Federigo degli Alberighi bemint en wordt niet bemind. Daar hij al
zijn bezittingen verkwist, blijft hem slechts een valk over, die
hij, daar hij niets anders heeft, aan zijn donna te eten geeft, als
zij eens bij hem aan huis komt. Zij ziet dit nieuwe bewijs van
liefde, verandert van gezindheid, neemt hem tot echtgenoot en maakt
hem rijk.
Reeds had Filomena opgehouden met praten, toen de koningin, die gezien
had, dat niemand iets meer had te zeggen behalve Dioneo met zijn
voorrecht de laatste te zijn, met blij gelaat sprak: Nu is het aan mij
de beurt om te vertellen, en—zeer geliefde donna’s—ik zal het gaarne
doen met een verhaal gelijk aan de voorgaanden niet alleen, opdat gij
weet hoeveel macht Uw schoonheid over edelmoedige harten heeft maar
ook, opdat gij leeren zult U zelf te zijn, wanneer gij schenksters moet
wezen van Uw belooningen zonder de fortuin leidsvrouw te laten wezen,
welke ze meestal zonder onderscheidingsvermogen blindelings verdeelt.
Gij moet dan weten, dat Coppo di Borghese Domenichi, die in onze stad
woonde en er misschien nog een man is van groot aanzien en groot gezag
en zoowel door zijn manieren als zijn deugd, nog meer dan door den adel
van zijn bloed zeer bekend en eeuwige roem waard, reeds oud er behagen
in schepte met zijn buren en anderen over de dingen van het verleden te
spreken, welke hij in meer orde en met beter geheugen en sierlijker
bewoordingen wist te vertellen dan een ander man. Hij was gewoon onder
andere schoone zaken te verhalen, dat er vroeger in Florence een
jonkman leefde Federigo genaamd, zoon van messire Filippo Alberighi, en
die in den wapenhandel en in hoffelijkheid boven elk jong edelman van
Toscane hooggeschat werd. Deze gelijk met de meeste edellieden gebeurt,
werd verliefd op een edeldame, monna Giovanna genaamd, die destijds tot
de schoonsten en liefsten gerekend werd, die er in Florence waren en
opdat hij haar liefde kon winnen, worstelde, schermde hij, hield hij
feesten en schonk en verkwistte zonder eenig zelfbedwang zijn goederen.
Maar zij niet minder eerbaar dan schoon, gaf niets om de dingen door
hem gedaan, noch om hem, die ze deed. Daar Federigo boven zijn macht
veel verteerde en niets verkreeg, begonnen, gelijk licht gebeurt, zijn
rijkdommen te verminderen. Hij werd arm en bleef achter zonder iets
anders dan een kleine landhoeve, van welker rente hij zeer karig leefde
en had behalve dat slechts een der beste valken van de wereld. Daarom
verliefder dan ooit en ziende, dat hij niet langer het stadsleven kon
leiden, gelijk hij wenschte, ging hij te Campi, waar zijn boerderij
was, wonen. Hier droeg hij, zoo goed hij kon met de vogelvangst en
zonder iemand iets te vragen, geduldig zijn armoede. Nu gebeurde het,
toen Federigo zoo tot de uiterste armoede kwam, dat de man van monna
Giovanna ziek werd en toen hij den dood zag naderen, maakte hij zijn
testament. En daar hij zeer rijk was, liet hij als erfgenaam een reeds
grooten zoon achter en na dezen, daar hij monna Giovanna zeer had
bemind, maakte hij haar in diens plaats tot erfgenaam, wanneer de zoon
zonder wettig nakomeling zou sterven. Monna Giovanna bleef dus als
weduwe achter en gelijk het de gewoonte is van onze donna’s, ging zij
het zomerseizoen met haar zoon buiten doorbrengen op een landgoed vrij
dicht bij dat van Federigo. Hierdoor begon die jongen met Federigo
vriendschap te sluiten en zich met vogels en honden te vermaken.
