Cimon wordt verstandig door lief te hebben en schaakt in zee zijn
vrouw Ephigenie. Hij wordt op Rhodes in de gevangenis gezet.
Lysimachos bevrijdt hem en opnieuw rooft hij met hem Ephigenia en
Cassandra, als die bruiloft vieren. Zij vluchten met hen naar Creta
en vervolgens, als zij hun echtgenooten zijn geworden, roept men ze
naar hun huis terug. [93]
Lieve donna’s. Om een zoo blijden dag te beginnen als deze zal zijn,
staan mij vele novellen voor den geest om te verhalen, waarvan er een
mij het meest behaagt, omdat gij daardoor zult kunnen begrijpen, niet
het heugelijke doel, waarvoor wij beginnen te spreken, maar ook hoe
heilig, hoe machtig en hoe weldadig de krachten der Liefde zijn, welke
velen, zonder te weten, wat zij zeggen, zeer ten onrechte veroordeelen
en schandvlekken, wat, indien ik mij niet bedrieg—daar ik geloof, dat
gij verliefd zijt—U zeer aan ’t hart moet gaan.
Aldus, (gelijk wij het al gelezen hebben in de antieke geschiedenissen
der Cyprioten) leefde er op het eiland Cyprus een zeer edel man, die
Aristippos heette, meer dan eenig ander bewoner daarvan zeer rijk aan
alle aardsche goederen en als de fortuin hem niet over een zaak treurig
gemaakt had, had hij meer dan wie ook tevreden kunnen zijn. En dat was
deze, dat hij onder zijn overige zonen er een had, die alle andere
jongelingen in grootheid en schoonheid van lichaam overtrof, maar die
bijna en haast hopeloos idioot was, Galeso genaamd. Maar daar nooit de
lessen van meesters, de vaderlijke liefkozingen of de kastijdingen hem
iets in het hoofd hadden kunnen brengen of hem de minste
welgemanierdheid hadden geleerd en hij daarentegen sterk en grof in de
volkstaal sprak en zijn handelwijzen meer met die van een dier
overeenstemden dan met die van een mensch, werd hij ironisch Cimon
genoemd, wat in hun taal hetzelfde beteekent als in de onze: Groot
Beest. De vader verdroeg zijn verloren bestaan met zwaar verdriet en
reeds was hem alle hoop ontvloden niet steeds de oorzaak van zijn smart
voor zich te zien, toen hij hem gelastte naar een dorp te gaan en en er
bij de landbouwers te blijven. Dit was voor Cimon zeer aangenaam, omdat
hem de gewoonten en de gebruiken dier ruwe menschen beter bevielen dan
die der stedelingen. Toen Cimon zich dan naar het dorp begeven had en
daar zich bezig hield met den veldarbeid, trad hij eens, na den middag,
terwijl hij van het eene veld naar het andere ging met een stok op den
nek, in een boschje, dat zeer schoon was in deze streek en dat, daar
het Meimaand was, geheel was doorlooverd. Hij ging hier doorheen en
alsof de fortuin hem gevoerd had, kwam hij in een kleine weide, omringd
door zeer hooge boomen; in een van de hoeken was een zeer schoone en
koele fontein; ter zijde van deze zag hij op het groene veld een zeer
schoon jong meisje slapen in een zoo licht kleed, dat het haast niets
van het blanke vleesch verborg en alleen van af den gordel naar beneden
bedekt was met een wit en licht gewaad. Aan haar voeten sliepen
eveneens twee vrouwen en een man, haar dienaren.
Toen Cimon haar aanzag, alsof hij nog nooit een vrouwelijke figuur had
aanschouwd, leunde hij op zijn stok en zonder een woord te spreken,
begon hij haar met de grootste bewondering aan te staren. En in zijn
ruwe borst, waar meer dan duizend lessen niet den minsten indruk had
kunnen doen doordringen van een heerlijk genot, voelde hij een aandrang
ontwaken, die hem in zijn botten en groven geest zeide, dat dit jonge
meisje het schoonste was wat ooit door eenig sterveling was aanschouwd.
