ZESDE VERTELLING.

Gian van Procida wordt gevonden met een meisje, dat hij bemint en

overgeleverd aan koning Frederik om met haar aan één paal gebonden

te worden verbrand. Maar Gianni wordt door Ruggieri d’Oria herkend,

ontsnapt aan de straf en wordt haar man.

Toen de novelle van Neifile geëindigd was en zeer aan de donna’s had

behaagd, beval de koningin aan Pampinea zich gereed te maken er een te

verhalen. Deze, een opgeruimd gezicht toonend, begon: Bekoorlijke

donna’s. Zeer groot zijn de krachten der liefde en zij vereischen van

de minnenden groote inspanning en werpen ze in onnoemelijke en

onvoorziene gevaren, gelijk men door vele dingen, die heden en vroeger

verteld werden, kan nagaan, maar niettemin heb ik lust U er nog een te

vertellen van een verliefden jonkman.

Ischia is een eiland dicht bij Napels. Daar was vroeger onder anderen

een heel jong, schoon en aardig meisje, Restituta, de dochter van een

edelman van dat eiland, die Marin Bólgaro heette. Een jonge man van een

eiland bij Ischia: Procida, Gianni [100] genaamd, had dit meisje meer

dan zijn eigen leven lief en zij hem. Deze had niet slechts de gewoonte

om bij dag naar Ischia te komen om haar te zien, maar reeds menigmaal

was hij ’s nachts, als hij geen bark had gevonden, van Procida naar

Ischia gezwommen om, als het niet anders kon, slechts de muren van haar

huis te zien. Terwijl die vurige liefde voortduurde, was het jonge

meisje eens op een zomerdag alleen naar den zeekant gegaan en van rots

tot rots loopend met een mes in de hand om de schelpen van de steenen

los te maken, kwam zij op een plaats om te rusten tusschen de wanden.

Daar, zoowel om den schaduw als om de nabijheid van een fontein met

koel water, waren een aantal Italiaansche jongelieden vereenigd, die op

een fregat van Napels gekomen waren. Bij het gezicht van het zeer

mooie, jonge meisje, dat hen nog niet had opgemerkt en dat zij alleen

zagen, overlegden ze met elkaar haar te rooven en weg te voeren en op

de beraadslaging volgde de daad. Zij namen haar, hoewel zij hard

schreeuwde, op, brachten haar op het schip en gingen heen, en in

Calabrië gekomen, twisten zij er met elkaar over, aan wien het meisje

zou behooren en ieder, om kort te gaan, wilde haar hebben. Daarom

konden zij het onder elkaar niet eens worden, vreesden, dat dit steeds

erger zou worden en hun zaken door haar zouden worden bedorven en zij

besloten haar Frederik, koning van Sicilië, [101] te geven, die toen

nog jong was en daarin behagen schepte. Te Palermo gekomen, deden zij

dit. De koning zag, dat zij mooi was en stelde prijs op haar, maar daar

hij een weinig lijdend was, beval hij, tot hij sterker was geworden,

haar in een zeer mooi paleis te midden van een zijner tuinen te

brengen, welke men la Cuba noemde en er haar goed te behandelen. Dit

geschiedde.

Er werd druk over het geroofde meisje op Ischia gesproken en wat dit

nog verhoogde, was, dat men niet kon weten wie het waren, die haar

hadden ontvoerd. Maar Gianni, wien dit meer dan wien ook leed deed en

die wachtte, tot hij iets van haar op Ischia vernam en wist in welke

richting het fregat was gegaan, deed er ook een bewapenen, besteeg het

en kruiste zoo gauw hij kon de heele kust af van Minerva tot Scalea in

Calabrië en deed overal naar het meisje onderzoek. In Scalea werd hem

gezegd, dat zij door Siciliaansche zeelieden was weggevoerd naar

Palermo. Daar liet Gianni, zoo gauw hij kon zich heen voeren en na veel

zoeken, vond hij, dat het meisje aan den koning was geschonken en door

hem in la Cuba werd bewaard, zoodat hij haast alle hoop verloor niet

alleen haar ooit terug te krijgen maar zelfs haar te zien. Maar toch

door de liefde weerhouden, zond hij het fregat terug en ziende, dat

niemand hem er kende, bleef hij te Palermo. Dikwijls ging hij langs la

Cuba en zag hij haar bij toeval op een dag aan een venster en zij hem,

waarmee beide gelukkig waren. Daar Gianni zag, dat de plaats eenzaam

was, naderde hij zooveel hij kon, sprak haar toe en door haar ingelicht

over de wijze, waaraan hij zich moest houden om haar opnieuw daarna te

spreken, ging hij heen na vóór alles de gesteldheid van de plaats te

hebben opgenomen. Hij wachtte den nacht af en liet een goed deel

daarvan voorbij gaan, kwam er terug en na zich vastgehaakt te hebben

aan plaatsen, waaraan spechten zich zelfs niet hadden kunnen

vasthouden, kwam hij in den tuin en vond daar een kleinen scheepsmast,

zette dien tegen het venster door het meisje aangewezen en sprong

hierlangs vrij gemakkelijk er doorheen.

