TIENDE VERTELLINGEN.

De vrouw van een dokter doet haar voor dood gehouden, bedwelmden

minnaar in een koffer, welke twee woekeraars met hem er in naar hun

huis dragen. Zij worden hem gewaar en hij wordt voor een dief

gehouden. De dienstmaagd van de donna verhaalt voor het gerecht,

dat zij het was, die hem in den koffer der woekeraars deed,

waardoor hij de galg ontloopt en de woekeraars worden wegens

diefstal van den koffer tot geldboete veroordeeld.

Daar de koning zijn verhaal geëindigd had, bleef alleen Dioneo zijn

taak over, die dit wetend en al daartoe aangespoord door den koning,

begon: De verhaalde ellenden der ongelukkige liefden hebben niet

slechts aan u, donna’s, maar ook mij de oogen en het hart bedroefd,

waardoor ik zeer heb verlangd, dat er een einde aan kwam. Nu, God zij

geloofd, zijn zij geëindigd, tenzij ik nog aan die kwade waar een

slechte zou willen toevoegen, waarvoor de hemel mij behoede. Want

zonder te blijven bij zulk een triestig onderwerp, zal ik over iets

vroolijkers en beters beginnen, waardoor ik misschien een aanwijzing

geef tot wat morgen moet verteld worden.

Gij moet dan weten, zeer schoone jonge dames, dat er nog niet lang

geleden in Salerno een groot medicus in de chirurgie leefde, die

maëstro Mazzeo delle Montagna [87] heette, die tot den hoogsten

ouderdom gekomen, een schoone en lieve donna uit zijn stad tot vrouw

had genomen in het bezit van voorname en rijke gewaden en van andere

kostbaarheden en van al wat aan een donna kan behagen meer dan eenige

anderen van die plaats; het is waar, dat zij het meestal koud in bed

had, omdat zij door den maëstro slecht werd toegedekt. Deze, gelijk

messer Ricciardo di Chinzica, van wien wij spraken, die aan de zijne de

rustdagen leerde waarnemen, beweerde tegenover haar, dat slapen met een

vrouw, ik weet niet hoeveel dagen kostte, om zich te herstellen en

dergelijke onzin meer, waar ze maar heel slecht tevreden mee was;

evenwel verstandig en van grooten geest, besloot zij om het geld voor

het huis te sparen, de eerste gelegenheid de beste waar te nemen en te

genieten met een ander en nadat zij hoe langer hoe meer jongelingen had

beschouwd, hield zij er eindelijk een in het hart, waaraan zij met al

haar hoop hechtte, met haar geheele ziel en haar geheele vermogen. De

jonkman bemerkte dit en haar zeer beklagend, keerde ook hij al zijn

liefde tot haar. Deze heette Ruggieri van Jeroli, van edele geboorte,

maar van een slecht leven en een laakbaar gedrag, zóó dat hij verwant

noch vriend had, die hem goed wilde doen of hem zien wilde en door heel

Salerno werd hij beschuldigd van diefstallen en andere laagheden,

waarom de donna weinig gaf, daar hij haar om een andere reden beviel en

zij regelde alles zoo met een dienstmaagd, dat zij samen konden komen.

En nadat zij eenig genoegen hadden gesmaakt, begon de donna hem te

laken wegens zijn schandelijk leven en hem te verzoeken uit liefde tot

haar hiermee op te houden en om hem de gelegenheid te geven dit te

doen, begon zij hem dan met eene, dan met een andere som geld te

steunen.

Terwijl zij dit intusschen samen zeer heimelijk volhielden, werd den

dokter een zieke toevertrouwd, die een kwaal aan het been had. De

medicus zag dit en zeide tot zijn ouders, dat, als hij er een rottend

gebeente uithaalde, hij het dan heelemaal moest laten afzetten of hij

zou sterven. Door hem het been er uit te snijden, kon hij genezen, maar

hij zou het niet ondernemen zonder hem als ten doode opgeschreven te

beschouwen. Toen zijn ouders hierin hadden toegestemd, gaven zij hem

met dit doel aan hem over. De arts, die meende, dat de zieke zonder

bedwelming de pijn niet zou verduren, noch zich zou laten helpen, moest

tot na den vesper wachten, om dat te doen en liet voor hem ’s morgens

een soort drank bereiden, welke opgedronken hem even lang zou doen

slapen als hij tijd noodig had om hem pijn te doen met de bewerking.

