ACHTSTE VERTELLING.

Nastagio deglie Onesti, die een donna uit de familie Traversari

bemint, verkwist zijn rijkdommen zonder wederliefde te vinden. Op

verzoek der zijnen gaat hij naar Chiassi. Daar ziet hij een ridder

een vrouw najagen en haar dooden en door twee honden verscheuren.

Hij noodigt zijn familie en de donna door hem bemind tot een

ontbijt en deze ziet diezelfde jonge vrouw in stukken rijten. Uit

vrees voor een dergelijke behandeling stemt zij toe Nastagio [104]

tot man te nemen.

Toen Lauretta zweeg, begon Filomena op bevel der koningin aldus:

Beminnelijke donna’s. Indien het medelijden een deugd is, die in ons

wordt geprezen, zoo wordt ook de wreedheid, waaraan gij U schuldig

maakt door de goddelijke gerechtigheid uit U te verjagen, gewroken en

om u dit aan te toonen heb ik zin U een verhaal te doen niet minder

roerend dan aangenaam.

Er was vroeger in Ravenna, een zeer oude stad van Romagna een groot

aantal edele ridders, onder welken een jonkman Nastagio degli Onesti,

dien de dood van zijn vader en van een zijner ooms onschatbaar rijk had

achtergelaten. Deze, gelijk het met jongelieden gebeurt, omdat hij

zonder vrouw was, werd verliefd op de dochter van messer Paolo

Traversaro [105], een meisje van veel hooger adel dan hij en hij hoopte

door zijn pogingen haar op hem verliefd te maken. Maar dezen, hoe

grootsch, schoon en lofwaardig ze ook waren, deden haar niet alleen

geen genoegen, maar schenen haar zelfs te vervelen, zoo wreed, hard en

ruw toonde zich het beminde meisje, misschien door haar bijzondere

schoonheid of door haar zoo hoogen adel zoo trotsch en aanmatigend

geworden, dat noch hij, noch iets van hem haar kon behagen. Dat was

voor Nastagio zoo zwaar te dragen, dat hij van verdriet meermalen na

zich beklaagd te hebben, van plan was haar te vermoorden. Daarna zich

bedwingend, nam hij zich vaak voor haar geheel te laten varen, of,

indien hij kon, haar te laten gelijk zij hem. Maar vergeefs nam hij

zulk een besluit, omdat, hoe meer hem de hoop ontbrak, des te meer

groeide zijn liefde aan. Daar hij volhield het meisje lief te hebben en

doorging met bovenmatig geld verteren, scheen het aan sommigen van zijn

vrienden en verwanten, dat hij beide: zich zelf en het zijne te

verteren scheen. Daarom verzochten en raadden zij hem meermalen uit

Ravenna te vertrekken en eenigen tijd in een andere plaats te

vertoeven; dan zou daardoor de liefde en de verkwisting ophouden.

Nastagio spotte meermalen met dien raad, maar toch door hen

aangespoord, kon hij niet langer weigeren en stemde toe. Hij liet een

groote uitrusting gereed maken, alsof hij naar Frankrijk of Spanje of

naar een andere vergelegen streek wilde gaan, steeg te paard en

vergezeld van vele vrienden ging hij uit Ravenna weg en begaf zich naar

een plaats op drie mijlen misschien vandaar, Chiassi [106] genaamd en

daar—nadat hij paviljoenen en tenten had laten opslaan—zeide hij tot

hen, die hem vergezeld hadden, dat hij daar wilde blijven en dat zij

naar Ravenna zouden terugkeeren. Terwijl Nastagio daar halt maakte,

begon hij het mooiste, het schitterendste leven te leiden, dat ooit

geleefd was en noodigde dan dezen dan genen tot een avond- of

middagmaal uit, gelijk hij gewoon was. Daar het begin van Mei was en

zeer mooi weer en hij over de wreede donna nadacht, verzocht hij aan

zijn heele personeel hem alleen te laten om weer naar zijn welgevallen

aan haar te kunnen denken en ging voet voor voet zich zelf verstrooiend

door te peinzen tot in een pijnbosch. Daar het vijfde uur van den dag

haast voorbij was en hij bijna een halve mijl er in was gegaan en er

niet aan dacht te eten of aan iets anders, scheen hij opeens een zeer

groote klacht te hooren en schrille kreten, geuit door een donna.