Daar hij dikwijls de valk van Federigo had zien vliegen en die hem
buitengewoon beviel, verlangde hij zeer dien te bezitten, maar durfde
hem dit niet te vragen, daar hij zag, hoe deze op den vogel gesteld
was. Terwijl de zaak zoo stond, werd de knaap ziek, waarover de moeder
zeer treurig was, daar zij niets anders had en hem zooveel zij kon
liefhad; zij was den ganschen dag bij hem, hield niet op hem te sterken
en vroeg hem dikwijls of hij iets verlangde, hem smeekend het haar te
zeggen, daar zij hem zeker, als het haar mogelijk was, hem dit zou
bezorgen. De knaap, die dikwijls deze vragen hoorde, zeide: Moeder, als
gij mij den valk zoudt kunnen geven van Federigo, zou ik spoedig beter
worden. De donna, die dit hoorde, bleef een oogenblik in gedachten en
begon er over te peinzen, wat haar te doen stond. Zij wist, dat
Federigo haar lang had bemind, maar dat hij van haar nooit een enkele
blik had gehad. Daarom zeide zij: Hoe zal ik sturen om hem dien valk te
vragen, die, naar ik heb gehoord, de beste is, die er ooit vloog en die
bovendien zijn troost in deze wereld is? En hoe zou ik zoo zelfzuchtig
zijn er een edelman van te ontdoen, wien geen ander genoegen is
overgebleven! Door die gedachten verontrust, hoewel zij er zeker van
was den valk te krijgen, dien zij wenschte, wist zij niet, wat zij aan
haar zoon zou zeggen en antwoordde hem niet. Eindelijk nam de liefde,
die zij haar zoon toedroeg, zoo de overhand, dat zij besloot hem
tevreden te stellen en wat er ook mocht gebeuren, zelf den vogel te
gaan vragen in plaats het te laten doen en zij antwoordde het kind:
Jongen, houdt moed en doe je best te herstellen, want ik beloof je, dat
het eerste, wat ik morgen doen zal, is den valk te gaan halen en ik zal
je dien brengen. Het kind hierover verheugd toonde denzelfden dag al
eenige beterschap.
De donna na een andere tot gezelschap te hebben medegenomen, ging den
volgenden morgen bij wijze van uitspanning naar het tuintje van
Federigo en liet hem roepen. Daar het weer niet gunstig was en hij dien
dag niet op de vogelvangst ging, was hij in zijn tuin en liet er eenig
werk in orde maken. Toen hij hoorde, dat monna Giovanna naar hem vroeg,
was hij zeer verwonderd en liep verheugd naar haar toe. Toen zij hem
zag komen, stond zij voor hem met vrouwelijke bekoorlijkheid op en
nadat Federigo haar eerbiedig gegroet had, zeide zij: Het ga U wel,
Federigo. En zij vervolgde: Ik ben gekomen om U de schade te vergoeden,
die gij door mij hebt geleden, toen gij mij meer lief hadt dan noodig
was en de vergoeding is deze, dat ik met mijn gezellin van ochtend
vriendschappelijk bij U wil blijven middagmalen. Federigo antwoordde
nederig: Madonna, ik herinner mij niet ooit eenige schade door U
geleden te hebben, maar integendeel zooveel goeds van U te hebben
ontvangen, dat, zoo ik ooit iets waard ben geweest, het aan U te danken
is en aan de liefde, die ik U heb toegedragen, dat dit gebeurd is. En
zeker is Uw welgemeende komst mij aangenamer dan dat het mij gegeven
zou zijn opnieuw te kunnen verkwisten, wat ik verteerd heb, hoewel gij
bij een armen gastheer zijt gekomen. Bij die woorden ontving hij haar
verlegen in zijn huisje en voerde haar vandaar in den tuin en daar hij
er niemand had om haar gezelschap te houden, zeide hij: Madonna, omdat
er niemand is, zal deze goede vrouw, de echtgenoote van dien tuinman, U
gezelschap houden, terwijl ik de tafel ga dekken.