Dadelijk begon hij in iedere bijzonderheid alle deelen van haar lichaam
te onderzoeken en bewonderde de haren, die hij van goud waande, het
voorhoofd, den neus en den mond, de hals en de armen en vooral den
weinig opwelvenden boezem en van boer opeens schoonheidsrechter
geworden, verlangde hij vurig haar schoone oogen te zien, die zij
gesloten hield in haar diepen slaap en om ze aan te staren had hij
ineens den lust om haar te wekken. Maar daar zij hem schooner scheen
dan ooit eenige vrouw, die hij eertijds had gezien, twijfelde hij er
aan of zij geen godin was en toch had hij wel zooveel gevoel, dat hij
de goddelijke dingen waardiger vond om geëerd te worden dan de
menschelijke en hield zich daarom in, afwachtend tot zij van zelf zou
ontwaken en hoewel het tijdverlies hem te groot scheen, kon hij toch
door het genoten welbehagen niet heengaan. Na een lange poos werd het
meisje wakker, die Ephigenia heette, en vóór dat de anderen ontwaakten;
ze hief het hoofd op, opende de oogen en zag Cimon op zijn stok geleund
voor haar staan, waarover zij zich zeer verwonderde en zeide: Cimon,
wat zoekt gij op dit uur in dit bosch? (Cimon was door zijn manier van
doen en ook door zijn grofheid zoowel als door den adel en den rijkdom
van zijn vader aan iedereen in het land bekend.) Hij antwoordde niets
op de woorden van Ephigenia, maar toen hij haar oogen geopend zag,
begon hij vast daarin te staren en het scheen hem, dat hem daaruit een
zachtheid tegenstraalde, die hem vervulde van een zaligheid nog nooit
door hem gevoeld. Het meisje zag dit en begon te vreezen, dat door haar
zoo star aan te zien, zijn boerschheid hem tot een daad zou drijven,
die haar kon schandvlekken, daarom riep zij haar vrouwen, stond op en
zeide: Cimon, ga met Zeus.
Cimon antwoordde: Ik zal met u gaan. En hoewel het meisje steeds voor
hem bevreesd, zijn gezelschap weigerde, kon zij zich niet van hem
bevrijden, voor hij haar had begeleid tot aan haar huis. Vandaar ging
hij naar de woning van zijn vader en hield vol, dat hij niet meer naar
het dorp wilde terugkeeren, wat zijn vader en de zijnen goed vonden,
hoewel het hem hinderde en zij de reden trachtten te ontdekken, die hem
van besluit had doen veranderen. Zoo was dan het hart van Cimon, waarin
geen enkele les had kunnen binnen dringen, dank zij de schoonheid van
Ephigenia door de pijl van Amor doorboord en in zeer korten tijd door
van de eene gedachte tot de andere op te klimmen verwonderde hij zijn
vader en al de zijnen en elkeen door wat hij begreep. Eerst vroeg hij
zijn vader hem gekleed en getooid te doen gaan gelijk zijn broeders,
wat deze zeer welgemoed deed. Sedert in omgang met begaafde jonge
mannen volgde hij de manieren en de gewoonte der edellieden na en
vooral die der verliefden en leerde niet alleen tot elks verbazing in
zeer korten tijd de eerste letters, maar werd van beteekenis onder de
geleerden. Daarna (en dit alles was de oorzaak der liefde, die hij
Ephigenia toedroeg) legde hij niet alleen de grove en boersche taal af
voor fatsoenlijke en steedsche, maar hij werd een meester in zang en
muziek, in het paard rijden en den wapenhandel zoowel ter zee als te
land en zeer ervaren en dapper. In het kort (opdat ik niet elke
bijzonderheid van zijn deugden hoef te vertellen) eindigde hij nog niet
het vierde jaar van zijn eerste liefde of hij herrees als de aardigste
en de hoffelijkste jonkman en van meer uitnemenden moed dan eenig
ander, die er op Cyprus was. Wat zullen wij, bekoorlijke dames, dan van
Cimon zeggen? Zeker niets anders dan dat de jaloersche fortuin de
groote gaven, die de hemel in zijn dappere ziel had neergelegd,
gebonden had en verborgen in een zeer klein hoekje van zijn hart met de
sterkste banden, welke Amor—machtiger dan deze alle—losmaakte en brak.
Hij als wekker van de ingeslapen geesten, rukte door zijn kracht de
deugden van Cimon uit de wreede schaduwen, die ze verduisterden in het
heldere licht en toonde duidelijk, vanwaar hij de geesten aan hem
onderworpen kan opheffen en waarheen hij ze met zijn stralen leidt.