Het meisje, dat haar eer als verloren beschouwde, en met die gedachten

aan Gianni weerstand had geboden, meende nu niemand meer dan hem

waardig die te geven en in de hoop, dat hij haar zou kunnen wegvoeren,

had zij besloten hem in alles zijn zin te geven. Zij had het venster

open gelaten, opdat hij sneller er binnen kon komen. Gianni trad

heimelijk binnen en legde zich naast het meisje, dat niet sliep, neer.

Zij, voor zij tot iets anders overgingen, verklaarde hem haar verlangen

en vooral bad zij hem haar vandaar mee te nemen en haar weg te voeren.

Gianni antwoordde haar, dat hij niets liever dan dat wilde en dat hij

zonder twijfel, zoodra hij van haar weggegaan zou zijn, alles in het

werk zou stellen, zoodat hij bij zijn eersten terugkeer, haar vandaar

kon wegvoeren. Hierna omhelsden zij elkaar met het grootste genoegen en

hadden die verrukking, boven welke de liefde geen grootere kan

verleenen en nadat zij dit meerdere malen hadden herhaald, vielen zij,

zonder dat zij het merkten, in elkaars armen, in slaap. De koning, wien

het meisje op het eerste gezicht zeer had behaagd, herinnerde zich haar

en toen hij zich goed voelde, besloot hij, hoewel het bijna dag was,

een poosje bij haar te gaan vertoeven en ging heimelijk met enkelen van

zijn dienaren naar la Cuba. Toen hij het paleis was binnen getreden, en

hij de deur had laten openen van de kamer, waarin hij wist, dat het

jonge meisje sliep, trad hij binnen met een groote toorts en naar het

bed kijkend, zag hij haar naakt en in de armen van Gianni slapen.

Hij werd hierover dadelijk zeer verstoord en werd zoo woedend, dat

zonder iets te zeggen, het maar een haar scheelde of hij had met een

mes, dat hij aan zijn zijde droeg, beide gedood. Daarna denkend, dat

het voor elkeen zeer laag was en ook voor een koning twee naakte

menschen in den slaap te vermoorden, hield hij zich in en wilde ze in

het openbaar en op den brandstapel doen sterven. Hij keerde zich tot

een der metgezellen, dien hij bij zich had en zeide: Wat denkt U van

dat ellendige vrouwspersoon, waarop ik al mijn hoop heb gesteld? Daarna

vroeg hij hem of hij den jonkman kende, die den moed had gehad, in zijn

huis te komen tot zulk een beleediging en teleurstelling. Deze, door

hem ondervraagd, zeide, dat hij zich niet herinnerde ooit zoo iets te

hebben gezien. De koning ging gramstorig uit de kamer en beval, dat de

twee gelieven zoo naakt als zij waren, gevangen zouden worden genomen

en vastgebonden en als de dag zou aanbreken naar Palermo gestuurd en op

het plein aan één paal geboeid rug aan rug en zoo tot het derde uur,

opdat zij door allen gezien zouden worden en daarna verbrand, gelijk

zij hadden verdiend. Vervolgens keerde hij te Palermo in zijn kamer

zeer verstoord terug.

Toen de koning vertrokken was, grepen velen onmiddellijk de beide

minnenden en wekten ze niet alleen, maar namen ze zonder erbarmen

gevangen en boeiden hen. Toen de beide jongelieden dit zagen, werden

zij wanhopig, vreesden voor hun leven en weenden en klaagden, wat men

zich wel kan voorstellen. Zij werden op bevel des koning naar Palermo

gevoerd en aan één paal op het plein gebonden en voor hun oogen werden

de brandstapel en het vuur gereed gemaakt om ze op het uur door den

koning aangegeven te verbranden. Dadelijk liepen hier de Palermers,

mannen als vrouwen heen om de twee minnenden te zien; de mannen

richtten hun blikken op het jonge meisje en gelijk die haar prezen als

schoon en welgemaakt, zoo kwamen de donna’s den jonkman kijken en

prezen hem als ten hoogste knap en goed gebouwd, maar de ongelukkige

gelieven, beide zeer beschaamd, stonden met gebogen hoofden en

beweenden hun ongeluk van uur tot uur in afwachting van den dood. En

terwijl zij daar tot de vastgestelde stonde werden gehouden en overal

het gerucht ging van een misstap door hun bedreven en dit Ruggier

dell’Oria [102] ter ooren kwam, een man van onschatbare waarde en

destijds admiraal des konings, ging hij daarheen, waar zij stonden

vastgebonden.

