Girolamo bemint Salvestra; toegevend aan de beden van zijn moeder,
gaat hij naar Parijs, keert terug en vindt haar gehuwd. Hij treedt
heimelijk in haar huis en sterft aan haar zijde. Men draagt hem in
een kerk, waar Salvestra aan zijn zijde sterft.
Het verhaal van Emilia vond haar einde, toen op bevel des konings,
Neifile aldus begon: Waardige donna’s. Naar mijn meening zijn er
lieden, die meenen meer te weten dan anderen en die minder weten en
daarom zijn ze niet alleen verwaten genoeg tegen den raad der menschen
maar ook tegen de natuur der dingen hun denkwijze te stellen, uit welke
aanmatiging reeds zeer groote kwalen zijn voortgekomen, terwijl men er
nooit iets goeds uit zag volgen. En omdat onder de andere, natuurlijke
dingen, zij, die het minst raadgevingen of tegenspraken duldt, de
liefde behoort, wier aard het is, dat zij eer zich zelf verteert dan
dat zij zich ophoudt bij een ontvangen waarschuwing, is het mij te
binnengevallen U een vertelling te doen van een donna, die trachtend
wijzer te zijn dan zij behoorde te wezen en was en die de zaak niet
gedoogde, waarin zij haar verstand wou toonen en gelooft de liefde uit
het hart te kunnen rukken van een minnaar, welke de sterren wellicht er
in geplaatst hadden, er toe kwam tegelijkertijd de liefde en de ziel
uit het lichaam van haar zoon te verdrijven.
Er was dan in onze stad, naar hetgeen de ouden verhalen, een zeer groot
en rijk koopman, wiens naam Leonardo Sighieri [85] luidde, die van zijn
donna een zoon Girolamo had en na diens geboorte, nadat hij zijn zaken
met zorg had geregeld, uit dit leven scheidde. De voogden van het kind
met zijn moeder te samen leidden goed en eerlijk zijn zaken. Het kind
groeide op met de anderen van de buren en sloot met meer dan eenig
ander uit den omtrek vriendschap met een meisje van zijn leeftijd, de
dochter van een kleermaker. Toen de ouderdom toenam, veranderde de
vriendschap in liefde en zoo vurig, dat Girolamo zich niet goed voelde,
als hij haar soms niet zag en zeker had zij hem niet minder lief dan
hij haar.
De moeder van den jongen, die dit gezien had, schold hem verscheidene
malen en sloeg hem. Daarna, daar Girolamo zich niet weerhouden kon,
beklaagde zijn moeder zich er over bij zijn voogden en daar zij
geloofde, door den grooten rijkdom van haar zoon, van den pruimenboom
een oranje-appel te kunnen plukken, zeide zij tot hen: Die jongen van
ons, die nauwelijks veertien jaar is, is zoo verliefd op de dochter van
onzen buurman, den kleermaker, die Salestra heet, dat, indien wij haar
niet uit zijn oogen weg halen, hij haar tot zijn ongeluk op een goeden
dag tot vrouw zal nemen, zonder dat iemand het weet en ik zal daarna
nooit meer vroolijk zijn of hij zal verteren, als hij haar met een
ander zal zien trouwen en daarom schijnt het mij, dat gij om het te
ontwijken hem ergens ver hier vandaan moet sturen om in een winkel te
dienen, opdat zij op die manier van hem verwijderd, hem niet zien kan
en daar uit de gedachte zal gaan en wij hem later een welgeboren donna
tot vrouw kunnen geven. De voogden zeiden, dat de donna gelijk had en
dat zij naar hun vermogen zouden handelen. Nadat zij het kind in den
winkel hadden laten roepen, begon er een te zeggen op beminnelijken
toon: Mijn jongen, je wordt nu groot; het is goed, dat gij zelf uw
zaken leert behartigen; daarom zouden wij er zeer mee ingenomen zijn;
als gij eenigen tijd in Parijs zoudt vertoeven, waar gij zult zien, hoe
een groot deel van uw geld verhandeld wordt zonder te rekenen, dat gij
er veel beter en meer opgevoed en rijker zult worden, wat hier niet
gebeuren kan, daar gij er vele ridders en baronnen en edellieden zult
zien, en als gij hun zeden hebt leeren kennen, kunt gij hier later
terugkeeren. De jongen luisterde ingespannen en antwoordde kort, dat
hij er niets van wilde weten, omdat hij even goed als een ander meende
in Florence te kunnen blijven. De waarde heeren hoorden dit en
berispten hem nog meer, maar daar zij uit hem geen ander antwoord
konden krijgen, vertelden zij het aan de moeder.
