Pietro Boccamazza vlucht met Agnolella. Hij ontmoet dieven; het
meisje vlucht door een woud en komt bij een burcht. Pietro wordt
gevangen genomen en ontsnapt aan de dieven. Na eenige avonturen
komt hij in het kasteel, waar Agnolella is, huwt haar en keert naar
Rome terug.
Er was niemand onder hen, die de geschiedenis van Emilia niet prees en
de koningin, die bemerkte, dat zij geëindigd had, keerde zich naar
Elisa en beval haar voort te gaan. Deze, verlangend te gehoorzamen,
begon: Genadige donna’s. Ik herinner mij een boozen nacht, die twee
onvoorzichtige jongelieden doorbrachten, maar omdat daarop vele blijde
dagen volgden en dit daarom met ons voorschrift overeen komt, behaagt
het mij U dit te vertellen.
Te Rome, dat vroeger de kop der wereld was, maar thans de staart [97]
er van is, leefde voor kort een jonkman Pietro Boccamazza van een
aanzienlijk geslacht onder de romeinsche families en die verliefd werd
op een zeer schoon en zeer begeerenswaardig jong meisje Agnolella, de
dochter van een zekeren Gigliuozzo Saullo, een plebejer, maar zeer bij
de Romeinen bemind. En daar hij haar liefhad, wist hij zoo te werk te
gaan, dat het meisje van hem niet minder begon te houden dan hij van
haar. Pietro door een heftig lijden gedreven, veroorzaakt door
verlangen naar haar, vroeg haar tot vrouw. Zoodra zijn verwanten dit
vernamen, gingen zij allen, naar hem toe en laakten zeer, wat hij doen
wilde en anderzijds deden zij aan Gigliuozzo Saullo weten, dat hij geen
acht zou slaan op Pietro’s woorden, omdat, zoo hij het deed, hij ze
nooit tot vriend noch tot familie zou hebben. Toen Pietro zich den weg
zag afgesneden, langs welken hij alleen meende zijn begeerte te kunnen
bevredigen, was hij op het punt te sterven van verdriet en indien
Gigliuozzo had toegestemd, had hij tegen het genoegen van elken
bloedverwant, dien deze had, zijn dochter tot vrouw genomen. Maar toch
nam hij zich bepaald voor, indien dit het meisje aanstond, te zorgen,
dat het gevolg zou hebben en door de tusschenkomst van een welwillend
persoon sprak hij met haar af met haar uit Rome te vluchten. Toen dit
geregeld was, stond Pietro op een morgen zeer vroeg op, steeg met haar
samen te paard en zij sloegen den weg in naar Alagna [98], waar Pietro
zekere vrienden had, waarin hij veel vertrouwen stelde. Aldus te paard
gezeten hadden zij geen tijd hun liefkoozingen voort te zetten, omdat
zij vreesden vervolgd te worden, begonnen over hun minnarijen te
spreken en kusten elkaar van tijd tot tijd. Daar Pietro den weg niet
goed kende, namen zij, toen zij op acht mijl misschien van Rome
verwijderd waren en zij rechts moesten houden, den weg links. Zij waren
nog geen twee mijlen verder gereden of zij bevonden zich in de
nabijheid van een klein kasteel, waaruit, daar zij er gezien waren,
dadelijk twaalf knechten te voorschijn kwamen en toen zij al dicht bij
hen waren, ontwaarde het meisje hen en zeide daarom schreeuwend:
Pietro, laat ons vluchten, want wij worden aangevallen en zoodra hij
het merkte, richtte hij het paard naar een zeer groot woud en de sporen
strak aan het lijf houdend, hield zij zich aan den haarkam vast. Het
paard, dat zich voelde aanzetten, droeg haar galoppeerend door het woud
weg. Pietro, die meer op haar lette dan op den weg, had niet zoo snel
als zij de manschappen bemerkt en terwijl hij nog keek zonder te
begrijpen, vanwaar zij gekomen waren, werd hij door hen achterhaald,
gevangen genomen en gedwongen van het paard te stijgen. Zij vroegen
hem, wie hij was en toen hij dit gezegd had, begonnen zij onder elkaar
raad te houden en te zeggen: Hij behoort tot de vrienden van onze
vijanden; wat moeten wij anders doen dan hem de kleeren afnemen en het
paard en hem ten spijt van de Orsini’s aan een van deze eiken ophangen?
