Simona bemint Pasquino; zij komen in een tuin samen, waar Pasquino
zich met een salie-blad de tanden wrijft en sterft. Simona wordt
gevangen genomen en om aan den rechter te toonen, hoe hij gestorven
is, doet zij het ook en sterft op haar beurt. [84]
Pamfilo had zich van zijn taak gekweten, toen de koning, die niet het
minste medelijden toonde met Andreuola, Emilia aanzag en haar
vertrouwelijk te kennen gaf, dat het hem aangenaam zou zijn, indien zij
hun, die gesproken hadden, zou navolgen. Deze zonder eenig uitstel
begon: Waarde gezellinnen. De novelle, verteld door Pamfilo, drijft mij
er toe u er een te verhalen geheel aan de zijne gelijk. Zoo ook van
Simona gezegd moet worden, dat zij als Andreuola haar minnaar verloor
en als deze werd gevangen genomen, bevrijdde zij zich niet door kracht
en deugd, maar door een plotselingen dood van haar rechters.
En gelijk het al onder ons gezegd is, dat, hoewel Amor graag de huizen
der edelen bewoont, hij niet weigert in die der armen te verblijven,
maar integendeel er soms zijn krachten toont, doet hij zich als de
machtigste meester bij de rijksten vreezen. Dit zal zoo niet geheel dan
toch voor een groot deel uit mijn vertelling blijken, waarbij het mij
behaagt in onze stad terug te keeren, waarvan wij heden door over
zooveel dingen te spreken en door verschillende deelen der wereld te
doorreizen, ons zoo ver hebben verwijderd.
Er leefde dan niet lang geleden in Florence een schoon en lief jong
meisje, wanneer men haar karakter beschouwde en de dochter van een
armen vader, die Simona heette, en hoe gaarne zij ook met eigen handen
haar brood wilde verdienen en haar bestaan onderhouden met het spinnen
van wol, was zij toch niet zoo arm van ziel, dat zij niet brandde om
Amor in haar hart te ontvangen, die onder de trekken en de aangename
woorden van een jonkman van niet hooger stand dan zij en belast was
door zijn meester, een wolhandelaar, haar de wol te brengen, een
grooten lust toonde om er plaats in te vinden. Na hem dus te hebben
ontvangen in den vorm van den bekoorlijken jongeling, die haar beminde
en die Pasquino heette, brandde zij zeer van verlangen en durfde niet
verder gaan met spinnen en bij iedere streng gesponnen wol, die zij om
den spil draaide, stiet zij duizend zuchten uit heeter dan vuur, en
dacht aan hem, die haar deze te spinnen had gegeven. Hij van den
anderen kant, die er zich voor beijverde, dat de wol van zijn meester
goed gesponnen werd, lette alleen op die, welke Simona spon en op geen
andere of zij alleen het heele weefsel moest maken. Daar de een waakte
en de ander blij was bewaakt te worden, en de een meer begeerte had en
de andere meer vrees en schaamte verjoeg dan gewoonlijk, vereenigden
zij zich tot gemeenschappelijke genoegen. Deze genoegens bevielen hun
zoo, dat zij niet alleen niet wachtten tot de een door den ander werd
uitgenoodigd, maar dat beide genoodzaakt werden het elkaar te vragen.
Terwijl zoo hun heerlijkheid van den eenen dag op den anderen voortging
en bij het voortgaan steeds vermeerderde, zeide Pasquino tot Simona,
dat hij wilde, dat zij een middel zocht om in den tuin te komen, waar
hij haar heen wilde leiden, opdat zij dit meer op hun gemak en met
minder argwaan konden verkrijgen. Simona zeide, dat het haar beviel en
nadat zij op een zondag na den eten aan haar vader te verstaan had
gegeven, dat zij plan had naar den aflaat van San Gallo te gaan, begaf
zij zich met een van haar gezellinnen, Lagina genaamd, naar den tuin,
die Pasquino haar had aangewezen. Daar vond zij hem met een van zijn
vrienden, die Puccino heette, maar die lo Stramba (de Krombeen) werd
genoemd en nadat er een nieuwen liefdebond was gesloten tusschen
Stramba en Lagina, namen zij hun genoegen waar in het eene deel van den
tuin en lieten Stramba en Lagina in een ander deel hun gang gaan.