Deze fel vertoornd, niet wegens zijn weigering naar Parijs te gaan maar
om zijn liefde, beleedigde hem zwaar en toen om het te verzoeten met
lieve woordjes begon zij hem te vleien en hem zacht te vragen, of hij
wou doen, wat zijn voogden wenschten en zij wist hem zoo te bepraten,
dat hij toestemde er een jaar en langer te blijven en dat gebeurde.
Girolamo ging dus zeer verliefd naar Parijs en werd er met uitstel op
uitstel twee jaar gehouden. Vandaar keerde hij meer dan ooit ontvlamd
terug, vond zijn Salvestra gehuwd met een goed jonkman, tentenmaker van
beroep en was daarover uiterst bedroefd. Maar toen ziende, dat het niet
anders kon, deed hij zijn best zich rust te verschaffen en na ontdekt
te hebben, waar zij woonde, begon hij volgens de gewoonte der verliefde
jongelieden daar langs te gaan in het geloof, dat zij hem niet vergeten
had, gelijk hij haar niet. Maar de zaak nam een anderen keer; zij dacht
niet meer aan hem, alsof zij hem nooit had gezien en als zij er zich
nog iets van herinnerde, toonde zij het tegendeel, wat de jongeling in
korten tijd gewaar werd en niet zonder zeer groote smart. Maar
niettemin deed hij, al wat hij kon om dit in zijn ziel te verbergen;
daar echter niets scheen te helpen, besloot hij om niet weg te kwijnen
haar te spreken. Nadat hij door een buurman ingelicht was, hoe het huis
van zijn vriendin was gebouwd, trad hij er op een avond, toen zij en
haar man waren gaan waken bij buren, in ’t geheim binnen en verborg
zich in haar kamer achter tentendoeken, die er waren uitgespannen en
wachtte, totdat zij huiswaarts gekeerd en te bed waren en hij zag, dat
de man sliep en ging toen naar die zijde, waar hij gemerkt had, dat
Salvestra was gaan liggen, legde zijn hand op haar borst en zeide
zachtjes: O mijn ziel, slaapt gij al! De vrouw, die niet sliep, wilde
schreeuwen, maar de jonkman sprak haastig: Bij God, schreeuw niet, want
ik ben uw Girolamo. Toen zij dit hoorde, zeide zij sidderend: Zeg, bij
God, Girolamo, ga heen; de tijd is voorbij, dat het in onze kindsheid
niet verboden was verliefd te zijn; ik ben, gelijk gij ziet gehuwd;
daarom past het niet meer, dat ik op een anderen man acht geef dan op
mijn echtgenoot en nu bid ik u bij den eenigen God, dat gij heengaat.
Want als mijn man u zou bespeuren, kunnen wij onderstellen, dat, zoo er
geen ander kwaad uit voortkomt, er toch uit zou volgen, dat ik noch in
vrede noch in rust meer met hem zou kunnen leven, waar ik door hem
bemind in rust met hem leef. De jonkman hoorde die woorden en voelde
diepe smart en toen hij aan den vroegeren tijd dacht en aan zijn liefde
nooit door den afstand verminderd en er de vele beden en beloften van
vroeger bijvoegde, bezat hij er niets meer van. Daarom met het
verlangen te sterven, bad hij haar ten slotte, dat zij, als loon voor
zooveel liefde, zou toestaan, dat hij naast haar ging liggen, zoodat
hij zich een weinig kon verwarmen, want hij was door het wachten als
ijs geworden. Hij beloofde haar, dat hij er niets van zou zeggen, noch
haar zou aanraken en dat hij heen zou gaan, als hij een weinig verwarmd
was.
