De vierde dag van de Decamerone eindigt: de vijfde vangt aan. Onder
het bewind van Fiammetta spreekt men van wat met een of anderen
minnaar na eenige wreede en noodlottige voorvallen gelukkig
gebeurt.
Reeds was het Oosten geheel wit en hadden de rijzende stralen klaarheid
verbreid door ons gansche halfrond, toen Fiammetta ontwaakt door de
zoete zangen der vogelen, die van af de eerste stonde van den dag
vroolijk op de jonge boomen zongen, opstond en al de andere donna’s en
de drie jongelieden deed roepen. Met langzamen tred ging zij naar de
velden, door de ruime vlakte met het bedauwde gras, tot de zon hoog was
gestegen en wandelde met haar gezelschap in gesprek over verschillende
dingen. Maar toen zij voelde, dat de zonnestralen warmer werden,
richtte zij hun schreden naar hun verblijfplaats, waar zij gekomen en
na zich hersteld te hebben van hun lichte vermoeidheid met beste wijnen
en meelspijs, zich in den aangenamen tuin vermeiden tot aan het
etensuur. Toen dat oogenblik aangebroken was en alles door den zeer
bescheiden hofmeester was in orde gebracht en een lied en een of twee
dansliederen waren gezongen, begonnen zij vroolijk gestemd, naar het de
koningin behaagde, te eten. En toen dit ordelijk en blijmoedig was
geschied en omdat zij den ingestelden regel van te dansen niet vergeten
waren, voerden zij met de instrumenten en de zangen eenige dansen uit.
Hierna gaf de koningin tot na het uur der siësta vrij; eenigen van hen
gingen sluimeren en anderen bleven tot hun genoegen in den tuin. Maar
allen verzamelden zich, toen het uur van den noen even voorbij was,
daar, waar het de koningin beviel, volgens de gewoonte bij de fontein.
Daar zag de koningin gezeten, alsof zij bij een rechtbank voorzitter
was, naar Pamfilo en glimlachend beval zij hem de eerste te zijn, die
met de verhalen van geluk zou beginnen. Hij deed dit gaarne en sprak
aldus: