Gostanza bemint Martuccio Gomito, welke hoorend, dat hij dood is,
uit wanhoop zich alleen in een bark neerzet, die door den wind naar
Susa gevoerd wordt. Zij vindt hem levend terug in Tunis, doet zich
aan hem kennen en daar hij zeer bevriend wordt met den koning voor
geschonken raadgegevingen, huwt hij haar en keert rijk met haar
terug naar Lipari.
Toen de koningin bespeurde, dat de novelle van Pamfilo uit was,
gelastte zij, na die zeer te hebben geprezen, dat Emilia zou voortgaan
met het verhalen van een andere, die aldus begon: Ieder moet zich
terecht verheugen in de dingen, waarin men de belooning op genegenheid
ziet volgen en wel omdat de liefde op den langen duur eerder vreugde
verdient dan smart. Met veel grooter genoegen zal ik door deze stof te
behandelen de koningin gehoorzamen dan het ik om de voorafgaande deed
aan den koning.
Teedere donna’s. Gij moet dan weten, dat er in de nabijheid van Sicilië
een eilandje is, Lipari genaamd, waarop nog niet lang geleden een zeer
mooie meisje geboren werd, Gostanza, uit zeer achtenswaardige familie
vandaar. Op haar werd een jonkman, die er woonde, Martuccio Gomito,
zeer aardig en beschaafd en bekwaam in zijn vak, verliefd. Zij werd
eveneens zoo door hem ontbrand, dat zij zich nooit goed gevoelde, als
zij hem niet zag. En daar Martuccio haar tot vrouw begeerde, liet hij
haar aan haar vader vragen. Deze antwoordde, dat hij arm was en haar
daarom niet wilde geven. Martuccio verontwaardigd, omdat hij zich haar
zag weigeren om zijn armoede, zwoer met eenige van zijn vrienden en
verwanten nooit in Lipari terug te keeren dan rijk. Hij vertrok vandaar
en begon als zeeroover de kust van Barbarije te bevaren elk bekapend,
die minder machtig was dan hij. De fortuin was hem hierbij zeer
gunstig, als hij zich maar met zijn voorspoed tevreden had kunnen
stellen. Maar daar het hem niet genoeg was, dat hij en zijn vrienden in
korten tijd zeer rijk werden, daar zij meer dan rijk wilden worden,
werd hij door zekere schepen der Saracenen na een lange verdediging
gevangen genomen en weggevoerd en het grootste deel van hen door de
Mahomedanen verdronken. Nadat zijn schip was vernield, werd hij naar
Tunis in de gevangenis gevoerd en in lange ellende bewaard. Op Lipari
kwam de tijding, dat al degenen, die met Martuccio op het schip waren,
verdronken. Het meisje, dat over het heengaan van Martuccio mateloos
bedroefd was, toen zij hoorde, dat hij als de anderen dood was, klaagde
langen tijd en besloot niet langer te leven. In ’t geheim verliet zij
’s nachts haars vaders huis en aan de haven gekomen zag zij toevallig
afgescheiden van de andere schepen een visscherspink, die zij, hoewel
de eigenaars er voor het oogenblik af waren, voorzien vond van een
mast, zeilen en riemen. Zij klom er snel op, roeide met de riemen in
zee en daar zij eenigszins de zeevaart meester was als al de vrouwen op
dit eiland, heesch zij het zeil, stak de riemen in het water, wierp de
roerpen achteruit en liet zich geheel gaan voor den wind. Zij dacht,
dat bepaald de wind de bark zonder lading en zonder evenwicht zou
omslaan of dat een schok die moest breken en verpletteren, waardoor
zij, zelfs als zij het wilde ontgaan, niet kon maar zeker moest
verdrinken. Zij wikkelde het hoofd in haar mantel en legde zich klagend
op den bodem van de bark. Maar het gebeurde heel anders dan zij had
verwacht, omdat de wind, die haar voerde, tramontaansch (noordelijk)
was en zacht en er haast geen golfslag bewoog en die de bark goed
leidend op den dag na den nacht, dat zij die had bestegen, haar tegen
den vesper ongeveer op honderd mijlen boven Tunis op een strand dreef
in de buurt van de stad Susa. [94]
Het jonge meisje bemerkte niet meer of zij in land of in zee was, want
zij had besloten, wat er ook zou gebeuren het hoofd niet op te heffen
en had dit dan ook niet gedaan. Er was bij toeval op het strand, toen
de bark er op zou stooten, een arme goede vrouw bezig de netten der
visschers uit de zon te trekken en die bij het gezicht van de bark er
zich over verwonderde, dat men die met vol zeil op de kust had laten
loopen. Denkend, dat de visschers er op waren ingeslapen, begaf zij
zich er heen en zag er slechts een jong meisje in, dat sliep. Nadat zij
het meermalen geroepen had, wist zij het eindelijk te wekken en daar
zij het aan haar kleederen herkend als Christin en zij Latijn [95]
sprak, vroeg zij haar, hoe zij daar zoo alleen in die bark gekomen was.