Hoewel Cimon dan, door Ephigenia te beminnen gelijk verliefde
jongelieden dikwijls doen, in enkele opzichten buitensporigheden
beging, verdroeg Aristippos, deze in aanmerking nemend, dat Amor hem
van een idioot tot een mensch had gemaakt, en bemoedigde hem in het
volgen van al zijn genoegen. Maar Cimon, die weigerde Galeso genoemd te
worden, daar hij zich herinnerde, dat hij zoo door Ephigenia genoemd
was, wilde aan zijn verlangens een eerbaar doel geven en wilde
herhaaldelijk Cypseos, den vader van Ephigenia, verzoeken hem haar tot
vrouw te geven, maar Cypseos antwoordde steeds, dat hij haar toegezegd
had aan Pasimundos, een edel jonkman van Rhodes, wien hij niet te kort
wilde doen. Toen de tijd, vastgesteld voor de bruiloft van Ephigenia,
gekomen was en de echtgenoot haar had laten halen, zeide Cimon in zich
zelf: Nu is het tijd te toonen, o Ephigenia, hoe gij door mij wordt
bemind. Door U ben ik man geworden en indien ik U kan bezitten, twijfel
ik er niet aan roemrijker te worden dan eenig god en ik zal U zeker
krijgen of sterven. Na die woorden riep hij de hulp in van eenige edele
jongelieden, die zijn vrienden waren en na in het geheim een schip te
hebben uitgerust met al wat noodig was voor een zeegevecht, stak hij in
zee, in afwachting van het vaartuig, waarop Ephigenia naar haar
echtgenoot op Rhodes zou worden vervoerd. Ephigenia ging in zee, nadat
haar vader aan de vrienden van haar man alle eer had bewezen en men
begaf zich op weg en richtte den steven naar Rhodes. Cimon, die niet
sliep, volgde het den dag daarna met zijn schip en riep met kracht op
den voorsteven van zijn schip tot hen, die op Ephigenia’s vaartuig
waren: Maak halt, doe de zeilen dalen of reken er op overwonnen te
worden en in zee geworpen. De tegenstanders van Cimon hadden hun wapens
getrokken op de brug en maakten zich ter verdediging gereed, waarop
Cimon na die woorden een ijzeren harpoen nam en die wierp op den
voorsteven van de Rhodiërs, die snel wilden vluchten en dezen met
geweld naar dien van zijn schip trok en verwoed als een leeuw, zonder
door iemand gevolgd te worden, sprong hij daarop of hij ze allen voor
niets rekende. Daar aangespoord door Amor, stortte hij zich met een
wonderbare kracht tusschen de vijanden met een mes in de hand en dan
deze dan gene verwondend, sloeg hij ze neer als schapen. Toen de
Rhodiërs dat zagen, wierpen zij de wapens op het dek en gaven zich
eenstemmig over.
Cimon sprak tot hen: Jonge mannen, noch begeerte naar buit, noch haat,
die ik tegen Ü zou hebben deed mij van Cyprus vertrekken om in volle
zee gewapenderhand U aan te vallen. Wat mij bewoog is voor mij iets te
verkrijgen wat mij zeer dierbaar is en het is voor U gemakkelijk genoeg
om mij dit in vrede toe te staan en dit is Ephigenia, door mij boven
alles bemind, welke ik van haar vader niet krijgen kon als vriend en
goedschiks, zoodat Amor mij dreef die op U kwaadschiks en gewapend te
veroveren. Daarom wil ik voor haar zijn, wat Uw Pasimundos voor haar
moest wezen; geef haar mij en ga met de gunst van Zeus. De jongelieden,
die meer het geweld dan de vrijgevigheid dwong, stonden klagend
Ephigenia aan Cimon af. Hij zag haar schreien en zeide: Edele donna,
wees niet mistroostig, ik ben Uw Cimon, die door langdurige liefde veel
meer verdiend heeft U te bezitten dan Pasimundos door gegeven belofte.
Daarna keerde Cimon zich tot zijn gezellen (nadat hij haar reeds op
zijn schip had doen springen zonder iets anders van de Rhodiërs aan te
raken) en liet hen gaan. Cimon was toen meer dan wie ook tevreden over
den zoo dierbaren verworven buit. Nadat hij eenigen tijd had genomen om
haar, die weende, weer te troosten, overlegde hij met zijn makkers naar
Cyprus terug te keeren. Daarom met gelijke gedachte van allen, richtte
hij den steven van hun schip naar Creta, waar iedereen en het meest
Cimon door oude en nieuwe verbintenissen en door veel vrienden
geloofde, dat men met Ephigenia veiliger zou zijn. Maar de fortuin, die
zeer blijmoedig de verovering van de donna aan Cimon had toegestaan,
niet standvastig, veranderde opeens de onbeschrijfelijke vreugde van
den verliefden jonkman in treurige en bittere klacht.