Daar gekomen beschouwde hij eerst het meisje en vond haar zeer mooi en

toen hij daarna den jonkman bekeek, herkende hij dien dadelijk, naderde

hem en vroeg hem of hij Gianni van Procida was. Gianni hief het gelaat

op en antwoordde den admiraal herkennend: Mijn heer, ik was vroeger,

dien gij vraagt, maar sta op het punt het niet meer te zijn. Toen vroeg

hem de admiraal, wat hem hiertoe gebracht had. Gianni hernam: Liefde en

de toorn des konings. De admiraal deed hem de geschiedenis uitvoeriger

vertellen en toen hij wist, hoe alles gebeurd was en wilde heengaan,

riep Gianni hem terug en zeide: Zeg, mijnheer, zoo het kan, tracht dan

voor mij een genade te verkrijgen van hem, die mij hier zoo laat staan.

Ruggieri vroeg: Welke? Hierop zeide Gianni: Ik zie, dat ik—en

spoedig—moet sterven. Ik vraag als gunst in plaats rug aan rug te

worden gebonden met dat meisje, dat ik meer dan mijn leven liefheb en

die mij ook zoo heeft bemind, dat men ons met het gelaat naar elkaar

toe plaatst en ik getroost kan heengaan. Ruggieri zeide lachend: Graag,

ik zal zoo te werk gaan, dat gij haar nog tot vervelens toe zien zult.

Van hen heengegaan, beval hij aan hen, wien gelast was de

terechtstelling uit te voeren, dat zij zonder nader bevel des konings,

die niet zouden laten geschieden en zonder verwijl begaf hij zich naar

den vorst.

Hoewel hij dien zeer vertoornd zag, besloot hij niettemin hem zijn

meening te vertellen en zeide: Koning, waarmee hebben die twee

jongelieden U beleedigd, die gij bevolen hebt daar op het plein te

laten verbranden. Toen de vorst het hem gezegd had, ging Ruggieri

voort: De misstap door hem begaan eischt dit wel, maar niet van U en

zoo de misstappen straf vorderen, eischen de goede daden belooning

zonder te spreken van genade en barmhartigheid. Kent gij hen, die gij

wilt laten verbranden? De koning antwoordde van niet. Toen zeide

Ruggieri: Maar ik wil, dat gij ze zult kennen, opdat gij ziet, hoe

licht gij U door den aandrang van den toorn hebt laten meeslepen. De

jonkman is een zoon van Landolfo van Procida, een eigen broeder van

messer Gianni van Procida, door wiens werk gij koning en heer van dat

eiland zijt. Het meisje is de dochter van Marin Bólgaro, wiens macht de

oorzaak is, dat uw heerschappij thans niet verdwenen is op Ischia. Zij

zijn jonge menschen, die elkaar lang hebben liefgehad en daartoe door

liefde genoodzaakt waren en niet om U te beleedigen, hebben zij die

zonde bedreven, indien men zonde kan noemen, wat jongelieden uit liefde

doen. Waarom wilt gij dus hen doen sterven, terwijl gij ze met zeer

groote genoegens en geschenken moest eeren! De koning hoorde dit en

bevond, dat Ruggieri de waarheid sprak. Hij had er niet alleen berouw

van, dat men met de straf zou voortgaan, maar ook van het reeds

gebeurde. Daarom beval hij onmiddellijk, dat de twee jongelieden van

den paal zouden losgemaakt worden en voor hem gebracht en zoo

geschiedde het. Toen hij hun geheelen toestand had leeren kennen,

meende hij, dat hij met eer en geschenken den aangedanen smaad kon

herstellen en na ze eervol te hebben doen kleeden en nadat hij zag, dat

zij van eenerlei gezindheid waren, liet hij Gianni het meisje trouwen

en na hen prachtige geschenken te hebben gegeven, zond hij ze gelukkig

naar huis, waar zij met zeer groote blijdschap ontvangen langen tijd in

vrede en vreugd te samen leefden.

De Decamerone van Boccaccio · 第 53 / 116 题