Hij liet dien drank bij zich thuis brengen en zette dien neer in een

hoek van zijn kamer zonder aan iemand te zeggen wat dit was.

Het uur van den vesper brak aan en de maëstro moest tot hem gaan. Toen

kwam er een bode tot hem van een zijner grootste vrienden van Amalfi

[88], welke hij om niets ter wereld anders dan dadelijk zou moeten

bezoeken, omdat die in een groot gevecht was geweest, waarbij velen

gekwetst waren geworden. De dokter stelde het genezen van het been tot

den volgenden morgen uit, besteeg zijn kleine bark en begaf zich naar

Amalfi. Daar de donna wist, dat hij dien nacht niet naar huis zou komen

als gewoonlijk, liet zij in stilte Ruggieri komen, liet hem in haar

kamer en sloot hem daarin op tot andere lieden uit het huis zouden

gegaan zijn om te slapen. Ruggieri bleef dus in de kamer op de donna

wachten en had, hetzij door de vermoeienis op den dag verduurd of door

zout eten te hebben genuttigd of misschien uit gewoonte een

vreeselijken dorst en zag in het venster dien drank, welken de dokter

voor den zieke had bereid, en denkend water te drinken, bracht hij dien

aan den mond en dronk dien geheel op. Het duurde niet lang of een zware

slaap beving hem en hij sluimerde in. De donna, zoo gauw ze kon, kwam

in de kamer, vond Ruggieri ingeslapen, begon hem te betasten en met

gedempte stem te zeggen, dat hij zou opstaan, maar het hielp niets; hij

antwoordde, noch bewoog. Daardoor een weinig vertoornd stiet de donna

hem met meer kracht aan en sprak: Sta op, slaapkop; want als je wilt

slapen, moet je naar huis gaan en niet hier komen. Ruggieri, aldus

geschud, viel van een stoel, waarop hij lag, ter aarde en toonde niet

meer gevoel dan een doode. Hierover nog al ontsteld, wilde de donna hem

optillen en hem nog sterker schudden, hem bij den neus nemen en aan den

baard trekken; maar het was alles ijdel, hij had zijn ezel goed

vastgebonden [89]. Daarom begon de donna te vreezen, dat hij dood was,

maar toch begon zij hem vinnig in de huid te prikken en die te

schroeien met een aangestoken kaars, maar niets baatte. Daarom geloofde

zij, die geen geneeskundige was als haar man, dat hij zonder twijfel

dood was. Men behoeft dus niet te vragen, daar zij hem boven alles

beminde, of zij treurig was. Daar zij geen leven durfde maken, begon

zij zacht over hem te klagen en te weenen over dit ongeluk. Maar na

eenigen tijd uit vrees bij haar schade schande op te loopen bedacht

zij, dat zij dadelijk een middel moest vinden om hem als doode het huis

uit te krijgen en daar zij geen raad wist, riep zij stilletjes haar

meid, toonde haar het ongeval en vroeg haar meening. De meid, die zich

zeer verwonderde, hem nog trok en kneep en zonder gevoel zag, beweerde,

gelijk de donna zeide, dat hij heusch dood was en gaf den raad, dat hij

buitenshuis moest gebracht worden. De donna antwoordde haar: En waar

zullen wij hem heen dragen, opdat men er geen erg in krijgt, dat men

hem van hier heeft weggebracht wanneer het morgen zal gezien worden? De

meid ging voort: Mevrouw, ik zag van avond heel laat voor den winkel

van dien timmerman onzen buurman, een niet al te groote kist, die als

de baas hem niet in huis heeft gezet, al te goed voor ons plan te pas

komt, omdat wij hem daarin kunnen doen en hem twee of drie messteken

kunnen geven en hem daar laten. Wie hem er in zal vinden, weet niet of

hij van hier of elders er in is gestopt; bovendien zal men gelooven,

omdat hij een gemeene jongen is geweest, dat hij uitgegaan voor iets

kwaads, door een vijand van hem gedood is en daarna in de kist geduwd.

