Andreuola bemint Gabriotto; zij verhaalt hem een droomgezicht en
hij haar een ander. Vlak daarop sterft hij in haar armen; terwijl
ze hem met een meid van haar naar huis dragen, worden zij door de
wacht aangehouden en vertelt zij, wat er gebeurd is. De schout wil
haar geweld aandoen, maar zij weigert. Haar vader herkent haar en
nadat zij onschuldig is bevonden, wordt zij in vrijheid gesteld.
Zij weigert volstrekt in de wereld te leven en wordt non. [83]
Deze novelle door Filomena verhaald, trok de dames zeer aan, omdat zij
dat lied dikwijls genoeg hadden hooren zingen, maar zij hadden nooit
kunnen weten, zelfs als zij het vroegen, welke de reden was, waarom dat
was gemaakt. Maar toen de koning het slot er van had gehoord, beval hij
aan Pamfilo de ingestelde orde te volgen. Pamfilo zeide toen: De droom
in het voorafgaande verhaal vermeld geeft mij stof U er een te
vertellen, waarin van twee droomen sprake is, welke betreffen de eene,
wat gebeurd was, de andere wat gebeuren zou en ternauwernood waren die
droomen verteld door hen, die ze hadden gehad of het gevolg van beide
kwam. En toch, verliefde donna’s, moet gij weten, dat het een algemeene
neiging is van elk levend wezen verschillende dingen in een droom te
zien, welke, hoewel zij aan hem, die droomt zeer waar schijnen, wanneer
hij ontwaakt sommigen hem waar, anderen waarschijnlijk voorkomen en
voor een deel met elke waarheid tegenstrijdig zijn; toch bevindt men,
dat velen zijn uitgekomen. Daardoor hechten velen aan elke droom
zooveel geloof, als zij zouden verleenen aan de dingen, die zij wakend
zien en zij bedroeven of verheugen zich naar wat zij volgens dezen of
vreezen of hopen. En er zijn er integendeel ook, die er niets van
gelooven, voor zij zich in het reeds voorspelde gevaar zien. Ik vind
noch de eenen noch de anderen te loven, omdat droomen noch altijd waar,
noch altijd valsch zijn. Dat ze niet altijd waar zijn, kan elk van ons
een voldoend aantal keeren hebben waargenomen, en dat zij niet altijd
valsch zijn, is hiervoor reeds in de geschiedenis van Filomena
aangetoond en in de mijne wil ik, gelijk ik het van te voren zeide, ook
bewijzen. Daarom meen ik, dat men door geen tegenstrijdigen droom moet
nalaten deugdzaam te leven en te handelen noch daarvoor de goede
waarschuwingen verwaarloozen; wat tegennatuurlijke en slechte dingen
betreft, moet men er niets van gelooven, hoezeer droomen daarvoor
gunstig schijnen en met gunstige uitleggingen versterken zouden, wie ze
heeft en ook in het in het tegenovergestelde moet men geen volkomen
vertrouwen schenken.
In de stad Brescia was een edelman, messer Negro van Ponte Carraro
genaamd, die onder meerdere zonen een dochter had, welke Andreuola
heette, een mooi, jong meisje en zonder man, welke toevallig op een
buurman van haar, Gabriotto, verliefd werd, een man van lage afkomst,
maar vol lofwaardige manieren en van persoon knap en bekoorlijk en met
de samenwerking en de hulp van de meid, handelde het meisje zoo, dat
Gabriotto niet alleen wist, dat hij door Andreuolo bemind werd, maar
meermalen in een schoonen tuin van haar vader tot genoegen van beide
partijen werd geleid. En opdat niets anders dan alleen de dood hen in
hun zalige liefde zou scheiden, werden zij in ’t geheim man en vrouw.