Salvestra, die medelijden met hem had, stond hem dit onder die
voorwaarden toe. Aldus strekte hij zich naast haar uit zonder haar aan
te raken en in een opwelling herdenkend de langdurige liefde, haar
toegedragen, en haar tegenwoordige hardheid en de verloren hoop,
besloot hij niet langer te leven en zijn geest in zich zelf
vernietigend, sloot hij de vuist en stierf aan haar zijde. Na eenigen
tijd verwonderde zich de jonge vrouw over zijn standvastigheid,
vreesde, dat haar man zou wakker worden en begon te zeggen: Wel,
Girolamo, waarom ga je niet weg? Maar daar zij hem niet hoorde
antwoorden, dacht zij, dat hij was ingeslapen. Daarom de hand
uitstrekkend om hem te wekken, begon zij hem te betasten en hem
aanrakend, voelde zij een ijzige koude, waarover zij zich zeer
verbaasde. Toen zij hem met meer kracht beroerde en voelde, dat hij
niet bewoog, zag zij na dit meermalen te hebben herhaald, dat hij dood
was. Hierover was zij zeer bedroefd en bleef in groote verlegenheid
niet wetend wat te doen. Ten slotte bedacht zij te zien, wat haar
echtgenoot zou zeggen alsof het een ander persoon betrof en na hem te
hebben gewekt, vertelde zij wat haar overkomen was, alsof het met een
ander gebeurd was en vroeg hem daarop, wat, indien het haar gebeurde,
te doen stond. De goede man antwoordde, dat het hem scheen, dat men
hem, die dood was in stilte naar zijn huis moest voeren en hem daar
laten, zonder eenige kwaadwilligheid jegens de vrouw te hebben, welke
hem niet voorkwam te hebben gefaald. Toen zeide de jonge vrouw: Wel,
dat moeten wij dan doen, en zijn hand nemend liet zij hem den dooden
jonkman aanraken. Hij, zeer ontsteld, stond op, stak een licht aan en
zonder met de vrouw verder te spreken, trok hij het lijk zijn eigen
kleeren aan, en zonder uitstel, overtuigd van de onschuld zijner vrouw,
tilde hij dit op zijn schouders, droeg het naar de deur van diens huis,
legde het neer en liet het daar achter.
Bij het aanbreken van den dag, toen men den man dood voor de deur zag,
ontstond er een groot rumoer, vooral door de moeder en nadat men overal
gezocht had en gekeken en noch wond noch stoot ontdekte, geloofden de
doktoren algemeen, dat hij van verdriet was dood gebleven, zooals hij
daar lag. Het lichaam werd dan ook in een kerk gebracht en hier kwam de
moeder met vele andere verwante donna’s en buurvrouwen en zij begonnen
over hem zeer heftig te weenen en te treuren. Terwijl het geklaag zeer
groot werd, zeide de goede man, in wiens huis hij gestorven was, tot
Salvestra: Zeg, doe een mantel over je hoofd, ga naar de kerk, waar
Girolamo is heen gevoerd, begeef je tusschen de vrouwen en luister,
naar wat men u vertelt. Ik zal hetzelfde doen onder de mannen, opdat
wij vernemen of men iets kwaads van ons zegt. Dit beviel aan de jonge
vrouw, die door een laat medelijden was aangegrepen, want zij verlangde
hem te zien, aan wien zij bij zijn leven met niet één kus genoegen had
willen doen en ging er heen. Maar het is wonderlijk te denken, hoe
moeilijk de krachten der liefde zijn te verklaren. Het ongeluk opende
dat hart, dat de blijde fortuin van Girolamo niet had kunnen
doordringen en al de oude vlammen laaiden weer omhoog en veranderden
dit tot zooveel erbarmen, toen zij het gelaat van den doode zag, dat
zij verborgen onder haar mantel en gemengd tusschen de andere donna’s
geen stand hield, voor zij tot het lijk was genaderd. Daar stiet zij
een schrillen kreet uit, wierp zich op het gelaat van den jonkman en
had den tijd niet zijn gelaat met tranen te baden, want ternauwernood
had zij hem aangeraakt of, gelijk het Girolamo gebeurd was, ontnam de
smart haar het leven. De andere vrouwen wilden haar bemoedigen, zeiden,
dat zij wat op zou staan en herkenden haar nog niet. Toen zij zich nog
niet verhief en men haar wilde doen oprijzen en onbewegelijk vond en
haar toch zich deed verheffen, zag men dat zij Salvestra was en
tegelijk bespeurde men, dat zij was gestorven. Daarop begonnen de
vrouwen, door dubbel medelijden bewogen, nog meer te weeklagen. De
tijding verspreidde zich buiten de kerk onder de mannen, en bereikte
ook haar echtgenoot, die tusschen hen stond en die zonder te hooren
naar troost of steun van wie ook, langen tijd weende. En toen hij de
geschiedenis, die dien nacht gebeurd was van dien jonkman en zijn vrouw
aan een genoegzaam aantal van hen had verteld, deed die elkeen leed.
Toen de overleden jonge vrouw was opgenomen en versierd gelijk men dit
gewoon is met de dooden te doen, legde men haar op dezelfde baar naast
den jongen man en nadat daar lang was getreurd, werden beide in
eenzelfde graf begraven en hen, die de liefde niet als levenden had
kunnen vereenigen, verbond onafscheidelijk de dood.