De raad van de meid beviel aan de donna, maar niet hem een por te geven

en zij zeide, dat om niets ter wereld haar ziel zou dulden, dat dit

gebeurde en gelastte haar te kijken of de kist daar nog stond, die zij

had gezien. Zij keerde terug en zeide van ja. De meid nu, die jong en

sterk was, geholpen door de donna, tilde Ruggieri op haar schouders en

terwijl de donna vooruit ging om te zien of er niemand aankwam, liepen

zij naar de kist, deden hem er in, sloten die en lieten haar staan.

Eenige dagen te voren hadden een paar huizen verder twee jonge mannen

hun intrek genomen, die op woeker leenden en die begeerig veel te

verdienen en weinig te verteren, behoefte hadden aan meubelen en den

vorigen dag de kist gezien hadden en samen hadden afgesproken, als die

er ’s nachts bleef staan, die in huis te dragen. Toen het middernacht

werd, gingen zij het huis uit, vonden die en zonder verder te kijken

droegen zij die haastig, hoewel ze hun zwaar scheen, naar binnen en

zetten haar in een kamer neer, waar hun vrouwen sliepen, zonder zich er

om te bekommeren haar behoorlijk te plaatsen en na haar dus te hebben

laten staan, gingen zij slapen.

Ruggieri, die een aardig dutje gedaan had, den drank al had verteerd en

de kracht er van verwerkt, werd bij het naderen van den morgen wakker

en daar hij door de bedwelming als geradbraakt was en zijn zinnen hun

kracht hadden teruggekregen, bleef bij hem toch in de hersens een

verbazing achter, welke niet alleen dien nacht, maar daarna

verscheidene dagen hem buiten westen hield. Toen hij de oogen opende en

niets zag en de handen hier en ginds uitstrekte en zich in die kist

bevond, begon hij zijn herinneringen te verzamelen en tot zich zelf te

zeggen: Wat is dat? Waar ben ik? Slaap ik of waak ik? Ik herinner mij

toch, dat ik van avond in de kamer van mijn donna kwam en nu schijn ik

in een kist te liggen. Wat wil dat zeggen? Zou de dokter zijn thuis

gekomen of er een ander ding zijn gebeurd, waardoor de donna mij, die

sliep, hier zou hebben verborgen? Ik geloof het en het zal zeker zoo

zijn. Daarom begon hij zich stil te houden en te luisteren of hij iets

gewaar werd. Toen hij dit lang had gedaan en hij het in de kist, die

klein was, erg benauwd kreeg en zich geheel gekneusd voelde aan de

zijde, waarop hij lag, wilde hij zich op de andere draaien, maar deed

dit zoo bijdehand, dat hij met een der ribben tegen de kanten van de

kist stootte, die niet op een gelijken vloer was geplaatst, en haar

deed tuimelen en daarna vallen en met dien val maakte zij een groot

geraas, zoodat de vrouwen, die naast elkaar sliepen, wakker werden,

bang werden en uit angst zich stil hielden. Ruggieri wist niet wat te

denken van den val van de kist, maar daar hij haar door dit voorval

open zag, dacht hij het beter, dat er iets anders gebeurde dan er in te

blijven. En daar hij niet wist, waar hij was en dan het eene, dan het

andere zich verbeeldde, begon hij op den tast af door het huis te gaan

om te weten of hij een trap of deur vond, waardoor hij weg kon komen.

Toen de vrouwen, die wakker waren, hem hoorden stommelen, begonnen zij

te roepen: Wie is daar? Ruggieri, die de stemmen niet kende, antwoordde

niet; daarom begonnen de vrouwen de twee jonge mannen te roepen, die,

omdat zij lang hadden gewaakt, vast sliepen en die van dit alles niets

hadden bemerkt. Daarop stonden de vrouwen nog meer bevreesd geworden

op, gingen naar de vensters en begonnen te schreeuwen: Houdt den dief!