Er was in dat deel van de gaarde, waar Pasquino en Simona zich hadden
begeven, een zeer groote en schoone salie-struik. Zij zetten zich aan
diens voet neer en na zich langen tijd te hebben verheugd en veel te
hebben gesproken over een avondmaal, dat zij in dien tuin rustig wilden
houden, keerde Pasquino zich tot dien grooten plant, plukte daarvan een
blad en begon zich daarmede de tanden en het tandvleesch te wrijven,
zeggende, dat de salie zeer goed reinigde van alles wat er in achter
bleef, wanneer men gegeten had. En nadat hij zich een weinig had
gewreven, keerde hij met zijn praten terug tot het avondmaal, waarvan
hij eerst sprak. Hij ging daar nog niet lang mede voort, toen hij
geheel van uiterlijk begon te veranderen en na dien omkeer duurde het
maar kort, dat hij het gezicht en de spraak verloor en weldra stierf
hij. Simona dit ziende, begon te schreien en te jammeren en Stramba en
Lagina te roepen. Zij kwamen haastig aanloopen en daar zij Pasquino
niet alleen dood zagen, maar geheel gezwollen en vol donkere vlekken op
het gelaat en het lichaam, riep Stramba opeens: O, slecht schepsel, jij
hebt hem vergiftigd. Hij maakte veel alarm, zoodat het door velen, die
vlak bij den tuin woonden, werd vernomen. Deze kwamen op het geschreeuw
aanzetten. Toen zij hem dood vonden en opgezwollen en Stramba hoorden
klagen en Simona hoorden beschuldigen, dat zij hem verraderlijk had
vergiftigd en zij, door de smart over het onverwachte ongeluk, dat haar
haar minnaar had ontnomen, buiten zich zelve zich niet wist te
verdedigen, werd door allen beweerd, dat het was gelijk Stramba zeide.
Zij werd daarom gevangen genomen, terwijl ze steeds bitter weende en
naar het paleis van den schout gebracht. Daar, op aandringen van
Stramba, l’Atticciato (de Sterke) en Malagevole (de Lastige), gezellen
van Pasquino, die er bij waren gekomen, begon een rechter zonder
uitstel aan de zaak te geven, het feit te onderzoeken. Daar hij niet
kon begrijpen, dat zij bij deze gebeurtenis kwaadwillig of schuldig was
geweest, wilde hij in haar tegenwoordigheid het lijk zien en de plaats
en het middel, door haar aan hem verteld, omdat hij het door haar
woorden niet goed genoeg begreep. Hij liet haar dus zonder gedruisch
naar de plek voeren, waar het lichaam van Pasquino nog lag, gezwollen
als een vat, en nadat hij er later heen was gegaan en zich over den
doode had verwonderd, vroeg hij haar, hoe het gebeurd was. Zij ging
naar de saliestruik en na elk voorafgaand voorval verteld te hebben,
deed zij om het gebeurde geheel te doen begrijpen, juist gelijk
Pasquino had gedaan door zich met een van de bladen de tanden te
wrijven. Ondertusschen werd dit door Stramba en l’Atticciato en door de
andere vrienden en metgezellen van Pasquino in tegenwoordigheid van den
rechter nietig en ijdel verklaard en zij met meer nadruk van misdaad
beschuldigd en eischten zij niet anders dan dat de brandstapel de straf
voor zulk een boosheid zou zijn. De ongelukkige was door smart over den
verloren minnaar en door vrees voor de straf, geëischt door Stramba,
ontzet en doordat zij zich met het blad de tanden gewreven had, viel
zij in den toestand, waarin eerst Pasquino verkeerd had, tot groote
verbazing van de aanwezigen, neer.
O gelukkige zielen, wien het op één dag ten deel valt de hevige liefde
en het vergankelijke leven te eindigen! En gelukkiger nog, indien gij
te samen op een plaats heengaat! En het gelukkigst, indien gij elkaar
hiernamaals lief hebt en zooals gij het hier deed! Maar gelukkig boven
allen de ziel van Simona—naar ons oordeel,—waarvan de fortuin niet
duldde, dat de onschuld onder de getuigenis leed van Stramba en
l’Atticciato en Malagevole, misschien wolkaarders of nog minder soort
lieden, en die het voor zich een eervoller weg vond om met hetzelfde
stervenslot van haar minnaar zich aan hun schurkerij te onttrekken en
de ziel van haar Pasquino door haar zoo bemind, te volgen. De rechter
geheel ontsteld evenals allen, die er bij waren, wist niet wat te
zeggen en bleef langen tijd onbewegelijk. Toen tot meerder nadenken
gekomen, zeide hij: Dit bewijst, dat die salie vergiftig is, wat
gewoonlijk niet met die plant het geval is. Maar opdat deze geen ander
op die wijze schade kan doen, moet men die tot de wortels afhakken en
in het vuur smijten. Toen dit door den tuinwachter in tegenwoordigheid
van den rechter was gebeurd, had men den grooten struik nog niet neer
gehouwen of de oorzaak van den dood der arme minnenden bleek. Er was
onder den struik van die salie een pad van wonderlijke grootte, waarvan
zij bevestigden, dat het venijn de plant moést hebben vergiftigd. Daar
niemand de pad durfde naderen, legden zij rondom een zeer grooten hoop
van droog hout en verbrandden hem met de salie-struik. Dat was het
einde van het proces van den heer rechter bij den dood van den armen
Pasquino. Hij met zijn Simona werden zoo opgezwollen door Stramba en
l’Atticciato en Guccio Imbratta en Malagevole in de kerk van San Paolo
begraven, waarvan zij parochianen waren.