NEGENDE VERTELLING.

Seigneur Guillaume Roussillon geeft zijn gemalin het hart te eten

van seigneur Guillaume Gardestagne, dien hij doodde en dien zij

beminde. Als zij dit te weten komt, werpt zij zich uit een hoog

venster op de aarde, sterft en wordt met haar minnaar begraven.

[86]

Toen de geschiedenis van Neifile geëindigd was, niet zonder het geheele

gezelschap tot groot medelijden te hebben bewogen, begon de koning, die

het voorrecht van Dioneo niet wilde schenden, daar er geen ander te

spreken had: Medelijdende donna’s. Ik heb thans een vertelling gereed,

welke, omdat de ongelukken der liefde u zoo ontroeren, u niet minder

tot erbarming zal bewegen dan de voorafgaande, omdat dezen, die ik u ga

vertellen met menschen van hooger hoedanigheid geschied is en nog van

treuriger verwikkeling dan die in de vorigen verhaald. Gij moet dan

weten, dat, naar wat de Provençalen verhalen, er in Provence twee edele

ridders leefden, die elk een kasteel en vazallen beheerschten en

waarvan de een Guillaume Roussillon en de ander Guillaume Gardestagne

heette. Daar zij beide mannen waren bedreven in den wapenhandel,

hielden ze veel van elkaar en hadden de gewoonte altijd samen te gaan

tournooien of ten steekspel te gaan, of naar iedere andere

wapenoefening en gekleed in dezelfde kleuren. Hoewel elk op zijn

kasteel woonde en het een van het andere wel tien mijl verwijderd was,

werd toch, daar seigneur Guillaume Roussillon een zeer schoone en

begeerlijke vrouw tot echtgenoote had, seigneur Guillaume Gardestagne

ten zeerste ondanks de vriendschap en den omgang tusschen hen, op haar

verliefd en zoo, dat hij door een en andere daad het de donna deed

bemerken. Daar zij hem als een zeer dapper ridder kende, beviel haar

dit en begon zij hem liefde toe te dragen, zóó dat zij niets anders dan

hem verlangde en beminde, en zij verwachtte ook niets anders dan door

hem te worden veroverd. Het duurde ook niet lang of dit gebeurde en zij

waren te samen en meermalen beminden zij elkaar zeer. Toen zij het

minder verborgen deed, werd de echtgenoot dit gewaar en was zeer

verontwaardigd, waardoor de groote vriendschap, die hij voor

Gardestagne koesterde, overging in een doodelijken haat. Maar hij wist

dit beter te verbergen dan de twee minnenden hun liefde en overlegde,

hoe ze te dooden. Toen Roussillon in dien toestand was en er een groot

tournooi in Frankrijk werd aangekondigd, berichtte hij dit dadelijk aan

Gardestagne en gelastte hem te zeggen, of hij, indien het hem behaagde,

bij hem kwam en te samen zouden zij overleggen of zij er heen zouden

gaan en hoe, Gardestagne antwoordde verheugd, dat hij zonder dralen den

volgenden dag bij hem zou komen avondmalen. Roussillon vernam dit en

dacht, dat de tijd was gekomen om hem te kunnen dooden en den volgenden

dag steeg hij gewapend met een van zijn knechten te paard en stelde

zich een mijl van het kasteel in een bosch in hinderlaag, waar

Gardestagne voorbij moest komen. Na een geruime poos op hem te hebben

gewacht, zag hij hem met twee bedienden bijna ongewapend naderen als

iemand, die nergens op verdacht is en toen hij hem daar zag, waar hij

het wenschte, doodde hij hem verraderlijk en vol boozen toeleg met een

lans in de vuist en riep hem na: jij bent des doods! Dit te zeggen en

hem die lans door de borst te stooten, was het werk van een zelfde

oogenblik. Gardestagne zonder zich eenigszins te kunnen verdedigen of

een woord te kunnen spreken, viel van die lans doorboord en stierf kort

daarop. Zijn knechten, zonder herkend te hebben wie het had gedaan,

keerden de koppen der paarden en vluchtten zoo snel zij konden naar het

kasteel van hun heer.