Houdt den dief! Toen liepen van verschillende plaatsen tal van buren,

deze over het dak en gene van de eene en een derde van een andere zijde

samen en traden het huis binnen en ook de jongelieden, ontwaakt door

dit rumoer, stonden op. Ruggieri (die dit zag en door verbazing buiten

zich zelve naar geen kant wou of kon vluchten) gaven zij gevangen in

handen van de wachters van den baljuw dier gemeente, die daar op het

leven waren toe geloopen. Voor den schout gebracht, omdat hij door

allen voor een grooten schurk werd gehouden, werd hij dadelijk op de

pijnbank gelegd en bekende in het huis van den woekeraar te zijn

getreden om te stelen; daarom wilde de baljuw hem zonder uitstel laten

opknoopen. Het nieuwtje werd ’s ochtends door heel Salerno verbreid,

dat Ruggieri gevat was om te stelen in het huis der woekeraars. Toen de

donna en de meid dit hoorden, waren zij zoo vol verbazing over dit

nieuws, dat zij haast geloofden, dat, wat zij den afgeloopen nacht

gedaan hadden, niet gebeurd was, doch slechts een droom geweest was.

Maar bovendien voelde de donna over het gevaar, waarin Ruggieri

verkeerde, zulk een smart, dat ze haast niet tot bedaren was te

krijgen. Kort na drie uur, toen de medicus van Malfi teruggekeerd was,

vroeg hij, waar de drank was gebleven, omdat hij zijn zieke wilde

genezen en toen hij vond, dat de flesch leeg was, maakte hij een groot

rumoer, dat er niets in het huis op zijn plaats bleef. De donna, die

door erger smart gepijnigd werd, antwoordde woedend: Wat zoudt gij

zeggen, meester, bij een gewichtige zaak, als gij voor zoo’n omgevallen

flesch met drank al zoo’n spektakel maakt! Is er niet meer van te

krijgen op de wereld? Hierop ging de maëstro voort: Vrouw, gij dacht,

dat het klaar water was; het is het niet, maar een drank om te doen

slapen. En hij vertelde haar, waarom hij die had bereid. Toen de donna

dit had gehoord, meende zij, dat Ruggieri die gedronken had en hem

daarom dood had geschenen en zeide: Maëstro, dat wisten wij niet en

maakt u daarom een anderen. Kort daarop keerde de meid, die op bevel

van mevrouw uit was gegaan om te weten, wat men van Ruggieri vertelde,

terug en zeide: Madonna, men zegt van Ruggieri, dat hij een slechte

kerel is en dat, naar wat ik kon vernemen, vriend noch verwant is

opgestaan of het wil om hem te helpen, en men houdt het voor zeker, dat

de Stadico [90] hem morgen laat ophangen.

En behalve dat zal ik u een andere nieuwe zaak vertellen, die ik meen

te begrijpen, namelijk hoe hij in het huis der woekeraars is geraakt en

hoort u wel: u kent wel de timmerman, waar tegenover de kist stond,

waar wij hem in stopten; hij was juist met iemand, die beweerde, dat

het zijn kist was, in den grootsten twist ter wereld, want hij vroeg er

een prijs voor en de meester antwoordde, dat hij de kist niet had

verkocht, maar dat die hem van nacht was ontstolen.

