DERDE VERTELLING.

Pietro Boccamazza vlucht met Agnolella. Hij ontmoet dieven; het

meisje vlucht door een woud en komt bij een burcht. Pietro wordt

gevangen genomen en ontsnapt aan de dieven. Na eenige avonturen

komt hij in het kasteel, waar Agnolella is, huwt haar en keert naar

Rome terug.

Er was niemand onder hen, die de geschiedenis van Emilia niet prees en

de koningin, die bemerkte, dat zij geëindigd had, keerde zich naar

Elisa en beval haar voort te gaan. Deze, verlangend te gehoorzamen,

begon: Genadige donna’s. Ik herinner mij een boozen nacht, die twee

onvoorzichtige jongelieden doorbrachten, maar omdat daarop vele blijde

dagen volgden en dit daarom met ons voorschrift overeen komt, behaagt

het mij U dit te vertellen.

Te Rome, dat vroeger de kop der wereld was, maar thans de staart [97]

er van is, leefde voor kort een jonkman Pietro Boccamazza van een

aanzienlijk geslacht onder de romeinsche families en die verliefd werd

op een zeer schoon en zeer begeerenswaardig jong meisje Agnolella, de

dochter van een zekeren Gigliuozzo Saullo, een plebejer, maar zeer bij

de Romeinen bemind. En daar hij haar liefhad, wist hij zoo te werk te

gaan, dat het meisje van hem niet minder begon te houden dan hij van

haar. Pietro door een heftig lijden gedreven, veroorzaakt door

verlangen naar haar, vroeg haar tot vrouw. Zoodra zijn verwanten dit

vernamen, gingen zij allen, naar hem toe en laakten zeer, wat hij doen

wilde en anderzijds deden zij aan Gigliuozzo Saullo weten, dat hij geen

acht zou slaan op Pietro’s woorden, omdat, zoo hij het deed, hij ze

nooit tot vriend noch tot familie zou hebben. Toen Pietro zich den weg

zag afgesneden, langs welken hij alleen meende zijn begeerte te kunnen

bevredigen, was hij op het punt te sterven van verdriet en indien

Gigliuozzo had toegestemd, had hij tegen het genoegen van elken

bloedverwant, dien deze had, zijn dochter tot vrouw genomen. Maar toch

nam hij zich bepaald voor, indien dit het meisje aanstond, te zorgen,

dat het gevolg zou hebben en door de tusschenkomst van een welwillend

persoon sprak hij met haar af met haar uit Rome te vluchten. Toen dit

geregeld was, stond Pietro op een morgen zeer vroeg op, steeg met haar

samen te paard en zij sloegen den weg in naar Alagna [98], waar Pietro

zekere vrienden had, waarin hij veel vertrouwen stelde. Aldus te paard

gezeten hadden zij geen tijd hun liefkoozingen voort te zetten, omdat

zij vreesden vervolgd te worden, begonnen over hun minnarijen te

spreken en kusten elkaar van tijd tot tijd. Daar Pietro den weg niet

goed kende, namen zij, toen zij op acht mijl misschien van Rome

verwijderd waren en zij rechts moesten houden, den weg links. Zij waren

nog geen twee mijlen verder gereden of zij bevonden zich in de

nabijheid van een klein kasteel, waaruit, daar zij er gezien waren,

dadelijk twaalf knechten te voorschijn kwamen en toen zij al dicht bij

hen waren, ontwaarde het meisje hen en zeide daarom schreeuwend:

Pietro, laat ons vluchten, want wij worden aangevallen en zoodra hij

het merkte, richtte hij het paard naar een zeer groot woud en de sporen

strak aan het lijf houdend, hield zij zich aan den haarkam vast. Het

paard, dat zich voelde aanzetten, droeg haar galoppeerend door het woud

weg. Pietro, die meer op haar lette dan op den weg, had niet zoo snel

als zij de manschappen bemerkt en terwijl hij nog keek zonder te

begrijpen, vanwaar zij gekomen waren, werd hij door hen achterhaald,

gevangen genomen en gedwongen van het paard te stijgen. Zij vroegen

hem, wie hij was en toen hij dit gezegd had, begonnen zij onder elkaar

raad te houden en te zeggen: Hij behoort tot de vrienden van onze

vijanden; wat moeten wij anders doen dan hem de kleeren afnemen en het

paard en hem ten spijt van de Orsini’s aan een van deze eiken ophangen?