Er waren nog geen vier uur verloopen, dat Cimon de Rhodiërs had
achtergelaten toen bij het vallen van den nacht, welke Cimon blijder
dan eenigen anderen ooit verwachtte, een zeer bar en stormachtig weer
begon, dat den hemel met wolken vulde en de zee met woedende winden.
Daardoor kon hij niet zien wat hij moest doen of waar hij heen moest
gaan, noch zich op het schip staande houden om eenigen dienst te doen.
Hoe dat aan Cimon verdroot, behoeft men niet te vragen. Het scheen, dat
Zeus hem zijn verlangen had toegestaan om hem van meer teleurstelling
te doen sterven, waarom hij zich eerst als dat niet was gebeurd, weinig
bekommerd zou hebben. Ook zijn metgezellen beklaagden zich, maar vooral
Ephigenia en zij vreesden elke golfslag en in haar geschrei vervloekte
zij ruw de liefde van Cimon en laakte zijn moed en beweerde, dat die
vreeselijke storm door niets anders was ontstaan, dan omdat de goden
niet wilden, dat hij, die tegen hun wil haar tot echtgenoot had
begeerd, van zijn aanmatigend verlangen zou genieten maar dat hij haar
eerst zou zien sterven en daarna zelf ellendig zou omkomen. Bij zulke
klachten en nog meer anderen wisten de zeelieden niet wat te doen en
terwijl de wind steeds sterker werd, wisten of beseften zij niet, waar
zij heen gingen en kwamen nabij het eiland Rhodes, maar zij herkenden
dit niet en deden al hun best om te landen, zoo het mogelijk was ten
einde hun leven te redden. De fortuin was hun daarin gunstig en stond
hen toe te landen in een kleinen zeeboezem, waarin kort voor hen, de
Rhodiërs gekomen waren, die Cimon had verlaten. Zij bemerkten pas, dat
ze op het eiland Rhodes gekomen waren, toen de dageraad aanbrak en de
hemel helderder werd en zij zich ternauwernood op een pijlschot afstand
ontwaarden van het schip den vorigen dag door hen verlaten. Hierover
was Cimon zeer treurig, vreezend, dat gebeuren zou, wat hem ook
werkelijk geschiedde. Hij beval, dat men alle kracht zou aanwenden om
vandaar weg te gaan en dan daarheen, waar de fortuin het behaagde ze
heen te voeren, want het kon op geen andere plaats erger zijn dan daar.
Zij spanden zich zeer in om daar uit te komen, maar vergeefs: de
machtige wind blies in tegengestelde richting, zoodat zij uit de kleine
golf niet weg konden komen, maar of ze wilden of niet, hield die hen
aan het strand vast.
Toen zij het strand bereikten, werden zij door de Rhodische matrozen,
die van hun vaartuig waren afgedaald, herkend. Snel liep er een van hen
naar een dorp, waar in de buurt de edele Rhodische jonge mannen waren
gegaan en vertelde hun, dat toevallig Cimon met Ephigenia op hun schip
evenals zij daar waren aangekomen. Toen die dit hoorden, namen zij zeer
verheugd velen van hun mannen mede en waren spoedig aan zee en Cimon,
die al van zijn vaartuig gestegen, het plan had opgevat in een naburig
woud te vluchten werd met allen en met Ephigenia gevangen genomen en
naar het dorp gebracht. En vandaar, toen Lysimachos van de stad kwam,
in welks nabijheid hij dat jaar de opperrechter der Rhodiërs was,
voerde die met een zeer groot aantal gewapende mannen, Cimon en zijn
makkers allen naar de gevangenis, gelijk Pasimundos, wien het nieuws
bereikte, woedend met den senaat van Rhodes, bevolen had. Zoo verloor
de ellendige en verliefde Cimon zijn Ephigenia pas door hem gewonnen
zonder iets meer van haar te hebben gekregen dan eenige kussen.
Ephigenia werd door vele edele vrouwen van Rhodes ontvangen en
herstelde, zoowel voor de smart geleden door haar schaking als van de
vermoeienis ondergaan op de toornende zee en zij bleef bij hen tot aan
den dag vastgesteld voor haar bruiloft. Aan Cimon en zijn gezellen werd
wegens de edelmoedigheid jegens de Rhodische jongelingen den vorigen
dag betoond, het leven geschonken, wat Pasimundos met al zijn macht hun
wilde ontnemen en zij werden tot levenslange gevangenisstraf
veroordeeld, waarin zij, gelijk men kan denken, in smart achterbleven
en zonder hoop ooit eenig genoegen te hebben.