Zij werden het daar allen over eens en bevalen aan Pietro zich uit te
kleeden. Terwijl hij dit deed en hij zijn treurig lot al vermoedde,
kwam op eens uit een hinderlaag een troep van vijfentwintig man te
voorschijn en schreeuwde achter hen: Dood aan hen, dood aan hen! Dezen
door de anderen verrast, lieten Pietro staan en wendden zich om ter
verdediging, maar toen zij zagen veel minder in aantal te zijn dan hun
aanvallers, begonnen zij te vluchten en de anderen hen te vervolgen.
Toen Pietro dit zag, nam hij zijn goed bijeen, sprong op zijn paard en
begon zoo hard hij kon te vluchten langs den weg, waarlangs hij het
meisje had zien vlieden. Maar daar hij door het woud pad noch straatweg
zag noch een spoor van een paard, scheen het hem daarna veiliger zoowel
buiten de macht van hen, die hem hadden gevangen genomen als ook buiten
die der anderen, welke hadden aangevallen, te zijn. En daar hij zijn
meisje niet terug vond, begon hij bedroefder dan eenig ander man te
schreien en links en rechts door het woud gaande haar te roepen, maar
niemand antwoordde hem en hij durfde niet terug keeren en voorwaarts
gaande wist hij niet, waar hij zou aankomen.
Van den anderen kant had hij groote angst voor de wilde dieren, die
gewoonlijk in de bosschen huizen en voor zijn meisje, dat misschien al
verslonden was door een beer of door een wolf. De ongelukkige Pietro
liep toen den ganschen dag door het woud te schreeuwen en te roepen en
kwam dikwijls op zijn schreden terug, als hij meende voorwaarts te gaan
en eindelijk door het schreeuwen en klagen en den angst en het lange
vasten was hij zoo vermoeid, dat hij niet meer voorwaarts kon. Toen hij
den nacht zag aanbreken en hij zich geen anderen raad wist te
verschaffen, vond hij een grooten eik, steeg van het paard, dat hij er
aan vast bond en daarna om niet door de wilde dieren gedurende den
nacht te worden verscheurd, klom hij er in. Kort daarna ging de maan op
en het weer werd zeer helder. Hoewel hij den moed niet had in te
slapen, daar hij bang was te vallen, was hij ook niet op zijn gemak,
omdat de smart en de gedachten aan het jonge meisje hem geen rust
lieten. Hij waakte zuchtend en klagend en vervloekte zijn lot.
Het vluchtende meisje, gelijk wij vroeger al zeiden, wist niet waar
heen te gaan tenzij daarheen, waar haar paard haar naar toe scheen te
dragen en zij begaf zich zoo diep in het woud, dat zij de plaats niet
meer kon vinden, vanwaar zij er binnen was gekomen. Aldus dwaalde zij
evenals Pietro den ganschen dag dan weer halt houdend dan weer
voortgaande en klagend en roepend en treurend over haar ongeluk door
het bosch. Eindelijk ziende, dat Pietro niet kwam en dat het reeds
avond was, sloeg zij een klein pad in. Toen zij iets meer dan twee
mijlen gereden had, zag zij van verre een huisje, waar zij, zoo gauw
zij kon, heenging en daar vond zij een bejaard, goed man met zijn
vrouw, die ook al oud was. Zij zagen haar alleen en zeiden: O kind, wat
doet gij op dit uur zoo alleen in deze streek? Het treurende meisje
zeide, dat zij haar gezelschap in het woud verloren had en vroeg, hoe
dicht zij bij Alagna was, waarop de goede man antwoordde: Mijn dochter,
dat is geen weg om naar Alagna te gaan; dat is meer dan twaalf mijlen
afstand. Het meisje ging voort: En zijn er dan hier woningen om te
overnachten? Hierop antwoordde de goede man: Meisje, het zal mij
aangenaam zijn, als gij dezen avond bij ons blijft, maar wij willen U
in ieder geval er aan herinneren, dat door deze streken bij dag als
nacht, zoowel bevriende als vijandige troepen gaan, welke U
herhaaldelijk groot leed en groote schade kunnen doen en indien bij
ongeluk, terwijl gij er zoudt zijn, er een langs kwam en U zou zien
mooi en jong als gij zijt, zouden zij U last en schande aandoen en wij
zouden U niet kunnen helpen. Wij willen U dit zeggen, opdat gij, indien
dit gebeurde, het ons niet kunt verwijten. Het meisje ziende, dat het
al laat was, terwijl de woorden van den oude haar nog meer ontstelden,
zeide: Als het God mag behagen, zal Hij U en mij dit verdriet besparen;
als het mij zou overkomen, zou het veel minder zijn door mannen te
worden aangerand dan in de bosschen door de wilde dieren te worden
verslonden. Bij die woorden steeg zij van haar paard, trad in de hut
van den armen man en avondmaalde daar met wat zij hadden, povertjes en
wierp zich daarna geheel gekleed met hen samen in een bed en hield dien
heelen nacht niet op te zuchten en haar ongeluk te beklagen en dat van
Pietri, waarvan zij niets anders dan kwaad verwachtte. Toen de morgen
al nabij was, hoorde zij een groot rumoer van menschen naderen,
hierdoor stond zij op, ging op een groote plaats, die achter het kleine
hutje was en zag daar een grooten hoop hooi, waarin zij zich verborg om
niet zoo spoedig, indien die daar heen kwamen, gezien te worden.
Ternauwernood had zij dit gedaan of zij, die een grooten troep
bandieten vormden, kwamen bij de deur van de kleine hut, lieten zich
open doen, traden binnen, zagen het paard van het meisje, dat zijn
zadel nog op had en vroegen wie daar was. De goede man, die het meisje
niet zag, zeide: Er is hier niemand dan wij, maar dat paard, van wien
het ook is, kwam hier gisteravond en wij hebben het doen binnen komen
om niet door de wolven te worden verscheurd. Dan, zei het hoofd van de
bende, zal het goed voor ons zijn, omdat het geen ander heer heeft.
Nadat zij zich allen door het boschje hadden verspreid, ging een deel
van hen naar de binnenplaats en daar zij hun lansen en hun houten
schilden neerlegden, stak een van hen zijn spies, niet wetend wat te
doen, in het hooi en het scheelde maar weinig of hij doodde het jonge
meisje, dat daarin verborgen was en dat hij haast gedwongen had zich te
vertoonen, omdat de lans zoo dicht langs haar linkerborst ging, dat het
ijzer haar kleeren scheurde en zij bijna een grooten gil had gegeven
uit angst gewond te worden, maar zich de plaats herinnerend, waar zij
was, hernam zij al haar koelbloedigheid en hield zich stil.
De mannen van de bende braadden hun geiten- en ander vleesch aten en
dronken, gingen deze hier-, gene daarheen naar hun bezigheden en namen
het paard van het meisje mede. Toen zij al op eenigen afstand waren,
vroeg de goede man de vrouw: Waar was ons meisje, dat gisteravond hier
aankwam? Ik heb haar niet gezien, sinds wij opstonden. De goede vrouw
antwoordde, dat zij het niet wist en ging kijken. Toen het meisje
bemerkte, dat de roovers vertrokken waren, kwam zij uit het hooi te
voorschijn, waarmee de goede man zeer vergenoegd was, omdat hij zag,
dat zij niet in hun handen was gevallen en daar het al dag werd, zeide
hij: Nu het morgen wordt, zullen wij, als gij wilt, U vergezellen tot
een kasteel, hier vijf mijlen vandaan en dan zult gij op een veilige
plaats zijn, maar gij zult er te voet moeten heengaan, omdat die
schelmentroep, toen ze hier wegging, Uw paard met zich mede heeft
gevoerd. Het jonge meisje, op dat punt gerust gesteld, bad hem bij God
haar naar dit kasteel te leiden; daarna gingen zij op weg en kwamen er
op de helft van het derde uur aan. Het kasteel behoorde aan een der
Orsini’s, die zich Liello di Campo di Fiore noemde en toevallig hield
zich daar zijn vrouw op, die zeer goed en heilig was. Toen zij het
meisje zag, herkende zij het spoedig ontving het met vreugde en wilde
alles nauwkeurig weten. Het meisje vertelde dit. De donna, die ook
Pietro kende, daar deze een vriend van haar man was, werd zeer treurig
over het geval en hoorend, waar hij was gevangen genomen, meende zij,
dat hij dood was; zij zeide dan tot het meisje: Daar gij niet weet, wat
er van Pietro geworden is, zult gij bij mij blijven, totdat ik in staat
zal zijn U zonder gevaar naar Rome terug te zenden.