Zij werden het daar allen over eens en bevalen aan Pietro zich uit te

kleeden. Terwijl hij dit deed en hij zijn treurig lot al vermoedde,

kwam op eens uit een hinderlaag een troep van vijfentwintig man te

voorschijn en schreeuwde achter hen: Dood aan hen, dood aan hen! Dezen

door de anderen verrast, lieten Pietro staan en wendden zich om ter

verdediging, maar toen zij zagen veel minder in aantal te zijn dan hun

aanvallers, begonnen zij te vluchten en de anderen hen te vervolgen.

Toen Pietro dit zag, nam hij zijn goed bijeen, sprong op zijn paard en

begon zoo hard hij kon te vluchten langs den weg, waarlangs hij het

meisje had zien vlieden. Maar daar hij door het woud pad noch straatweg

zag noch een spoor van een paard, scheen het hem daarna veiliger zoowel

buiten de macht van hen, die hem hadden gevangen genomen als ook buiten

die der anderen, welke hadden aangevallen, te zijn. En daar hij zijn

meisje niet terug vond, begon hij bedroefder dan eenig ander man te

schreien en links en rechts door het woud gaande haar te roepen, maar

niemand antwoordde hem en hij durfde niet terug keeren en voorwaarts

gaande wist hij niet, waar hij zou aankomen.

Van den anderen kant had hij groote angst voor de wilde dieren, die

gewoonlijk in de bosschen huizen en voor zijn meisje, dat misschien al

verslonden was door een beer of door een wolf. De ongelukkige Pietro

liep toen den ganschen dag door het woud te schreeuwen en te roepen en

kwam dikwijls op zijn schreden terug, als hij meende voorwaarts te gaan

en eindelijk door het schreeuwen en klagen en den angst en het lange

vasten was hij zoo vermoeid, dat hij niet meer voorwaarts kon. Toen hij

den nacht zag aanbreken en hij zich geen anderen raad wist te

verschaffen, vond hij een grooten eik, steeg van het paard, dat hij er

aan vast bond en daarna om niet door de wilde dieren gedurende den

nacht te worden verscheurd, klom hij er in. Kort daarna ging de maan op

en het weer werd zeer helder. Hoewel hij den moed niet had in te

slapen, daar hij bang was te vallen, was hij ook niet op zijn gemak,

omdat de smart en de gedachten aan het jonge meisje hem geen rust

lieten. Hij waakte zuchtend en klagend en vervloekte zijn lot.

Het vluchtende meisje, gelijk wij vroeger al zeiden, wist niet waar

heen te gaan tenzij daarheen, waar haar paard haar naar toe scheen te

dragen en zij begaf zich zoo diep in het woud, dat zij de plaats niet

meer kon vinden, vanwaar zij er binnen was gekomen. Aldus dwaalde zij

evenals Pietro den ganschen dag dan weer halt houdend dan weer

voortgaande en klagend en roepend en treurend over haar ongeluk door

het bosch. Eindelijk ziende, dat Pietro niet kwam en dat het reeds

avond was, sloeg zij een klein pad in. Toen zij iets meer dan twee

mijlen gereden had, zag zij van verre een huisje, waar zij, zoo gauw

zij kon, heenging en daar vond zij een bejaard, goed man met zijn

vrouw, die ook al oud was. Zij zagen haar alleen en zeiden: O kind, wat

doet gij op dit uur zoo alleen in deze streek? Het treurende meisje

zeide, dat zij haar gezelschap in het woud verloren had en vroeg, hoe

dicht zij bij Alagna was, waarop de goede man antwoordde: Mijn dochter,

dat is geen weg om naar Alagna te gaan; dat is meer dan twaalf mijlen

afstand. Het meisje ging voort: En zijn er dan hier woningen om te

overnachten? Hierop antwoordde de goede man: Meisje, het zal mij

aangenaam zijn, als gij dezen avond bij ons blijft, maar wij willen U

in ieder geval er aan herinneren, dat door deze streken bij dag als

nacht, zoowel bevriende als vijandige troepen gaan, welke U

herhaaldelijk groot leed en groote schade kunnen doen en indien bij

ongeluk, terwijl gij er zoudt zijn, er een langs kwam en U zou zien

mooi en jong als gij zijt, zouden zij U last en schande aandoen en wij

zouden U niet kunnen helpen. Wij willen U dit zeggen, opdat gij, indien

dit gebeurde, het ons niet kunt verwijten. Het meisje ziende, dat het

al laat was, terwijl de woorden van den oude haar nog meer ontstelden,

zeide: Als het God mag behagen, zal Hij U en mij dit verdriet besparen;