Hierop antwoordde deze: Het is niet waar, gij hebt hem integendeel

verkocht aan de twee woekeraars, gelijk die mij van nacht vertelden,

toen ik in hun huis was op het oogenblik, dat Ruggieri er gevangen werd

genomen. De timmerman antwoordde: Dat liegen ze, want ik verkocht hun

die nooit, maar ze hebben die van nacht gestolen; laten wij naar hen

toe gaan. En dadelijk gingen zij eensgezind naar het huis der

woekeraars en ik ben hier gekomen. En gelijk gij kunt zien, begrijp ik,

dat op die manier Ruggieri, waar hij gevonden werd, heen is gevoerd,

maar ik weet niet, hoe hij er uit is gekomen. De donna begreep toen

best, hoe het met de zaak stond, vertelde aan de meid, wat zij van den

dokter gehoord had en verzocht haar tot de bevrijding van Ruggieri hulp

te verleenen, daar zij tegelijkertijd, als ze wilde, Ruggieri kon doen

ontkomen en haar eer kon dienen. De meid sprak: Madonna, onderricht mij

het en ik zal gaarne alles doen. De donna, die het benauwd had en met

onmiddellijk beraad overlegd had, wat er moest gedaan worden, stelde de

meid geregeld op de hoogte. Deze ging eerst naar den dokter en begon

klagend te zeggen: Messer, ik moet u vergeving vragen voor een groote

domheid, die ik jegens u heb begaan. De dokter zei: Hoe zoo? En de

meid, die niet ophield met schreien, ging voort: Mijnheer, gij weet,

wat met den jongen Ruggieri van Jeroli het geval is, met wien ik,

terwijl ik hem beviel, zoowel door vrees als door liefde dit jaar heb

geleefd. Daar hij wist, dat u gisteravond niet hier waart, drong hij

zoo bij mij aan, dat ik hem in uw huis in mijn kamer meenam om te

slapen en daar hij dorst had en ik geen toevlucht had tot water of wijn

en ik niet wilde, dat mevrouw, die in de zaal was, mij zou zien,

herinnerde ik mij, dat ik in uw kamer een flesch met water gezien had.

Ik liep daar heen, gaf hem dit te drinken en zette de flesch weer neer,

waar ik haar vandaan had gehaald, waarover ik hoorde, dat u in huis

groote ruzie hebt gemaakt. En zeker beken ik, dat ik kwaad deed, maar

wie doet dit wel eens niet? Het spijt mij erg, dat ik het gedaan heb,

niet zoozeer daarom als om wat er uit zal volgen, dat Ruggieri op het

punt staat het leven te verliezen. Daarom bid ik u zooveel ik kan, dat

u mij vergeeft en dat u mij toestaat, dat ik Ruggieri ga helpen, waarin

ik het kan.

Toen de medicus dit hoorde, antwoordde hij, hoe kwaad hij ook geweest

was, schertsend: Gij hebt u zelf geschonken, omdat gij, waar gij

geloofde van nacht een jonge man te hebben, die u zeer goed de peluw

zou schudden, je een slaapkop naast je hadt. Ga daarom en zorg voor de

redding van uw minnaar en pas voortaan op hem niet meer in huis te

brengen, want dan zal ik je die keer en deze betaald zetten. De meid,

dien het scheen, dat zij voor den eersten stap goed te werk was gegaan,

ging zoo gauw zij kon naar de gevangenis, waar Ruggieri zich bevond en

vleide den bewaarder zoo, dat hij haar Ruggieri liet spreken. Zij, na

hem te hebben verteld, wat hij voor den Stadico moest antwoorden,

indien hij wilde vrij worden, deed zoo haar best, dat zij voor den

rechter kwam. Deze, voor hij naar haar wilde luisteren, omdat zij flink

en sterk was, wilde eerst eens zijn haak slaan in die dwaze meid van

Onzen Lieven Heer [91] en zij om gehoord te worden, had er niet op

tegen en toen zij van die omhelzing was opgestaan, zeide zij: Heer, gij

hebt Ruggieri van Jeroli als dief gevangen genomen, maar dat is niet

waar. En met den aanvang beginnend vertelde zij hem de geschiedenis van

stukje tot beetje, hoe zij als zijn minnares hem in het huis van den

dokter had gebracht en hem er drank had te drinken gegeven in

onwetendheid en hoe zij hem als een doode in de kist had gestopt;

daarna vertelde zij, wat zij tusschen den meester-timmerman en den

eigenaar van de kist had hooren praten en verklaarde zoo, hoe Ruggieri

in het huis van de woekeraars kwam. De Stadico, die begreep, dat het

gemakkelijk viel om te weten of het waar was, vroeg eerst aan den

dokter of dat van dien drank een feit was. Toen liet hij den timmerman

komen en hem aan wien de kist had behoord en de woekeraars en bevond na

veel gepraat, dat de woekeraars de kist dien nacht hadden gestolen en

in huis hadden gevoerd.