Maar Pasimundos verhaastte zijn aanstaande bruiloft zooveel hij kon. De
fortuin, of zij berouw had over den onverwachten slag, dien Cimon trof,
bracht een nieuw voorval tot zijn heil teweeg. Pasimundos had een
broeder, minder in jaren maar niet in deugd, die Ormisda heette en die
lang had onderhandeld om als echtgenoote een edel en schoon meisje uit
de stad te krijgen, Cassandra genaamd; dat Lysimachos ten zeerste lief
had, maar het huwelijk was door verschillende gebeurtenissen meermalen
belemmerd. Daar Pasimundos zag, dat hij gedwongen was zijn bruiloft met
een groot feest te vieren, achtte hij het best, om niet meer kosten en
feesten te maken, dat hij zorgde, dat op hetzelfde feest Ormisda en
zijn vrouw huwen zouden. Hij hervatte daartoe de onderhandelingen met
de ouders van Cassandra en met goed gevolg. Hij en zijn broeders
besloten, dat Pasimundos denzelfden dag Ephigenia zou huwen, waarop
Ormisda Cassandra zou trouwen. Lysimachos hoorde dit en het beviel hem
in ’t geheel niet, omdat hij zich van zijn hoop verlaten zag, welke hij
koesterde haar zeker te krijgen als Ormisda haar niet nam. Maar als
verstandig man verborg hij zijn spijt en hij begon te bedenken hoe hij
kon beletten, dat dit gevolg had en hij zag er geen anderen weg op dan
haar te rooven. Dit scheen hem gemakkelijk door het ambt, dat hij
bekleedde maar ook oneerlijker dan wanneer hij dien post niet had
bezet. Maar om kort te gaan na lange overpeinzing week de eerlijkheid
voor de liefde en besliste hij, dat, wat er ook mocht gebeuren, hij
Cassandra zou rooven. En denkend aan de hulp, die hij daarvoor noodig
had en de maatregelen, die hij daarvoor moest nemen, herinnerde hij
zich Cimon, dien hij met zijn makkers gevangen hield en meende geen
beter en geen trouwer metgezel in deze zaak te kunnen hebben dan hem.
Daarom liet hij hem den volgenden nacht heimelijk in zijn kamer komen
en begon hem aldus toe te spreken:
Cimon, gelijk de goden de beste en mildste schenkers van loon zijn voor
de menschen, zoo beproeven zij ook het wijste hun moed en hen, die zij
flink en standvastig vinden in alle omstandigheden, maken zij ook, als
de besten, de grootste belooningen waardig. Zij hebben van Uw moed een
zekerder bewijs gewild dan gij binnen de perken van Uws vaders huis had
kunnen leveren, dien ik als overmatig rijk ken. Eerst hebben zij U door
de heftige aandoeningen der liefde van een redeloos dier, gelijk ik
hoorde, tot mensch willen vormen; daarna hebben zij door harde
tegenspoed en thans met treurige gevangenschap willen zien of uw ziel
zich van wat die was, niet verandert, wanneer gij voor korten tijd de
verlangde prooi had veroverd. Indien die dezelfde is als voorheen,
schonken zij U nooit zulk een vreugde als zij U thans bereiden, wat ik
U wil aantoonen, opdat gij Uw krachten herwint en weer moed vat.
Pasimundos, verheugd over Uw ongeluk en die met aandrang Uw dood heeft
gezocht, verhaast zooveel hij kan het vieren van de bruiloft met Uw
Ephigenia, opdat hij zich dan verblijdt met den buit, welke eerst de
gunstige fortuin U had toegestaan en toen opeens gramstorig U ontnam.
Dit moet U leed doen naar ik zelf weet, indien gij haar zoo lief hebt
als ik geloof; want op denzelfden dag maakt Ormisda, zijn broeder, zich
gereed, om mij een dergelijke hoon aan te doen met Cassandra, die ik
boven alles bemin. Om zooveel smaad en zooveel verdriet van het ongeluk
te ontgaan, zie ik geen anderen weg open dan de kracht van onze zielen
en van onze rechtervuisten, waarin wij het zwaard moeten voeren en
waarmee wij ons ruim baan moeten maken gij voor den tweeden en ik voor
den eersten roof van onze beide vrouwen. Daarom, indien gij wilt—ik wil
niet zeggen de vrijheid, waarom gij, denk ik, zonder Uw vrouw weinig
geeft—dat gij Uw vrouw terug krijgt, hebben de goden, die mij bij mijn
onderneming willen helpen, dit in Uw handen gesteld.
Deze woorden deden al de verloren wilskracht in Cimon terugkeeren en
zonder te veel tijd voor het antwoord te nemen, zeide hij: Lysimachos,
gij kunt geen sterker en trouwer makker in deze zaak hebben, indien er
voor mij uit moet volgen, wat gij zegt en daarom vertel mij, wat U goed
dunkt, dat ik moet doen en gij zult zien, dat het met een
bewonderenswaardige kracht zal gebeuren. Lysimachos antwoordde hem:
Binnen drie dagen zullen de jonge vrouwen het eerst de huizen hunner
mannen betreden, waarin gij gewapend met Uw makkers en ik met de
mijnen, die ik genoeg vertrouw, bij het vallen van den avond zullen
binnentreden en welke wij te midden van de gasten geroofd naar een
schip zullen brengen, dat ik in ’t geheim heb laten gereed maken,
terwijl wij iedereen zullen dooden, die zich vermeet ons weerstand te
bieden. Dit plan beviel aan Cimon en stil begaf hij zich tot den
bepaalden tijd naar de gevangenis. Toen de dag van de bruiloft kwam,
was de staatsie groot en prachtig en elk deel van het huis was vol van
het vroolijke feest.
Lysimachus, die alles gereed had gemaakt, vereenigde Cimon en zijn
makkers met zijn eigen vrienden en hij verdeelde ze, toen het oogenblik
hem gekomen scheen, in drie groepen alle met wapens onder hun kleederen
na ze met woorden ten gunste van zijn onderneming te hebben
aangespoord. Een groep werd zonder gedruisch naar de haven gezonden,
opdat niemand ze zou beletten het schip te bestijgen, wanneer het
noodig zou zijn. Met de andere twee ging hij naar het huis van
Pasimundos, waar hij aangekomen er een bij de deur liet, opdat niemand
hem er kon insluiten of hem den aftocht belemmeren en met de derde
beklom hij den trap gevolgd door Cimon. In de zaal gekomen, waar de
jonge bruiden aan tafel waren gezeten om te eten met een groot aantal
andere dames, wierpen zij zich vooruit, smeten de tafels omver en nadat
elk van hun zijn vrouw genomen had en in handen had gesteld van zijn
makkers, gaven zij order ze dadelijk naar het schip te leiden, gereed
om hen te ontvangen. De jonge vrouwen begonnen te huilen en te
schreeuwen, evenals de anderen en de dienaren en opeens was het huis
vol rumoer en geklaag. Maar Cimon en Lysimachus, die hun zwaarden
hadden getrokken en alles op hun weg verjoegen, richtten zich naar de
trappen; zij daalden ze af, tot ze Pasimundos ontmoetten, die met een
grooten stok in de hand op het leven afkwam: Cimon sloeg hem woedend op
het hoofd, kloofde hem den schedel en deed hem dood aan zijn voeten
neerstorten. Toen de ongelukkige Ormisda tot zijn hulp aansnelde, werd
hij eveneens door de slagen van Cimon gedood en alle anderen, die
wilden naderen, werden gekwetst en achteruit geworpen door de makkers
van Lysimachos en Cimon. Zij lieten het huis achter vol bloed, vol
tumult, tranen en droefenis en in een dichte groep bereikten zij te
zamen met hun prooi het schip. Hierop zetten zij de vrouwen neer en
klommen er zelf op met hun gezellen, toen het strand al vol gewapend
volk was, dat tot bevrijding van de vrouwen aankwam. Zij staken de
riemen in het water en gingen verheugd over hun bedrijven heen. Op
Creta gekomen werden zij door vele vrienden en verwanten blijde
ontvangen, huwden de vrouwen en na een groot feest genoten zij gelukkig
van hun roof. Op Cyprus en Rhodes was het rumoer en de stoornis groot
en lang door hun daad. Ten slotte nadat hun vrienden en verwanten op
het eene en het ander eiland als bemiddelaars waren opgetreden, vonden
die een uitweg, zoodat na eenigen tijd van ballingschap Cimon met
Ephigenia gelukkig naar Cyprus terugkeerde en Lysimachus ook met
Cassandra naar Rhodes en elk leefde langen tijd met zijn vrouw gelukkig
in zijn land.