VIJFDE VERTELLING.

Guidotto van Cremona laat aan Giacomina van Pavia een dochter

achter en sterft. Zij wordt bemind door Giannuol di Severino en

Minghino di Mingole in Faënza. Zij twisten met elkaar. Wanneer men

ontdekt, dat zij een zuster is van Giannòle, wordt zij aan Minghino

tot vrouw gegeven. [99]

De dames hadden bij het luisteren naar de vertelling van den

nachtegaal, zoo gelachen, dat, hoewel Filostrato met verhalen had

opgehouden, zij zich nog niet houden konden. Maar toch, toen zij genoeg

hadden gelachen, zeide de koningin: Zeker, indien gij ons gisteren

bedroefd hebt, hebt gij thans u voor ons zoo beijverd, dat het

onrechtvaardig zou zijn U iets te verwijten. Daarna tot Neifile het

woord richtend, beval zij, dat die zou voortgaan. Deze begon blijmoedig

te spreken: Omdat Filostrato met vertellen Romagna is

binnengegetrokken, behaagt het ook aan mij daar wat rond te gaan met

mijn verhaal.

Ik zeg dan, dat er in de stad Faënza twee Lombarden woonden, waarvan de

een Guidotto van Cremona genoemd werd en de ander Giacomin van Pavia,

beide mannen op leeftijd. Zij waren in hun jeugd altijd onder de wapens

en soldaat geweest. Toen Guidotto stierf en hij geen vrouw naliet noch

een anderen vriend of verwant, dien hij meer vertrouwde dan Giacomin,

liet hij aan dien laatste een meisje na, dat hij thuis had, nauwelijks

tien jaar oud, en evenzoo al wat hij op de wereld bezat en na hem lang

over zijn zaken gesproken te hebben, stierf hij. In die tijden kwam de

stad Faënza, die lang in oorlog en ongeluk was geweest, in beteren

toestand en aan ieder stond het vrij er terug te keeren, die dit wilde;

daarom kwam Giacomino, die er vroeger had gewoond en wien het verblijf

er beviel, met al zijn goed er terug en voerde het kind met zich mede,

dat hem door Guidotto was nagelaten en dat hij als zijn eigen dochter

beminde en behandelde. Dit groeide op en werd het mooiste meisje meer

dan elk ander, dat er toen in de stad woonde en zoo schoon als zij was,

was zij ook welopgevoed en eerbaar. Hierdoor begonnen verscheidenen

haar te begeeren, maar bovenal twee heel aardige jongelingen, die haar

beide gelijkelijk liefde toedroegen, zoodat zij elkaar uit minnenijd

vreeselijk gingen haten. De een heette Giannole di Severino en de

andere Minghino di Mingole. Daar zij al vijftien jaar was, hadden beide

haar gaarne getrouwd, als het door hun ouders zou toegestaan zijn;

daarom ziende, dat zij hun op eerlijke wijze werd ontnomen, zocht elk

van hen naar het beste middel om haar toch te krijgen.

Giacomino had in huis een oude dienstmeid en een knecht Crivello, een

zeer aardig en vriendelijk man: met hem verbond Giannole zich en aan

hem openbaarde hij, toen hij het oogenblik gekomen achtte, zijn liefde

en verzocht hem, dat hij hem voor zijn verlangen gunstig gezind zou

zijn en beloofde hem daarvoor groote belooning. Hierop antwoordde

Crivello: Ziet gij: hierin zou ik U niet anders kunnen helpen dan zoo:

Wanneer Giacomino ergens gaat avondmalen, breng ik U daar, waar het

jonge meisje zal zijn, want als ik wat voor U zou willen zeggen, zou

zij mij niet willen aanhooren. Als U dat bevalt, beloof ik U het te

doen, gij zult vervolgens dat doen, wat gij gelooft, dat goed is.

Giannole zeide, dat hij niets meer verlangde en zij werden het eens.

Van zijn kant had Minghino nu een bond gesloten met de meid en met haar

zoo onderhandeld, dat zij meermalen boodschappen had weggebracht van

het meisje en dat zij van liefde voor Minghino was ontbrand. Behalve

dat had zij hem beloofd hem bij haar te brengen, wanneer Giacomino om

een of andere reden ’s avonds van huis zou gaan. Niet lang na deze

woorden, ging Giacomino door den invloed van Crivello bij een van zijn

vrienden avondmalen en nadat hij Giannole had gewaarschuwd, kwam hij

met hem overeen, dat hij, wanneer hij een bepaald teeken zou geven, zou

komen en de deur open zou vinden. De meid van den anderen kant, die

daar niet van wist, deed om Minghino weten, dat Giacomino niet thuis

avondmaalde en zeide hem, dat hij nabij het huis moest blijven, tot zij

een teeken zou geven en hij dan zich er heen zou begeven en binnen

moest komen. Op den avond, daar de beide minnaars niet van elkaar

wisten, maar ze elkaar wantrouwden,—kwam gevolgd door een aantal

gewapende metgezellen, die gereed waren om binnen te treden, Minghino

met de zijnen om het teeken af te wachten, hield zich op in het huis

van een vriend, een buurman van het meisje en Giannole stond met de

zijnen op een afstand van haar huis. Crivello en de meid deden hun

best, daar Giacomino er niet was om de een den ander weg te krijgen.

Crivello zeide tot de meid: Waarom ga je nu niet slapen? Waarom dwaal

je nog zoo door het huis? En de meid zei tot hem: Maar waarom gaat gij

Uw meester niet na, die U verwacht, omdat hij reeds heeft geavondmaald?

En zoo kon de een den ander niet weg krijgen. Maar Crivello, die wist,

dat het uur vastgesteld met Giannole gekomen was, zeide: Wat kan die

mij schelen? Als zij zich niet stil houdt, zal zij er slecht bij varen.

En na het afgesproken teeken gegeven te hebben, maakte hij de deur open

en Giannole trad met zijn twee makkers binnen, vond het meisje in de

zaal en zij pakten haar beet om haar weg te voeren. Het meisje begon

weerstand te bieden en erg te schreeuwen en de meid insgelijks.

Minghino werd dit gewaar, liep er hard met zijn metgezellen heen en

toen hij het meisje de deur uit zag sleepen, trokken zij hun degens, en

riepen allen: Ah “verraders, gij zijt des doods. Dat gaat zóó niet. Wat

is dat voor geweld!” Bij die woorden begonnen zij te steken en van den

anderen kant kwamen de buren op het rumoer te voorschijn met wapens en

met licht en begonnen die zaak te bespotten en Minghino te helpen. Na

een langen strijd ontrukte Minghino het meisje aan Giannole en bracht

haar in het huis van Giacomino terug. De schermutseling was nog niet

geëindigd of de manschappen van den kapitein van de stad bemoeiden zich

er mee en namen velen van hen gevangen en onder de anderen bevonden

zich Minghino en Crivello en ze brachten die naar de gevangenis.

Doch toen de zaak in orde was gemaakt en Giacomino terugkeerd hierover

zeer neerslachtig onderzocht had, hoe het gebeurd was, bevond hij, dat

het meisje er geenerlei schuld aan had en stelde hij zich weer gerust

en nam zich voor, opdat zoo iets niet meer zou plaats hebben, haar zoo

gauw hij kon te huwen. Toen het morgen werd, waren de ouders van den

eenen en van den anderen kant bij hem. Daar zij de waarheid der

historie hadden vernomen, zagen zij het kwaad in, dat er van de

jongelieden uit kon voortkomen, als Giacomino wilde doen, wat hij naar

alle recht kon. Met zoete woordjes verzochten zij hem, dat hij niet

zoozeer acht zou slaan op de beleediging ondergaan door het onverstand

der jongelieden als op de liefde en de welwillendheid, welke zij

geloofden, dat hij aan hen, die hem smeekten toedroeg en boden hem

bovendien aan elke schadevergoeding, die hij wilde, met de jongelieden

samen, die het kwaad hadden gedaan, te betalen. Giacomino die in zijn

leven heel wat had gezien en die goedhartig was, antwoordde kortweg:

Heeren, als ik in mijn gebied was als gij in het Uwe, houd ik mij toch

zoo voor Uw vriend, dat ik hierin als in elke andere zaak geheel zou

handelen naar Uw genoegen, en bovendien moet ik dus te meer Uw

verlangens vervullen, omdat gij U zelf hebt beleedigd, daar dit meisje,

misschien gelijk vele meenen niet van Cremona is, noch van Pavia maar

integendeel van Faentina, hoewel noch ik, noch zij, noch diegene, van

wien ik het kind heb, ooit wisten van wien zij de dochter was. Daarom

zal ik ten opzichte van wat gij mij verzocht, alles doen, wat ik kan.