Ten slotte ontbood hij Ruggieri en na hem te hebben gevraagd, waar hij

den vorigen avond zijn onderkomen had gevonden, antwoordde hij, dat hij

dit niet wist, maar dat hij zich wel herinnerde, dat hij zijn logies

zou gaan zoeken bij de meid van maëstro Mazzeo, in wiens kamer hij den

drank had gedronken, omdat hij zoo’n dorst had, maar dat hij niet wist,

hoe het gebeurde, dat hij in de kist der woekeraars was gevonden. De

rechter, die dit alles hoorde, en er groot pleizier van had, liet het

de meid en Ruggieri en den timmerman en de woekeraars meermalen opnieuw

vertellen. Toen hij ten slotte zag, dat Ruggieri onschuldig was,

veroordeelde hij de woekeraars, die de kist hadden gestolen tot een

geldboete van tien oncen [92] en liet Ruggieri vrij. Hoezeer haar dit

ten harte ging, hoeft men niet te vragen en de donna was er ten zeerste

blij mee. Deze lachte er dikwijls om met hem en met de goede meid, die

hem messteken had willen geven en beleefde er pleizier van, terwijl hun

liefde en genoegen steeds van goed tot beter ging. En ik zou willen,

dat het mij ook zoo ging, maar niet, dat ik in de kist wordt gestopt.

