NEGENDE VERTELLING.

Federigo degli Alberighi bemint en wordt niet bemind. Daar hij al

zijn bezittingen verkwist, blijft hem slechts een valk over, die

hij, daar hij niets anders heeft, aan zijn donna te eten geeft, als

zij eens bij hem aan huis komt. Zij ziet dit nieuwe bewijs van

liefde, verandert van gezindheid, neemt hem tot echtgenoot en maakt

hem rijk.

Reeds had Filomena opgehouden met praten, toen de koningin, die gezien

had, dat niemand iets meer had te zeggen behalve Dioneo met zijn

voorrecht de laatste te zijn, met blij gelaat sprak: Nu is het aan mij

de beurt om te vertellen, en—zeer geliefde donna’s—ik zal het gaarne

doen met een verhaal gelijk aan de voorgaanden niet alleen, opdat gij

weet hoeveel macht Uw schoonheid over edelmoedige harten heeft maar

ook, opdat gij leeren zult U zelf te zijn, wanneer gij schenksters moet

wezen van Uw belooningen zonder de fortuin leidsvrouw te laten wezen,

welke ze meestal zonder onderscheidingsvermogen blindelings verdeelt.

Gij moet dan weten, dat Coppo di Borghese Domenichi, die in onze stad

woonde en er misschien nog een man is van groot aanzien en groot gezag

en zoowel door zijn manieren als zijn deugd, nog meer dan door den adel

van zijn bloed zeer bekend en eeuwige roem waard, reeds oud er behagen

in schepte met zijn buren en anderen over de dingen van het verleden te

spreken, welke hij in meer orde en met beter geheugen en sierlijker

bewoordingen wist te vertellen dan een ander man. Hij was gewoon onder

andere schoone zaken te verhalen, dat er vroeger in Florence een

jonkman leefde Federigo genaamd, zoon van messire Filippo Alberighi, en

die in den wapenhandel en in hoffelijkheid boven elk jong edelman van

Toscane hooggeschat werd. Deze gelijk met de meeste edellieden gebeurt,

werd verliefd op een edeldame, monna Giovanna genaamd, die destijds tot

de schoonsten en liefsten gerekend werd, die er in Florence waren en

opdat hij haar liefde kon winnen, worstelde, schermde hij, hield hij

feesten en schonk en verkwistte zonder eenig zelfbedwang zijn goederen.

Maar zij niet minder eerbaar dan schoon, gaf niets om de dingen door

hem gedaan, noch om hem, die ze deed. Daar Federigo boven zijn macht

veel verteerde en niets verkreeg, begonnen, gelijk licht gebeurt, zijn

rijkdommen te verminderen. Hij werd arm en bleef achter zonder iets

anders dan een kleine landhoeve, van welker rente hij zeer karig leefde

en had behalve dat slechts een der beste valken van de wereld. Daarom

verliefder dan ooit en ziende, dat hij niet langer het stadsleven kon

leiden, gelijk hij wenschte, ging hij te Campi, waar zijn boerderij

was, wonen. Hier droeg hij, zoo goed hij kon met de vogelvangst en

zonder iemand iets te vragen, geduldig zijn armoede. Nu gebeurde het,

toen Federigo zoo tot de uiterste armoede kwam, dat de man van monna

Giovanna ziek werd en toen hij den dood zag naderen, maakte hij zijn

testament. En daar hij zeer rijk was, liet hij als erfgenaam een reeds

grooten zoon achter en na dezen, daar hij monna Giovanna zeer had

bemind, maakte hij haar in diens plaats tot erfgenaam, wanneer de zoon

zonder wettig nakomeling zou sterven. Monna Giovanna bleef dus als

weduwe achter en gelijk het de gewoonte is van onze donna’s, ging zij

het zomerseizoen met haar zoon buiten doorbrengen op een landgoed vrij

dicht bij dat van Federigo. Hierdoor begon die jongen met Federigo

vriendschap te sluiten en zich met vogels en honden te vermaken.