Pietro op den eik gezeten, zoo treurig als hij maar kon wezen, zag op
het uur van den eersten slaap een kudde van wel twintig wolven komen,
welke allen, zoodra zij het paard zagen, daarom een kring vormden. Het
paard werd ze gewaar, hief het hoofd op, brak de teugels en wilde
vluchten, maar daar het omsingeld was en niet weg kon, verdedigde het
zich langen tijd met zijn tanden en zijn hoeven; eindelijk door hen ter
aarde gelegd, werd het in stukken gescheurd en dit dadelijk de
ingewanden uit het lijf gehaald en allen aten er van zonder iets anders
over te laten dan het rif en gingen weg. Pietro, die hoopte in het
paard een makker te hebben en een steun in zijn vermoeienissen, was
heel neerslachtig en meende nooit weer uit dat woud te komen. Terwijl
het al haast dag was, en hij bijna van koude op den boom stierf en
steeds rond keek, zag hij op een mijl misschien voor zich uit een groot
vuur. Toen het geheel dag werd, klom hij niet zonder vrees uit dien
eik, begaf zich daarheen en ging zoover, tot hij het bereikte. Rondom
dat vuur vond hij herders, die aten en zich vermaakten en hij werd uit
medelijden door hen opgenomen. Nadat hij gegeten en zich verwarmd had,
hun zijn ongeluk had verhaald en hoe hij daarheen was gekomen, vroeg
hij hen of er daar ergens een dorp of kasteel was, waar hij heen kon
gaan. De herders zeiden, dat daar misschien op drie mijl afstand een
kasteel stond van Liello di Campo Fiore, waarin ook toen zijn donna
zich bevond. Pietro hierover zeer vergenoegd verzocht hun, dat een van
dezen hem naar het kasteel zou vergezellen, wat twee er van gaarne
deden. Toen Pietro daar aankwam en zag, dat hij bij bekenden was, vroeg
hij het jonge meisje te laten zoeken in het woud, waar de donna hem
liet roepen; hij ging dadelijk naar haar toe; en daar hij Agnolella
naast haar zag, was hij verheugd als nooit te voren. Hij verging van
verlangen haar te omhelzen, maar uit verlegenheid, die hij had
tegenover de donna van het kasteel, liet hij het na. En zoo hij blijde
was, was de vreugde van het meisje niet geringer. De edelvrouw berispte
hem zeer, toen hij na de ontvangst alles verteld had en zij hoorde, wat
hem gebeurd was, omdat hij tegen den wil van zijn ouders zijn zin had
gevolgd. Maar toen zij zag, dat hij toch niet anders gestemd werd en
dat hij aan het meisje behaagde, zeide zij: Waarom zal ik mij moe
maken? Zij houden van elkaar; zij kennen elkaar; elk is evenzeer
bevriend met mijn man en hun verlangen is eerlijk en ik geloof, dat dit
aan God behaagt, omdat de een aan de galg ontsnapt is en de andere aan
de lans en beide aan de wilde dieren des wouds en laat het daarom maar
gebeuren. En zich tot hen wendend zeide zij: Indien het u dan toch
behaagt man en vrouw te worden,—en ook mij staat dit aan—doe het dan
maar en hier zal bruiloft gevierd worden op kosten van Liello. Ik zal
den vrede weten te stichten tusschen U en Uw ouders. Pietro was zeer
blijde en Agnolella nog meer. Zij huwden toen en zoover dat in het
bergland mogelijk was, bereidde de edelvrouw het bruiloftsfeest voor en
daar genoten zij de eerste vruchten hunner allerzoetste liefde. Een
paar dagen daarna steeg de donna met hen samen te paard en keerden zij
onder goed geleide naar Rome terug, waar Pietro zijn ouders zeer
vertoornd vond over wat hij had gedaan, maar weer tot een verzoening
met hen geraakte. En hij leefde in groote rust en genoegen met zijn
Agnolella tot in zijn ouderdom.