Het jonge meisje, dat Latijn hoorde spreken, twijfelde er aan of zij
misschien niet door een anderen wind naar Lipari was teruggekeerd en
plotseling opgestaan keek zij rond en daar zij dit wel kende, vroeg zij
aan de goede vrouw, waar zij was. Deze antwoordde: Mijn kind, gij zijt
dicht bij Susa in Barbarije. Toen het jonge meisje dit hoorde, ging het
aan den voet van de bark zitten wanhopig, dat God haar den dood niet
had willen zenden en vreezend, dat haar schande zou overkomen en begon
te schreien.
Toen de goede vrouw dit zag, had zij medelijden met haar en op haar
aandringen slaagde zij er in haar naar haar hut mee te krijgen en daar
behandelde zij haar zoo liefderijk, dat het jonge meisje haar vertelde,
wat er gebeurd was. Daar de goede vrouw begreep, dat zij nog nuchter
was, bracht zij het hard brood, wat water en een paar visschen en bad
haar zoo, dat zij er iets van at. Na gegeten te hebben vroeg Gostanza,
wie zij was. Zij zeide, dat zij van Trapani kwam en Carapresa heette en
dat zij de dienstmaagd was van een paar christelijke visschers. Toen
het meisje Carapresa hoorde spreken, vond zij dit, hoewel zij
troosteloos was en niet wist, wat haar daartoe dreef, een goed teeken
bij het hooren van dien naam en begon te hopen zonder te weten hoe en
een weinig haar begeerte te laten varen om te sterven en zonder bekend
te maken wie zij was of van waar, bad zij de goede vrouw om Gods wil
medelijden met haar te hebben en met haar jeugd en haar eenige raad te
geven, opdat men haar niet zou beleedigen. Carapresa hoorde haar als
een brave vrouw, die zij was, aan, liet haar in haar hut blijven en na
vlug haar netten te nebben opgehaald, kwam zij haar halen. Na haar van
het hoofd tot de voeten in haar mantel gewikkeld te hebben, nam zij
haar mee naar Susa en daar zeide zij tot deze: Gostanza, ik zal U bij
een zeer goede saraceensche dame brengen, aan wien ik diensten doe; het
is een oude en barmhartige vrouw; ik zal U zoo goed ik kan aan haar
aanbevelen en ik ben er zeker van, dat zij U gaarne zal ontvangen en U
als haar dochter zal behandelen; wat U betreft, gij moet al het
mogelijke doen, wanneer gij bij haar blijft, om haar te dienen en haar
gunst te winnen, totdat God U meer geluk zal zenden. En zij voegde de
daad bij het woord.
De donna, waar de oude heen gegaan was, zag het meisje in het gelaat en
begon te schreien, nam haar aan, kuste haar het voorhoofd en leidde
haar toen bij de hand in haar huis, waarin zij zonder man met eenige
vrouwen woonde en allen met hun handen verschillende voorwerpen maakten
van zijde, van palmhout of van leer. Het meisje leerde die binnen
enkele dagen vervaardigen, begon met hen samen te werken en het kwam
zoo in de gunst en won zoo de genegenheid van de donna en van de
anderen, dat het een wonder was. En in den korten tijd, dat zij haar
die onderwezen, leerde zij hun taal. Terwijl het meisje aldus in Susa
bleef, werd zij thuis al beweend als verloren en gestorven.
Destijds was Mariabdela koning van Tunis en verzamelde een jonkman van
hooge geboorte en groote macht, die zich te Granada bevond een zeer
groote menigte manschappen met de bewering, dat hem de heerschappij
over Tunis toebehoorde en rukte tegen dien koning op om hem van den
troon te jagen. Dit kwam Martuccio Gomito in de gevangenis ter ooren,
die het Barbarijsch goed kende en toen hij hoorde, dat de koning van
Tunis een zeer groote macht tot zijn verdediging bijeen bracht, zeide
hij tot een der lieden, die hem en zijn makkers bewaakten: Wanneer ik
den koning mag spreken, maak ik mij sterk hem een raad te geven,
waardoor hij in zijn strijd zal zegevieren. De wachter bracht die
woorden aan zijn heer over, die het dadelijk aan den koning berichtte.
De koning gelastte, dat Martuccio bij hem gebracht werd en vroeg hem,
wat die raad was. Deze antwoordde hem aldus: Heer, als ik wel in een
vroeger tijd, toen ik Uw rijk bezocht, Uw strijdwijze heb gade
geslagen, schijnt het mij, dat gij die eerder met boogschutters volgt
dan met andere soldaten en daarom, als men een middel kon vinden, dat
Uw tegenstanders pijlen zouden missen en de Uwen er in overvloed
hadden, denk ik, dat gij in den krijg zoudt winnen. Hierop sprak de
koning: Zonder twijfel, als dat kon, zou ik zeker overwinnaar zijn.