Daar hij dikwijls de valk van Federigo had zien vliegen en die hem

buitengewoon beviel, verlangde hij zeer dien te bezitten, maar durfde

hem dit niet te vragen, daar hij zag, hoe deze op den vogel gesteld

was. Terwijl de zaak zoo stond, werd de knaap ziek, waarover de moeder

zeer treurig was, daar zij niets anders had en hem zooveel zij kon

liefhad; zij was den ganschen dag bij hem, hield niet op hem te sterken

en vroeg hem dikwijls of hij iets verlangde, hem smeekend het haar te

zeggen, daar zij hem zeker, als het haar mogelijk was, hem dit zou

bezorgen. De knaap, die dikwijls deze vragen hoorde, zeide: Moeder, als

gij mij den valk zoudt kunnen geven van Federigo, zou ik spoedig beter

worden. De donna, die dit hoorde, bleef een oogenblik in gedachten en

begon er over te peinzen, wat haar te doen stond. Zij wist, dat

Federigo haar lang had bemind, maar dat hij van haar nooit een enkele

blik had gehad. Daarom zeide zij: Hoe zal ik sturen om hem dien valk te

vragen, die, naar ik heb gehoord, de beste is, die er ooit vloog en die

bovendien zijn troost in deze wereld is? En hoe zou ik zoo zelfzuchtig

zijn er een edelman van te ontdoen, wien geen ander genoegen is

overgebleven! Door die gedachten verontrust, hoewel zij er zeker van

was den valk te krijgen, dien zij wenschte, wist zij niet, wat zij aan

haar zoon zou zeggen en antwoordde hem niet. Eindelijk nam de liefde,

die zij haar zoon toedroeg, zoo de overhand, dat zij besloot hem

tevreden te stellen en wat er ook mocht gebeuren, zelf den vogel te

gaan vragen in plaats het te laten doen en zij antwoordde het kind:

Jongen, houdt moed en doe je best te herstellen, want ik beloof je, dat

het eerste, wat ik morgen doen zal, is den valk te gaan halen en ik zal

je dien brengen. Het kind hierover verheugd toonde denzelfden dag al

eenige beterschap.

De donna na een andere tot gezelschap te hebben medegenomen, ging den

volgenden morgen bij wijze van uitspanning naar het tuintje van

Federigo en liet hem roepen. Daar het weer niet gunstig was en hij dien

dag niet op de vogelvangst ging, was hij in zijn tuin en liet er eenig

werk in orde maken. Toen hij hoorde, dat monna Giovanna naar hem vroeg,

was hij zeer verwonderd en liep verheugd naar haar toe. Toen zij hem

zag komen, stond zij voor hem met vrouwelijke bekoorlijkheid op en

nadat Federigo haar eerbiedig gegroet had, zeide zij: Het ga U wel,

Federigo. En zij vervolgde: Ik ben gekomen om U de schade te vergoeden,

die gij door mij hebt geleden, toen gij mij meer lief hadt dan noodig

was en de vergoeding is deze, dat ik met mijn gezellin van ochtend

vriendschappelijk bij U wil blijven middagmalen. Federigo antwoordde

nederig: Madonna, ik herinner mij niet ooit eenige schade door U

geleden te hebben, maar integendeel zooveel goeds van U te hebben

ontvangen, dat, zoo ik ooit iets waard ben geweest, het aan U te danken

is en aan de liefde, die ik U heb toegedragen, dat dit gebeurd is. En

zeker is Uw welgemeende komst mij aangenamer dan dat het mij gegeven

zou zijn opnieuw te kunnen verkwisten, wat ik verteerd heb, hoewel gij

bij een armen gastheer zijt gekomen. Bij die woorden ontving hij haar

verlegen in zijn huisje en voerde haar vandaar in den tuin en daar hij

er niemand had om haar gezelschap te houden, zeide hij: Madonna, omdat

er niemand is, zal deze goede vrouw, de echtgenoote van dien tuinman, U

gezelschap houden, terwijl ik de tafel ga dekken.