als het mij zou overkomen, zou het veel minder zijn door mannen te

worden aangerand dan in de bosschen door de wilde dieren te worden

verslonden. Bij die woorden steeg zij van haar paard, trad in de hut

van den armen man en avondmaalde daar met wat zij hadden, povertjes en

wierp zich daarna geheel gekleed met hen samen in een bed en hield dien

heelen nacht niet op te zuchten en haar ongeluk te beklagen en dat van

Pietri, waarvan zij niets anders dan kwaad verwachtte. Toen de morgen

al nabij was, hoorde zij een groot rumoer van menschen naderen,

hierdoor stond zij op, ging op een groote plaats, die achter het kleine

hutje was en zag daar een grooten hoop hooi, waarin zij zich verborg om

niet zoo spoedig, indien die daar heen kwamen, gezien te worden.

Ternauwernood had zij dit gedaan of zij, die een grooten troep

bandieten vormden, kwamen bij de deur van de kleine hut, lieten zich

open doen, traden binnen, zagen het paard van het meisje, dat zijn

zadel nog op had en vroegen wie daar was. De goede man, die het meisje

niet zag, zeide: Er is hier niemand dan wij, maar dat paard, van wien

het ook is, kwam hier gisteravond en wij hebben het doen binnen komen

om niet door de wolven te worden verscheurd. Dan, zei het hoofd van de

bende, zal het goed voor ons zijn, omdat het geen ander heer heeft.

Nadat zij zich allen door het boschje hadden verspreid, ging een deel

van hen naar de binnenplaats en daar zij hun lansen en hun houten

schilden neerlegden, stak een van hen zijn spies, niet wetend wat te

doen, in het hooi en het scheelde maar weinig of hij doodde het jonge

meisje, dat daarin verborgen was en dat hij haast gedwongen had zich te

vertoonen, omdat de lans zoo dicht langs haar linkerborst ging, dat het

ijzer haar kleeren scheurde en zij bijna een grooten gil had gegeven

uit angst gewond te worden, maar zich de plaats herinnerend, waar zij

was, hernam zij al haar koelbloedigheid en hield zich stil.

De mannen van de bende braadden hun geiten- en ander vleesch aten en

dronken, gingen deze hier-, gene daarheen naar hun bezigheden en namen

het paard van het meisje mede. Toen zij al op eenigen afstand waren,

vroeg de goede man de vrouw: Waar was ons meisje, dat gisteravond hier

aankwam? Ik heb haar niet gezien, sinds wij opstonden. De goede vrouw

antwoordde, dat zij het niet wist en ging kijken. Toen het meisje

bemerkte, dat de roovers vertrokken waren, kwam zij uit het hooi te

voorschijn, waarmee de goede man zeer vergenoegd was, omdat hij zag,

dat zij niet in hun handen was gevallen en daar het al dag werd, zeide

hij: Nu het morgen wordt, zullen wij, als gij wilt, U vergezellen tot

een kasteel, hier vijf mijlen vandaan en dan zult gij op een veilige

plaats zijn, maar gij zult er te voet moeten heengaan, omdat die

schelmentroep, toen ze hier wegging, Uw paard met zich mede heeft

gevoerd. Het jonge meisje, op dat punt gerust gesteld, bad hem bij God

haar naar dit kasteel te leiden; daarna gingen zij op weg en kwamen er

op de helft van het derde uur aan. Het kasteel behoorde aan een der

Orsini’s, die zich Liello di Campo di Fiore noemde en toevallig hield

zich daar zijn vrouw op, die zeer goed en heilig was. Toen zij het

meisje zag, herkende zij het spoedig ontving het met vreugde en wilde

alles nauwkeurig weten. Het meisje vertelde dit. De donna, die ook

Pietro kende, daar deze een vriend van haar man was, werd zeer treurig

over het geval en hoorend, waar hij was gevangen genomen, meende zij,

dat hij dood was; zij zeide dan tot het meisje: Daar gij niet weet, wat

er van Pietro geworden is, zult gij bij mij blijven, totdat ik in staat

zal zijn U zonder gevaar naar Rome terug te zenden.