Toen de waardige mannen hoorden, dat zij van Faënza was, waren zij

daarover verwonderd en na Giacomino bedankt te hebben voor zijn mild

antwoord, verzochten zij hem hun te zeggen hoe zij in zijn handen was

gekomen en hoe hij wist, dat zij van Faentina was. Giacomino antwoordde

hun: Guidotta van Cremona was mijn metgezel en vriend en toen hij op

sterven lag, zeide hij mij, dat, wanneer deze stad door Keizer Frederik

genomen werd en alles werd geplunderd, hij met zijn metgezellen in een

huis trad en het vol buit vond en verlaten door hen, die het bewoonden

behalve door dat kind, dat ongeveer twee jaar oud was en dat, toen het

hem de trappen zag opklimmen, hem vader noemde. Uit medelijden met

haar, droeg hij het met alles uit het huis weg naar Fano en stierf

daar, waar hij het met alles, wat hij had, mij naliet en mij opdroeg,

wanneer het tijd zou zijn, haar uit te huwelijken en dat ik, wat hem

had behoord, haar als bruidschat zou geven. Toen zij op den huwbaren

leeftijd kwam, heb ik geen gelegenheid gehad haar te geven aan een man,

die mij beviel. Ik zou het gaarne doen, uit vrees, dat een avontuur als

dat van gisteren mij opnieuw overkomt.

Er was daar onder anderen een zekere Guiglielmino van Medicina, die met

Guidotto bij die inneming tegenwoordig geweest was en die zeer goed

wist aan wien het huis had behoord, dat Guidotto had geplunderd en toen

hij hem daar onder de anderen zag, kwam hij tot deze en zeide:

Bernabuccio, hoort gij, wat Giacomin zeide? Bernabuccio antwoordde: Ja,

en juist dacht ik er sterk aan, omdat ik mij herinner, dat ik in die

wanorde een dochtertje verloor van den leeftijd, dien Giacomin noemt.

Hierop ging Guiglielmo voort: Dan is zij het zeker, omdat ik mij daar

bevond, waar ik van Guidotto hoorde vertellen, dat hij zijn buit had

verkregen en ik herkende, dat het uw huis is geweest. Herinner u

daarom, of gij gelooft haar aan eenig teeken te kunnen herkennen.

Onderzoek het, want gij zult zeker zien, dat het Uw dochter is.

Bernarbuccio dacht hierover na en herinnerde zich, dat zij een

litteeken in den vorm van een kruis boven het linkeroor had, ontstaan

uit een zweer, die hij haar kort voor die gebeurtenis had laten

uitsnijden. Daarom zonder uitstel te nemen, naderde hij Giacomino, die

daar nog was en verzocht hen, dat hij hem mee naar huis nam en hem dit

meisje zou toonen. Giacomino nam hem gaarne mede en liet haar voor hem

komen. Zoodra Bernarbuccio haar zag, scheen hij geheel en al het

gezicht van haar moeder te ontwaren, die nog een schoone vrouw was.

Maar toch, daar niet bij blijvend, verzocht hij aan Giacomino, of hij

zoo goed wilde zijn haar de haren te laten oplichten boven het

linkeroor, waarmee Giacomino tevreden was.

Bernarbuccio naderde haar, die verlegen stond, hief met de rechterhand

de haren op en zag toen het kruis. Daardoor zeker wetend, dat het zijn

dochter was, begon hij te schreien en haar te omhelzen, hoewel zij het

niet wilde en zeide tot Giacomino gekeerd: Mijn broeder, dat is mijn

dochter. Het was mijn huis, dat door Guidotto werd geplunderd en zij

werd in de plotselinge verschrikking daar achter gelaten door mijn

vrouw en haar moeder en tot heden hebben wij geloofd, dat zij verbrand

is in het huis, dat dien dag in de asch werd gelegd. Toen het meisje

dit hoorde en hem zag als een man op leeftijd en vertrouwen schonk aan

zijn woorden, begon zij door geheime kracht bewogen, zijn omhelzingen

beantwoordend, met hem teerhartig te schreien. Bernarbuccio liet

dadelijk de moeder halen en haar verwanten en zusters en broers en

toonde haar aan hen allen, en verhaalde het gebeurde; elk ontving haar

na duizend omhelzingen met groote vreugde, waarover Giacomino zeer

tevreden haar naar zijn huis geleidde. De kapitein van de stad kwam dit

te weten en toen hij hoorde, dat Giannole, dien hij gevangen had

genomen, de zoon was van Bernarbuccio en de eigen broeder van het jonge

meisje, meende hij, dat hij eendoor hem begane overtreding met

goedmoedigheid door de vingers moest zien en nadat hij zich hierover

met Bernabuccio en Giacomino had verstaan, wist hij ook Giannole en

Minghino vrede te doen sluiten. Aan Minghino gaf hij tot groote vreugd

van al zijn verwanten het meisje tot vrouw, wier naam Agnesa was en met

hen samen gaf hij de vrijheid aan Crivello en de anderen, die in die

zaak waren betrokken. Daarna richtte Minghino een schoone en groote

bruiloft aan en na haar huiswaarts te hebben geleid, leefde hij met

haar nog vele jaren in vrede en welstand.

De Decamerone van Boccaccio · 第 52 / 116 题