Roussillon steeg af, opende met een mes de borst van Gardestagne en

rukte er met eigen handen het hart uit, liet dit in een pennoen

(lans-wimpel) wikkelen en beval aan een van zijn knechten, dat die het

daarin zou dragen. En nadat hij aan elk had gezegd, dat ze den moed

niet moesten hebben er over te spreken, steeg hij weer te paard en toen

het al nacht was, ging hij weer naar zijn kasteel terug. De donna, die

gehoord had, dat Gardestagne dien avond ten eten zou komen en met het

grootste verlangen hem verwachtte, verwonderde zich zeer, dat zij hem

niet zag naderen en zei tot haar man: Hoe komt het, heer, dat

Gardestagne niet gekomen is? Hierop zeide de echtgenoot: Madame, ik heb

van hem gehoord, dat hij eerst morgen hier kan zijn, waarover de donna

een weinig verstoord was. Toen Roussillon was afgestegen liet hij den

kok roepen en zeide tot hem: Gij zult dit hart van een wild zwijn nemen

en er een gerecht van maken zoo goed en lekker om te eten als gij het

maar weet, en wanneer ik aan tafel zal zijn, zult gij het mij opdragen

in een zilveren schotel.

De kok nam het aan, wijdde er al zijn kunst aan en al zijn ijver, hakte

het, deed er goede kruiden bij en maakte er een uitstekenden ragout

van. Toen het tijd was, zette seigneur Guillaume zich met zijn vrouw

aan tafel. Het maal kwam, maar hij door de begane misdaad in gedachte

gestoord, at weinig. De kok bracht hem den ragout, welke hij voor de

donna liet neerzetten, hield zich dien avond verzadigd en prees dien

zeer. De donna, die trek had, begon er van te eten en die scheen haar

goed; daarom at zij dien geheel op. Toen de ridder gezien had, dat zij

hem geheel had opgegeten, zeide hij: Mevrouw, hoe is u die spijs

bevallen? De donna antwoordde: Mijn heer, werkelijk, hij beviel mij

goed. God helpe mij, ik geloof u—zei de ridder—en het verwondert mij

niet, als dood u bevallen heeft, wat levend meer dan iets anders u

aanstond.

De vrouw hoorde dit en bleef een oogenblik onbewegelijk. Toen zei ze:

Hoe! Wat hebt gij mij laten eten? De ridder antwoordde: Dat, wat gij

gegeten hebt, is werkelijk het hart geweest van den heer Guillaume

Gardestagne, dien gij als oneerlijke vrouw hebt bemind en weet wel, dat

hij het is geweest, omdat ik hem dit met deze handen uit de borst heb

gerukt, kort voor ik hier kwam. Men behoeft niet te vragen of de donna

dit hoorende van hem, dien zij boven alles beminde, bedroefd was en na

eenige oogenblikken antwoordde zij: Gij deed wat een oneerlijk en

slecht ridder moest doen; want indien ik, terwijl hij mij niet er toe

dwong, hem tot den heer van mijn liefde heb gemaakt en u hiermee had

beleedigd, had niet hij maar ik de straf moeten dragen. Maar dat het

aan God behage, dat nooit andere spijs op een zoo nobel voedsel volgt

als op het hart van dien dapperen en hoffelijken ridder, gelijk

Guillaume Gardestagne was. Zij stond op en wierp zich zonder verder

bedenken uit een venster achter haar. Het raam was zeer hoog boven den

grond, zoodat de vrouw niet alleen stierf, maar geheel werd

verpletterd. Toen seigneur Guillaume dit zag, was hij geheel verbluft

en het scheen hem, dat hij kwaad had gedaan en daar hij bevreesd was

voor de boeren en voor den graaf van Provence, deed hij de paarden

zadelen en ging heen. Den volgenden morgen was het door de geheele

streek bekend, wat er gebeurd was; daarom werden door de lieden van het

kasteel van Guillaume Gardestagne en ook van die uit het slot van de

donna met de grootste droefenis en weedom de twee lijken afgehaald en

in de slotkapel van de vrouwe in een zelfde grafgewelf geplaatst en

daarop verzen geschreven, die uitdrukten wie zij waren, die er in

begraven lagen en de wijze en de oorzaak van hun dood.

De Decamerone van Boccaccio · 第 45 / 116 题