Hoewel zijn armoede uiterst groot was, had hij nog nooit gemerkt, hoe
hem de rijkdommen ontbraken, die hij teugelloos verkwist had. Maar die
ochtend, toen hij niets vond, waarmee hij de donna eer kon bewijzen,
uit liefde tot welke hij al aan eindeloos veel menschen genoegen had
gedaan, deed het hem inzien. En buitengewoon angstig, zijn lot
vervloekend als een man, die buiten zich zelve was, liep hij dan hier
dan daar heen en weer. Hij vond geld noch wissel en het werd al laat en
zijn verlangen was groot om toch met een of ander de edelvrouw te
ontvangen en daar hij niemand anders dan zijn tuinman hulp wilde
vragen, wierp hij de oogen op den goeden valk, die hij in zijn kamertje
op den stang zag zitten. Daar hij tot niets anders zijn toevlucht kon
nemen, nam hij dien en vond hem dik en dacht, dat deze een waardige
spijs voor de donna zou zijn. En daarom zonder verder nadenken draaide
hij hem den hals om, liet hem door zijn bediende, geplukt en toebereid,
aan het spit steken en flink braden. En na de tafel gedekt te hebben
met hagelwitte servetten, waarvan hij er nog eenige had, ging hij met
blij gelaat terug naar de donna in zijn tuin en zeide, dat het
middagmaal, dat hij voor haar had kunnen bereiden, gereed was. Daarop
stonden de donna en haar gezellin op en gingen aan tafel en zonder te
weten, wat zij aten, deden zij zich evenals Federigo te goed met den
valk, dien hij met genoegen liet opdienen.
Toen zij van tafel waren opgestaan en eenigen tijd met hem in aangename
gesprekken waren gebleven, scheen het aan de donna tijd om dat te
zeggen, waarvoor zij gekomen was en begon aldus vriendelijk tegen
Federigo te spreken: Federigo, wanneer gij U Uw vroeger leven herinnert
en mijn eerbaarheid, welke gij ongelukkigerwijze voor hardheid en
wreedheid hebt gehouden, twijfel ik er niet aan, dat gij U moet
verwonderen over mijn aanmatiging, wanneer gij weet, waarom ik
hoofdzakelijk gekomen ben. Maar indien gij kinderen hebt of gehad hebt,
waardoor gij zoudt weten, hoe groot de kracht is der liefde, die men
hun toedraagt, schijnt het mij zeker, dat gij mij ten deele zult
verontschuldigen. Gij hebt er echter geen en ik wel; ik kon dus de
wetten voor alle moeders gelijk niet ontloopen. Omdat het mij past dien
aandrang te gehoorzamen, moet ik, tegen mijn goedvinden en tegen elken
regel van wellevendheid in U een geschenk vragen, wat ik weet, dat U
zeer dierbaar is en wat de reden is, waarom Uw slecht fortuin U geen
ander genoegen, geen ander vermaak, geen anderen troost heeft gelaten
en dat geschenk is Uw valk, waarnaar mijn kind zoo begeerig is, dat,
als ik het dien niet breng, ik vrees, dat hij veel zieker wordt Dit zal
tengevolge zal hebben, dat ik hem zal verliezen, als het niet gebeurt.
