werd, liet hem antwoorden, dat
het haar aanstond. Daarom maakte zij zich zelf tot bode van dit alles
en zeide tot haar vader en moeder, dat zij er tevreden mee was de vrouw
van Nastagio te worden. Dezen waren daarover zeer verheugd en den
volgenden Zondag huwde Nastagio haar en vierde bruiloft en leefde lang
gelukkig met haar. En die angst was niet alleen de oorzaak van dit
geluk, maar alle Ravenneesche donna’s werden er bang van, zoodat zij
sedert veel inschikkelijker werden voor de genoegens der mannen dan zij
eerst geweest waren.