Martuccio ging voort: Heer, indien gij het wilt, kan dat heel goed en
ziehier hoe: gij moet voor de bogen van Uw boogschutters koorden laten
maken veel dunner dan men ze gewoonlijk overal gebruikt; dan moet gij
pijlen laten vervaardigen, waarvan de kepen alleen op die koorden
passen en dat alles moet zoo in ’t geheim geschieden, dat Uw
tegenstander het niet weet, want anders zal hij een middel vinden tot
tegenweer. En ziehier waarom ik zoo spreek: wanneer de boogschutters
van Uw vijand hun pijlen zullen hebben geworpen en de Uwen hun
schichten, weet gij, dat de vijanden de pijlen oprapen, die de Uwen
hebben afgeschoten evenals wij die van den vijand. Maar als de vijand
zich van de onzen niet kan bedienen, omdat de kleine kepen niet op zijn
dikke koorden passen, terwijl juist het tegenovergestelde het geval zal
zijn met de schichten van den vijand, zullen de dunne koorden wel de
pijlen dragen met een groote keep en zoo zullen de Uwen er overvloedig
van voorzien worden, terwijl Uw tegenstanders er gebrek aan zullen
krijgen. [96]
De raad van Martuccio beviel aan den koning, die een zeer wijs man was
en hij volgde hem geheel op, waardoor hij den slag won. Daardoor steeg
Martuccio hoog in zijn gunst en werd aldus machtig en rijk. Het gerucht
van die dingen ging door het gansche land en het bereikte de ooren van
Gostanza, dat Martuccio Gomito leefde, dien zij langen tijd dood had
gewaand. Hierdoor ontvlamde haar liefde, die reeds in haar hart zeer
was verkoeld, opnieuw en werd grooter en de gedoode hoop herleefde.
Derhalve vertelde zij geheel aan de goede dame, waar zij was, haar lot
en zeide zij, dat zij verlangde naar Tunis te gaan, opdat zij met de
oogen zich verzadigde aan wat de ooren van de ontvangen geruchten haar
hadden doen begeeren. Deze prees haar verlangen zeer en alsof zij haar
moeder was geweest, ging zij met haar op een bark te zamen naar Tunis,
waar zij met Gostanza bij een bloedverwante eervol in huis werd
ontvangen. En daar Carapresa met haar mee was gegaan, gelastte zij die
te vernemen, wat zij van Martuccio kon te weten komen. Toen zij
bevonden had, dat hij leefde en heel voornaam en Carapresa het haar had
gemeld, behaagde het de edelvrouw, dat zij het zou zijn, die aan
Martuccio zou berichten, dat zijn Gostanza voor hem daarheen was
gekomen.
Toen zij op een dag zich begeven had daarheen, waar Martuccio woonde,
zeide zij tot hem: Martuccio, in mijn huis is een dienaar van U van
Lipari gekomen, die U daar in stilte wil spreken en omdat ik het niet
aan anderen wilde toevertrouwen, ben ik, gelijk hij het verlangde, zelf
hier gekomen om het uiteen te zetten. Martuccio bedankte haar en ging
toen naar haar huis. Toen hij het meisje zag, stierf hij haast van
vreugde en daar hij zich niet kon weerhouden, vloog hij haar met open
armen om den hals en omarmde haar en begon uit medelijden over de
vroegere ongevallen en door de blijdschap van het oogenblik zonder een
woord te kunnen spreken, zeer te weenen. Martuccio zag het meisje aan,
bleef eenigzins verwonderd en zei toen zuchtend: O mijn Gostanza, hoe
leef je nog? Het is al lang geleden, dat ik gehoord heb, dat gij dood
waart en ook in ons land wist men niets van U en na die woorden
schreide hij zeer en omarmde en kuste haar. Gostanza vertelde hem al
haar avonturen en de eer, die haar te beurt was gevallen bij de
edelvrouw, waar zij was blijven wonen. Na vele gesprekken nam Martuccio
afscheid van haar, ging naar zijn heer, den koning en vertelde hem
alles, namelijk zijn lotgevallen en die van het meisje en voegde er
bij, dat hij met zijn verlof volgens onze wet haar wilde huwen.
De koning verwonderde zich hierover en ontbood het meisje en nadat hij
van haar had gehoord, dat het zoo was als Martuccio had verteld, zeide
hij: Gij hebt dan Uw man wel verdiend. Hij liet zeer groote en voorname
geschenken komen, gaf een deel aan haar en een deel aan Martuccio en
liet hun de vrijheid met elkaar te doen, wat elk het liefst was.
Martuccio bewees veel eer aan de edelvrouw, waarbij Gostanza had
gewoond, en na haar bedankt te hebben voor wat zij in haar dienst had
gedaan en haar geschenken te hebben gegeven, die haar te pas kwamen en
haar aan God te hebben aanbevolen, ging zij niet zonder veel tranen van
Gostanza heen. Na het verlof des konings bestegen zij een scheepje en
met hen keerde Carapresa naar Lipari terug onder voorspoedigen wind,
waar zulk een groote vreugde heerschte, dat men het nooit zou kunnen
beschrijven. Hier huwde Martuccio haar en maakte een groote en schoone
bruiloft en daarna verheugden zij zich lang te samen door hun liefde in
vreugde en rust.