Hoewel zijn armoede uiterst groot was, had hij nog nooit gemerkt, hoe

hem de rijkdommen ontbraken, die hij teugelloos verkwist had. Maar die

ochtend, toen hij niets vond, waarmee hij de donna eer kon bewijzen,

uit liefde tot welke hij al aan eindeloos veel menschen genoegen had

gedaan, deed het hem inzien. En buitengewoon angstig, zijn lot

vervloekend als een man, die buiten zich zelve was, liep hij dan hier

dan daar heen en weer. Hij vond geld noch wissel en het werd al laat en

zijn verlangen was groot om toch met een of ander de edelvrouw te

ontvangen en daar hij niemand anders dan zijn tuinman hulp wilde

vragen, wierp hij de oogen op den goeden valk, die hij in zijn kamertje

op den stang zag zitten. Daar hij tot niets anders zijn toevlucht kon

nemen, nam hij dien en vond hem dik en dacht, dat deze een waardige

spijs voor de donna zou zijn. En daarom zonder verder nadenken draaide

hij hem den hals om, liet hem door zijn bediende, geplukt en toebereid,

aan het spit steken en flink braden. En na de tafel gedekt te hebben

met hagelwitte servetten, waarvan hij er nog eenige had, ging hij met

blij gelaat terug naar de donna in zijn tuin en zeide, dat het

middagmaal, dat hij voor haar had kunnen bereiden, gereed was. Daarop

stonden de donna en haar gezellin op en gingen aan tafel en zonder te

weten, wat zij aten, deden zij zich evenals Federigo te goed met den

valk, dien hij met genoegen liet opdienen.

Toen zij van tafel waren opgestaan en eenigen tijd met hem in aangename

gesprekken waren gebleven, scheen het aan de donna tijd om dat te

zeggen, waarvoor zij gekomen was en begon aldus vriendelijk tegen

Federigo te spreken: Federigo, wanneer gij U Uw vroeger leven herinnert

en mijn eerbaarheid, welke gij ongelukkigerwijze voor hardheid en

wreedheid hebt gehouden, twijfel ik er niet aan, dat gij U moet

verwonderen over mijn aanmatiging, wanneer gij weet, waarom ik

hoofdzakelijk gekomen ben. Maar indien gij kinderen hebt of gehad hebt,

waardoor gij zoudt weten, hoe groot de kracht is der liefde, die men

hun toedraagt, schijnt het mij zeker, dat gij mij ten deele zult

verontschuldigen. Gij hebt er echter geen en ik wel; ik kon dus de

wetten voor alle moeders gelijk niet ontloopen. Omdat het mij past dien

aandrang te gehoorzamen, moet ik, tegen mijn goedvinden en tegen elken

regel van wellevendheid in U een geschenk vragen, wat ik weet, dat U

zeer dierbaar is en wat de reden is, waarom Uw slecht fortuin U geen

ander genoegen, geen ander vermaak, geen anderen troost heeft gelaten

en dat geschenk is Uw valk, waarnaar mijn kind zoo begeerig is, dat,

als ik het dien niet breng, ik vrees, dat hij veel zieker wordt Dit zal

tengevolge zal hebben, dat ik hem zal verliezen, als het niet gebeurt.