Daarom brak hij zijn zoete gedachten af en hief het hoofd op om te zien

wat er gaande was en verwonderde zich er over, dat hij zich in het

pijnhout bevond. Daarna voor zich uitziende, zag hij uit een zeer dicht

bosch van boompjes en doornstruiken naar de plaats, waar hij was, een

zeer schoon jong meisje loopen, naakt, met loshangende haren en geheel

verscheurd door de distels en de doornstruiken, die weende en luid om

genade riep. En behalve dat zag hij aan haar zijden twee zeer groote en

wreede waakhonden, die haar dicht op de hielen wreed, waar zij haar

maar krijgen konden, beten en achter haar zag hij op een zwart

strijdros een bruinen ridder met een zeer verwoed gezicht en een degen

in de hand, die haar met vreeselijke en beleedigende woorden met den

dood bedreigde. Dit verbaasde en ontstelde hem tegelijkertijd en wekte

ten slotte zijn medelijden op met de ongelukkige donna, waaruit de

begeerte ontstond haar, als hij kon, van dien angst en van zulk een

dood te bevrijden. Maar hij was ongewapend en na zijn toevlucht te

hebben genomen tot een boomtak bij wijze van stok, ging hij de honden

en den ridder tegemoet. Maar de ridder, die dit zag, schreeuwde hem van

verre toe: Nastagio, meng U er niet in, laat de honden en mij dat doen,

wat die slechte vrouw heeft verdiend. En bij die woorden grepen de

honden het meisje met kracht in de zijden, deden haar stand houden en

de ridder, die volgde, steeg van zijn paard.

Hierop zeide Nastagio, die nader kwam: Ik weet niet, wie gij zijt, dat

gij mij zoo kent maar ik zeg U, dat het een groote lafheid is van een

gewapend ridder een naakte vrouw te willen vermoorden en haar de honden

na te sturen of zij een wild dier is. Ik wil haar zeker zoo goed

verdedigen als ik kan. Toen zeide de ridder: Nastagio, ik was van

denzelfden staat als gij en gij waart nog een klein kind, toen ik, die

messer Guido degli Anastagi genoemd werd, veel meer verliefd op die

vrouw werd dan gij het nu zijt op die der Traversari en haar hardheid

en wreedheid maakten mij zoo ongelukkig, dat ik eens met dienzelfden

degen, welke gij in mijn hand ziet als wanhopig mij doodde en ik ben

tot de eeuwige straffen veroordeeld. Maar het duurde niet lang, dat

zij, die over mijn dood zeer verheugd was, stierf en wegens de zonde

van haar wreedheid en de vreugde over mijn martelingen had zij geen

berouw, daar zij geloofde hierdoor niet te zondigen maar zich

verdienstelijk te hebben gemaakt en daarom werd en is ook zij tot de

straffen der hel veroordeeld. Zoodra zij er in afdaalde, werd dit aan

haar en mij als straf gegeven: aan haar voor mij uit te vluchten en aan

mij, die haar zoozeer beminde, haar te volgen als een doodvijand niet

als een beminde donna en zoo vaak ik haar achterhaal, dood ik haar met

den degen, waarmee ik mij zelf doodde en open haar de borst en dat

harde en koude hart, waarin nooit liefde of medelijden konden

binnentreden, ruk ik haar, gelijk gij dadelijk zult zien, uit het

lichaam en geef het te eten aan de honden. Maar het duurt niet lang of

gelijk de gerechtigheid en de macht van God het wil, staat zij, alsof

zij niet gestorven was, weer op en opnieuw begint de treurige vlucht en

volgen de honden en ik haar. En elken Vrijdag op dit uur bereik ik haar

en volvoer ik die marteling, welke gij zien zult. En geloof niet, dat

wij op andere dagen uitrusten, maar dan haal ik haar op andere plaatsen

in, waar zij jegens mij wreed dacht of handelde en daar ik van minnaar

vijand geworden ben gelijk gij ziet, moet ik aldus haar zooveel jaren

volgen, als zij maanden wreed jegens mij geweest is. Laat dus de

goddelijke gerechtigheid haar gang gaan en verzet U niet tegen datgene,

waaraan gij geen weerstand zult kunnen bieden.

Toen Nastagio die woorden hoorde, werd hij geheel verlegen en had haast

geen haar op het lichaam, dat niet overeind stond, ging achteruit en

naar het meisje ziende, begon hij beangst af te wachten wat de ridder

zou doen. Toen deze met spreken ophield, liep hij als een dolle hond

met den degen in de hand naar het meisje, dat geknield en stevig

vastgehouden door de honden hem om genade smeekte. Hij stak dien met al

zijn kracht door het midden van de borst, die hij geheel doorboorde.

Nauwelijks had het jonge meisje den stoot ontvangen, of zij viel

voorover op de aarde en klaagde en gilde voortdurend en de ridder, die

een mes nam, opende haar de ribben en trok er het hart uit en al wat er

om was en wierp het den honden voor, die als uitgehongerd het dadelijk

opaten. Het duurde slechts een oogenblik of het meisje, alsof er niets

gebeurd was, stond weer dadelijk op en begon te vluchten naar de zee,

terwijl de honden achter haar steeds haar beten en de ridder, op zijn

paard gestegen, nam den degen weer ter hand, begon haar te volgen en in

korten tijd waren zij zoo ver weg, dat Nastagio ze niet meer kon zien.