Daarom bid ik U niet bij de liefde, die gij mij toedraagt—waardoor gij
tot niets verplicht zijt—maar bij Uw adel, welke gij door het schenken
van Uw beleefdheid getoond hebt meer dan in wat ook, dat gij mij dien
met genoegen zult geven, opdat ik zeggen kan door die gift mijn zoon in
het leven te hebben gehouden en U aan hem daardoor steeds te danken te
hebben. Toen Federigo hoorde, wat de donna vroeg en begreep, dat hij
haar niet van dienst kon zijn, omdat die tot spijs gediend had, begon
hij in haar tegenwoordigheid te zuchten en kon niets antwoorden. De
donna geloofde eerst, dat die smart meer voortkwam uit de scheiding van
den goeden valk dan uit iets anders en was op het punt te zeggen, dat
zij het niet meer verlangde, maar zich inhoudend, wachtte zij na het
klagen het antwoord van Federigo af, die aldus sprak: Madonna, sinds
het aan God heeft behaagd, dat ik op U mijn liefde had gericht, is de
fortuin mij in heel wat dingen tegen geweest, en ik heb mij er over
moeten beklagen, maar allen zijn licht geweest in vergelijking tot wat
zij mij heden aandoet, waarover ik nooit vrede met haar zal hebben, als
ik er aan denk, dat gij hier in mijn arm huis gekomen zijt, waar gij,
toen ik rijk was, U niet hadt verwaardigd te komen en van mij nu een
klein geschenk wilt hebben en zij het thans zoo heeft besteld, dat ik U
dit niet kan geven. Waarom dit niet kan, zal ik U in het kort zeggen:
Zoodra ik gehoord had, dat gij dank zij Uw gunst met mij wilde
middagmalen, nam ik Uw hoogen rang en waardigheid in aanmerking en heb
ik het een welvoegelijke en passende zaak geacht U met de beste spijs
naar mijn vermogen te onthalen veel meer dan men in ’t algemeen voor
andere personen doet. Daarom, toen ik aan den valk dacht, dien gij mij
vraagt en aan zijn deugdelijkheid, heb ik die waardige spijs voor U
geacht en gij hebt hem van ochtend gebraden op den schotel gehad, dien
ik daartoe zeer goed besteed achtte, maar nu ik zie, dat gij dien op
andere wijze begeert, doet het mij groot leed, dat ik U niet van dienst
kan zijn, zoodat ik geloof mij zelf nooit rust te kunnen geven. En bij
die woorden liet hij de veeren, de klauwen en de bek van den valk voor
haar werpen.
De donna zag en hoorde dit en berispte hem eerst, dat hij om een vrouw
te onthalen zulk een valk had gedood, maar bewonderde daarna in stilte
weer zijn grootmoedigheid, welke zijn armoede niet had kunnen noch kon
neerslaan. Daarna zonder hoop den valk te krijgen en misschien ook
daartoe op het herstel van haar zoon, ging zij geheel terneergeslagen
heen en keerde tot den jongen terug. Deze, hetzij door zwaarmoedigheid,
omdat hij den valk niet kon krijgen of omdat de ziekte er toch de
oorzaak van was, stierf na verloop van eenige dagen tot zeer groote
smart van de moeder. Zij bleef een tijd vol tranen en bitterheid, maar
daar zij zeer rijk was, werd zij dikwijls door haar broeders
aangespoord om weer te trouwen. Hoewel zij het niet wilde, maar hen
toch zag volhouden en zij zich de waarde van Federigo herinnerde en
zijn laatste gulheid, namelijk zulk een valk gedood te hebben om haar
te ontvangen, zeide zij tot de broeders: Ik zou gaarne, als gij het ook
wenschte, alleen willen blijven, maar als gij toch wilt, dat ik een man
neem, zal ik zeker geen ander huwen dan Federigo degli Alberighi. De
broeders spotten hiermee en zeiden: Hoe dwaas! Wat zegt gij? Hoe wil je
hem hebben, die niets op de wereld bezit? Daarop antwoordde zij: Mijn
broeders, ik weet wel, dat dit zoo is, maar ik wil liever een man, die
behoefte heeft aan rijkdom dan rijkdom, die een man noodig heeft. De
broeders, die haar gezindheid vernamen en Federigo kenden als iemand
van veel waarde, hoewel hij arm was, gaven haar, gelijk zij het wilde,
aan hem met al haar rijkdommen. Hij huwde de vrouw van dien rang, welke
hij zoo had bemind, werd aldus ook zeer rijk en eindigde met haar, nu
zorgzamer geworden voor zijn geld, zijn dagen in vreugde.