Daarom bid ik U niet bij de liefde, die gij mij toedraagt—waardoor gij

tot niets verplicht zijt—maar bij Uw adel, welke gij door het schenken

van Uw beleefdheid getoond hebt meer dan in wat ook, dat gij mij dien

met genoegen zult geven, opdat ik zeggen kan door die gift mijn zoon in

het leven te hebben gehouden en U aan hem daardoor steeds te danken te

hebben. Toen Federigo hoorde, wat de donna vroeg en begreep, dat hij

haar niet van dienst kon zijn, omdat die tot spijs gediend had, begon

hij in haar tegenwoordigheid te zuchten en kon niets antwoorden. De

donna geloofde eerst, dat die smart meer voortkwam uit de scheiding van

den goeden valk dan uit iets anders en was op het punt te zeggen, dat

zij het niet meer verlangde, maar zich inhoudend, wachtte zij na het

klagen het antwoord van Federigo af, die aldus sprak: Madonna, sinds

het aan God heeft behaagd, dat ik op U mijn liefde had gericht, is de

fortuin mij in heel wat dingen tegen geweest, en ik heb mij er over

moeten beklagen, maar allen zijn licht geweest in vergelijking tot wat

zij mij heden aandoet, waarover ik nooit vrede met haar zal hebben, als

ik er aan denk, dat gij hier in mijn arm huis gekomen zijt, waar gij,

toen ik rijk was, U niet hadt verwaardigd te komen en van mij nu een

klein geschenk wilt hebben en zij het thans zoo heeft besteld, dat ik U

dit niet kan geven. Waarom dit niet kan, zal ik U in het kort zeggen:

Zoodra ik gehoord had, dat gij dank zij Uw gunst met mij wilde

middagmalen, nam ik Uw hoogen rang en waardigheid in aanmerking en heb

ik het een welvoegelijke en passende zaak geacht U met de beste spijs

naar mijn vermogen te onthalen veel meer dan men in ’t algemeen voor

andere personen doet. Daarom, toen ik aan den valk dacht, dien gij mij

vraagt en aan zijn deugdelijkheid, heb ik die waardige spijs voor U

geacht en gij hebt hem van ochtend gebraden op den schotel gehad, dien

ik daartoe zeer goed besteed achtte, maar nu ik zie, dat gij dien op

andere wijze begeert, doet het mij groot leed, dat ik U niet van dienst

kan zijn, zoodat ik geloof mij zelf nooit rust te kunnen geven. En bij

die woorden liet hij de veeren, de klauwen en de bek van den valk voor

haar werpen.

De donna zag en hoorde dit en berispte hem eerst, dat hij om een vrouw

te onthalen zulk een valk had gedood, maar bewonderde daarna in stilte

weer zijn grootmoedigheid, welke zijn armoede niet had kunnen noch kon

neerslaan. Daarna zonder hoop den valk te krijgen en misschien ook

daartoe op het herstel van haar zoon, ging zij geheel terneergeslagen

heen en keerde tot den jongen terug. Deze, hetzij door zwaarmoedigheid,

omdat hij den valk niet kon krijgen of omdat de ziekte er toch de

oorzaak van was, stierf na verloop van eenige dagen tot zeer groote

smart van de moeder. Zij bleef een tijd vol tranen en bitterheid, maar

daar zij zeer rijk was, werd zij dikwijls door haar broeders

aangespoord om weer te trouwen. Hoewel zij het niet wilde, maar hen

toch zag volhouden en zij zich de waarde van Federigo herinnerde en

zijn laatste gulheid, namelijk zulk een valk gedood te hebben om haar

te ontvangen, zeide zij tot de broeders: Ik zou gaarne, als gij het ook

wenschte, alleen willen blijven, maar als gij toch wilt, dat ik een man

neem, zal ik zeker geen ander huwen dan Federigo degli Alberighi. De

broeders spotten hiermee en zeiden: Hoe dwaas! Wat zegt gij? Hoe wil je

hem hebben, die niets op de wereld bezit? Daarop antwoordde zij: Mijn

broeders, ik weet wel, dat dit zoo is, maar ik wil liever een man, die

behoefte heeft aan rijkdom dan rijkdom, die een man noodig heeft. De

broeders, die haar gezindheid vernamen en Federigo kenden als iemand

van veel waarde, hoewel hij arm was, gaven haar, gelijk zij het wilde,

aan hem met al haar rijkdommen. Hij huwde de vrouw van dien rang, welke

hij zoo had bemind, werd aldus ook zeer rijk en eindigde met haar, nu

zorgzamer geworden voor zijn geld, zijn dagen in vreugde.

De Decamerone van Boccaccio · 第 56 / 116 题