Na dit bijgewoond te hebben stond hij langen tijd medelijdend en

beangst en het kwam hem voor, dat dit veel voor hem waard kon zijn,

omdat het tooneel er zich elken Vrijdag herhaalde. Daarom na wel de

plaats te hebben opgemerkt, ging hij naar zijn bedienden terug en

vervolgens, toen het hem goed dacht, zeide hij tot zijn verwanten en

vrienden, die hij had ontboden: Gij hebt mij lang aangespoord mijn

vijandin niet meer te beminnen en een eind te maken aan mijn

verkwisting en ik ben bereid dit te doen, wanneer gij mij één gunst

toestaat namelijk deze, dat gij aanstaanden Vrijdag het zoo regelt, dat

messer Paolo Traversaro, zijn vrouw, zijn dochter, al de hun verwante

vrouwen en alle andere donna’s, die gij verkiest, bij mij zullen komen

middagmalen. Wat ik hiermee wil, zult gij dan zien. Het scheen hun een

licht werk om dit te doen en te Ravenna terug gekeerd noodigden zij,

toen het tijd was, hen uit, die Nastagio wenschte en hoewel het moeite

kostte het meisje er heen te krijgen door hem bemind, ging dit er toch

met de anderen samen heen. Nastagio liet een prachtig maal gereed maken

en liet de tafels onder de pijnboomen zetten vlak bij de plek, waar hij

het verscheuren van de wreede donna had gezien en nadat hij de heeren

en dames aan tafel had laten gaan, had hij dit zoo geregeld, dat het

beminde meisje juist door hem geplaatst werd tegenover de plek, waar

het feit weer moest geschieden. Toen het laatste gerecht was

opgedragen, begonnen allen de wanhoopskreten van de opgejaagde donna te

hooren. Iedereen was daarover zeer verwonderd en vroeg, wat dat dat was

en daar niemand het wist te zeggen, stonden zij allen recht overeind en

kijkend, wat dat kon wezen, zagen zij het klagende meisje en den ridder

en de honden, en het duurde maar een oogenblik, of zij waren bij hen.

Het rumoer werd groot, zoowel van de honden als van den ridder en

velen, om het meisje te helpen, liepen er op af. Maar de ridder sprak

hen toe gelijk hij het Nastagio had gedaan en deed ze niet alleen terug

deinzen, maar verschrikte ze allen en vervulde ze met verwondering. Hij

deed, wat hij vroeger had gedaan en zooveel donna’s, als er waren (want

er waren er genoeg, die verwant geweest waren of met het klagende

meisje of met den ridder en die zich zoowel zijn liefde als zijn dood

herinnerden) begonnen allen jammerlijk te schreien, alsof zij het zich

zelf zagen doen. [107] Toen dit gebeurd was en de donna en de ridder

waren verdwenen, begonnen zij, die dit gezien hadden, daarover vele en

verschillende gesprekken, maar onder degenen, die het meest verschrikt

waren, bevond zich de wreede, jonge dame door Nastagio bemind, welke

alles duidelijk had gezien en gehoord en in zich zelf begrepen had meer

dan iemand anders op wie die dingen sloegen, terwijl zij zich de

wreedheid herinnerde, door haar steeds tegen Nastagio volgehouden.

Daarom scheen het haar, of zij al voor hem, die vol toorn was, vluchtte

en of zij de honden aan haar zijden voelde. En zoo groot was de vrees,

die daaruit bij haar ontstond, dat het haar niet zou overkomen, dat zij

den tijd niet afwachtte (welke haar dienzelfden avond gegeven was) om

met haat in liefde veranderd, een kamenier aan haar getrouw naar

Nastagio te sturen, die hem van haar kant verzocht, of hij bij haar wou

komen. Want zij was bereid alles te doen, wat hij begeerde. Hierop liet

Nastagio antwoorden, dat hem dit zeer aangenaam was, maar dat, als het

haar zou behagen, hij haar genoegen slechts met eer wenschte en dat was

om haar te trouwen. Het meisje, dat wist, dat het slechts haar schuld

was, als zij niet de vrouw van Nastagio werd, liet hem antwoorden, dat

het haar aanstond. Daarom maakte zij zich zelf tot bode van dit alles

en zeide tot haar vader en moeder, dat zij er tevreden mee was de vrouw

van Nastagio te worden. Dezen waren daarover zeer verheugd en den

volgenden Zondag huwde Nastagio haar en vierde bruiloft en leefde lang

gelukkig met haar. En die angst was niet alleen de oorzaak van dit

geluk, maar alle Ravenneesche donna’s werden er bang van, zoodat zij

sedert veel inschikkelijker werden voor de genoegens der mannen dan zij

eerst geweest waren.

De Decamerone van Boccaccio · 第 55 / 116 题