Zoo de eerste verhalen de harten der begeerenswaardige donna’s zeer

hadden bedroefd, deed dit laatste van Dioneo ze lachen en vooral toen

hij vertelde, dat de rechter zijn haak had ingeslagen, dat zij zich

konden herstellen van de meewarigheid met de anderen. Maar toen de

koning zag, dat de zon geel begon te worden en dat het einde van zijn

heerschappij gekomen was, verontschuligde hij zich met aardige woorden

over hetgeen hij had gedaan, namelijk over zoo treurige stof te hebben

laten spreken en over die van den rampspoed der minnenden en toen dit

geschied was, stond hij op, hief den lauwerkrans van het hoofd en

terwijl de donna’s afwachtten, wie hem zou dragen, plaatste hij dien

bekoorlijk op het geheel blonde hoofd van Fiammetta met de woorden: Ik

draag aan u deze kroon over, als degene, die het best voor den zwaren

dag van heden ons met dien van morgen zal kunnen troosten. Fiammetta,

wier haren gekruld waren, lang en van goud en bij wien ze over blanke

en ranke schouders vielen en waarvan het gelaat eenigzins dik was, had

een glanzende, natuurlijke kleur als van blanke leliën vermengd met

roode rozen, met twee oogen in het hoofd als van een pelgrims-valk en

met een allerliefst klein mondje, waarvan de lipjes robijnrood waren en

antwoordde lachend: Filostrato, ik neem haar gaarne aan en opdat gij

beter bemerkt, wat gij hebt gedaan, wil en beveel ik, dat van nu af aan

ieder zich voorbereidt om morgen te spreken van wat aan een of ander

minnaar, na enkele wreede en ongelukkige voorvallen, gelukkig ten deel

werd. Dit voorstel beviel aan allen. En zij, na den hofmeester te

hebben geroepen en over de zaken, die te pas kwamen, met hem te hebben

beschikt, gaf, nadat het heele gezelschap van zijn zetels was

opgestaan, tot aan het uur van het avondmaal blijmoedig aan ieder de

vrijheid. Dezen derhalve, begonnen ten deele door den tuin, welks

schoonheid niet zoo spoedig ging vervelen en ten deele naar den molen,

die buiten deze werkte en dezen hier en gene daar, naar hun

verschillenden smaak zich onderscheidene genoegens te verschaffen tot

aan het uur van het avondmaal. Toen dit was aangebroken en allen bijeen

waren als naar gewoonte, aten zij bij de schoone fontein met zeer groot

genoegen en wel bediend. En daarvan opgestaan, gaven zij zich, gelijk

bij hen gebruik was, over aan dans en zang en terwijl Filomena den dans

leidde, zei de koningin: Filostrato, ik wil niet afwijken van mijn

voorgangers, maar gelijk die hebben gedaan, wil ik, dat men op mijn

bevel een zang zal zingen en omdat ik er zeker van ben, dat uw liederen

zoodanig zijn als uwe verhalen, willen wij, opdat geen andere dan deze

dag gestoord zij door de ongelukkige liefden, dat gij er een opzegt,

dat u het meest zal behagen. Filostrato antwoordde, dat hij gaarne

wilde en zonder verwijl begon hij op deze wijze te zingen:

Weenend toon ik,

Hoe een hart zich met recht beklaagt,

Omdat Amor in zijn geloof is bedrogen.

Amor, die eerst

In mijn hart haar heeft gesteld voor wie ik zucht,

Zonder op heil te hopen,

Gij hebt haar zoo vol deugd getoond.

Dat ik elke marteling licht achtte,

Die in mijn geest,

Droef gebleven,

Mij was overkomen; maar mijn dwaling

Ken ik thans en niet zonder smart.

Wat mij mijn dwaling heeft doen kennen,

Is mij van haar verlaten te zien,

In wien ik alleen hoopte;

Want toen dacht ik het meest te zijn

In haar gratie en haar dienaar.

Zonder de schade vooruit te zien

Van mijn toekomstig leed

Bemerkte ik, dat zij van anderen de waarde

Daarin had opgenomen en mij er uit had verjaagd.

Toen ik mij daaruit verjaagd zag,

Ontstond er in het hart een droeve klacht.

Die er nog in klinkt.

En dikwijls vervloek ik den dag en het uur,

Dat mij het eerst haar verliefd gelaat verscheen

Door hooge schoonheid gesierd

En meer dan ooit ontvlamd,

Vergaat mijn geloof, mijn hoop en mijn moed,

Mijn ziel, die versmachtend dit alles verfoeit.

Hoezeer mijn smart zonder troost is,

Heer, dat kunt gij gevoelen, zoo vaak ik u roep

Met trieste stemme,

En ik zeg u, dat ik zóó brand,

Dat ik om minder foltering den dood verlang.

Kom dan en maak

Aan mijn wreed en ongelukkig leven

Met één slag een einde en aan mijn razernij;

Want waar ik ook zal gaan, zal ik die minder gevoelen.

Geen ander leven, geen andere troost

Redt mij meer dan de dood van mijn smart,

Dat men mij dien voortaan schenke.

Maak een einde, Amor, door dezen aan mijn pijnen

En dat men mijn hart van zulk een ellendig leven ontrooft.

Ach, doe dit, omdat ten onrechte.

Mij alle vreugd en genoegen ontnomen is,

Maak haar gelukkig, door mij te doen sterven, o Heer,

Gelijk gij haar gelukkig hebt gemaakt met een nieuwen minnaar.

O mijn lied, indien niemand u leert,

Kan het mij niet schelen, omdat niemand

Dan ik u kan zingen,

En moeite alleen wil ik u geven,

Dat gij Amor terug vindt en dat gij aan hem alleen

Toont ten volle, hoe onverschillig

Het trieste, bittere leven,

Mij is, hem biddend, dat hij in beter

Haven mij brengt door zijn waarde.

Weenend toon ik, enz.

De woorden van dit lied toonden duidelijk genoeg, hoe de zielstoestand

was van Filostrato en de oorzaak daarvan en misschien had nog beter het

gelaat van de dame het getoond, die aan den dans deelnam, indien de

schaduwen van den komenden nacht den blos op haar gezicht niet zouden

hebben verduisterd. Maar toen hij dit ten einde had gebracht, werden er

verscheidene anderen gezongen, totdat het uur van slapen gekomen was:

daarom op bevel van de koningin, trok ieder zich in zijn kamer terug.

De Decamerone van Boccaccio · 第 46 / 116 题