Pietro op den eik gezeten, zoo treurig als hij maar kon wezen, zag op

het uur van den eersten slaap een kudde van wel twintig wolven komen,

welke allen, zoodra zij het paard zagen, daarom een kring vormden. Het

paard werd ze gewaar, hief het hoofd op, brak de teugels en wilde

vluchten, maar daar het omsingeld was en niet weg kon, verdedigde het

zich langen tijd met zijn tanden en zijn hoeven; eindelijk door hen ter

aarde gelegd, werd het in stukken gescheurd en dit dadelijk de

ingewanden uit het lijf gehaald en allen aten er van zonder iets anders

over te laten dan het rif en gingen weg. Pietro, die hoopte in het

paard een makker te hebben en een steun in zijn vermoeienissen, was

heel neerslachtig en meende nooit weer uit dat woud te komen. Terwijl

het al haast dag was, en hij bijna van koude op den boom stierf en

steeds rond keek, zag hij op een mijl misschien voor zich uit een groot

vuur. Toen het geheel dag werd, klom hij niet zonder vrees uit dien

eik, begaf zich daarheen en ging zoover, tot hij het bereikte. Rondom

dat vuur vond hij herders, die aten en zich vermaakten en hij werd uit

medelijden door hen opgenomen. Nadat hij gegeten en zich verwarmd had,

hun zijn ongeluk had verhaald en hoe hij daarheen was gekomen, vroeg

hij hen of er daar ergens een dorp of kasteel was, waar hij heen kon

gaan. De herders zeiden, dat daar misschien op drie mijl afstand een

kasteel stond van Liello di Campo Fiore, waarin ook toen zijn donna

zich bevond. Pietro hierover zeer vergenoegd verzocht hun, dat een van

dezen hem naar het kasteel zou vergezellen, wat twee er van gaarne

deden. Toen Pietro daar aankwam en zag, dat hij bij bekenden was, vroeg

hij het jonge meisje te laten zoeken in het woud, waar de donna hem

liet roepen; hij ging dadelijk naar haar toe; en daar hij Agnolella

naast haar zag, was hij verheugd als nooit te voren. Hij verging van

verlangen haar te omhelzen, maar uit verlegenheid, die hij had

tegenover de donna van het kasteel, liet hij het na. En zoo hij blijde

was, was de vreugde van het meisje niet geringer. De edelvrouw berispte

hem zeer, toen hij na de ontvangst alles verteld had en zij hoorde, wat

hem gebeurd was, omdat hij tegen den wil van zijn ouders zijn zin had

gevolgd. Maar toen zij zag, dat hij toch niet anders gestemd werd en

dat hij aan het meisje behaagde, zeide zij: Waarom zal ik mij moe

maken? Zij houden van elkaar; zij kennen elkaar; elk is evenzeer

bevriend met mijn man en hun verlangen is eerlijk en ik geloof, dat dit

aan God behaagt, omdat de een aan de galg ontsnapt is en de andere aan

de lans en beide aan de wilde dieren des wouds en laat het daarom maar

gebeuren. En zich tot hen wendend zeide zij: Indien het u dan toch

behaagt man en vrouw te worden,—en ook mij staat dit aan—doe het dan

maar en hier zal bruiloft gevierd worden op kosten van Liello. Ik zal

den vrede weten te stichten tusschen U en Uw ouders. Pietro was zeer

blijde en Agnolella nog meer. Zij huwden toen en zoover dat in het

bergland mogelijk was, bereidde de edelvrouw het bruiloftsfeest voor en

daar genoten zij de eerste vruchten hunner allerzoetste liefde. Een

paar dagen daarna steeg de donna met hen samen te paard en keerden zij

onder goed geleide naar Rome terug, waar Pietro zijn ouders zeer

vertoornd vond over wat hij had gedaan, maar weer tot een verzoening

met hen geraakte. En hij leefde in groote rust en genoegen met zijn

Agnolella tot in zijn ouderdom.

De Decamerone van Boccaccio · 第 50 / 116 题