Terwijl aldus tersluiks hun bijeenkomsten voortgingen, scheen het
meisje op een nacht ingeslapen in een droom te zien, dat zij met
Gabriotto was, dien zij tot groot genoegen van beide in haar armen
hield en terwijl zij zoo bij elkaar bleven, leek het haar, dat uit zijn
lichaam een donker en vreeselijk ding te voorschijn kwam, welks vorm
zij niet kon herkennen en dat het ding Gabriotto beetpakte en ondanks
haar met wonderlijke kracht hem uit haar armen nam en met hem onder den
grond verdween; de een kon den ander nooit meer terugzien, waarover zij
onnoemelijk veel smart voelde en daarop ontwaakte zij. Hoewel zij
ontwaakt blij was door te zien, dat zij het slechts had gedroomd, kreeg
zij van het droomgezicht angst. Toen Gabriotto den volgenden nacht bij
haar wilde komen, deed zij zooveel zij kon haar best, dat hij dien
avond daar niet kwam. Maar daar zij toch zijn wil zag, ontving zij,
opdat zij niets anders vermoedde, hem den volgenden nacht in haar tuin,
waar zij na vele witte en roode rozen geplukt te hebben, omdat ’t het
seizoen er voor was, met hem aan de voeten van een schoone en klare
fontein in den tuin ging zitten. Nadat zij elkaar een goede en lange
ontvangst hadden bereid, vroeg Gabriotto wat de reden was, waarom zij
zijn komst den vorigen dag had ontweken. Het meisje verhaalde hem den
droom, dien zij den vorigen nacht had gehad en de argwaan, die haar
daardoor had aangegrepen. Gabriotte hoorde dit, lachte er om en zeide,
dat het een groote dwaasheid was aan eenigen droom geloof te slaan,
omdat die voortkomen uit overlading van de maag of gebrek aan voedsel
en dat men elken dag ziet, dat ze ijdel zijn. Daarop zeide hij: Indien
ik acht had willen geven op droomen niet op een van u, maar op een, die
ik den vorigen nacht heb gehad, zou ik niet hier gekomen zijn, waarbij
ik in een schoon en heerlijk woud scheen te wezen. Daar ving ik op
jacht een ree zoo mooi en bekoorlijk, als men er nooit een zag. En het
scheen mij, dat zij witter was dan sneeuw en in korten tijd zoo eigen
met mij werd, dat zij mij in ’t geheel niet meer verliet. Van mijn kant
scheen zij mij zoo dierbaar, naar het mij voorkwam, dat ik, om door
haar niet te worden verlaten haar een halsband van goud om den hals
deed, en dat ik haar met een gouden keten in de hand hield. Daarna leek
het mij, dat die ree een oogenblik rustte en de kop op mijn borst
houdend daaruit een panter, zwart als kool—ik weet niet van
waar—voortkwam, uitgehongerd en vreeselijk van aanblik en dat die op
mij toekwam. Alle weerstand scheen mij onmogelijk; het was of die zijn
muil in mijn linkerborst zette en zoover door beet, dat hij tot mijn
hart kwam, mij dit ontroofde en het wegdroeg. Ik voelde hierdoor zulk
een pijn, dat mijn droom ophield en ik zocht ontwaakt met de hand
dadelijk of er niets aan de borst mankeerde, maar daar ik geen letsel
vond, spotte ik zelf er mee, dat ik gezocht had. Maar wat wil dat
zeggen? Ik heb van zulke en erger dingen er genoeg gezien en van niets
ter wereld is mij daardoor meer of minder overkomen. Laat ze daarom
varen en laten wij ons den tijd aangenaam maken. Het meisje, zeer
ontsteld door haar droom, hoorde het en dit werd haar te veel, maar om
Gabriotto geen reden tot ongenoegen te geven, verborg zij haar angst
zooveel mogelijk. En terwijl zij zich bevredigde door hem meermalen te
omhelzen en te kussen en door zich van hem te laten omhelzen en kussen,
vreezend en niet wetend, staarde zij meer dan gewoonlijk rond en keek
door den tuin of zij niets zwarts van eenige zijde zag aankomen. Toen
dit zoo voortduurde, slaakte Gabriotto een groote zucht, omarmde haar
en zij zeide: Wee, mijn ziel, help mij, ik sterf!—en bij die woorden
viel hij op het gras van het perk op de aarde. Het jonge meisje zag
dit, en hief hem op, trok hem op haar borst en sprak klagend: O mijn
lieve heer, o wat voelt gij? Gabriotto antwoordde niet, maar hevig
sidderend en bedekt met zweet ging hij na korten tijd uit dit leven.
Hoe vreeselijk en treurig dit voor het meisje was, kan ieder zich
denken. Zij klaagde zeer en riep hem meermalen vergeefs. Maar daar zij
toch merkte, dat hij dood was, nadat zij elk deel van zijn lichaam
onderzocht had en hem geheel koud vond en niet wetend wat te doen of te
zeggen, ging zij betraand als zij was en vol angst haar meid roepen,
welke van die liefde kennis droeg en toonde deze haar ellende en haar
smart. Toen zij samen droevig eenigen tijd hadden geklaagd over het
doode gelaat van Gabriotto, zei het meisje tot de dienstmaagd: Omdat
God mij deze heeft ontnomen, wil ik niet langer leven. Maar voor ik mij
van kant maak, zou ik willen, dat wij een middel zochten om behoorlijk
mijn eer te dienen en de geheime liefde, die er tusschen ons was en dat
het lichaam, waaruit de genadige ziel verdwenen is, begraven wordt.
Hierop antwoordde de meid: Mijn kind, zeg niet u zelf te willen dooden,
omdat gij, indien gij hem hier verloren hebt, hierdoor hem in de andere
wereld ook zult verliezen, want gij zult naar de hel gaan, waar ik
zeker ben, dat zijn ziel niet is neergedaald, omdat hij een goed
jonkman was, maar het is veel beter u te sterken en er aan te denken en
met gebeden en andere goede dingen zijn ziel te helpen; indien deze het
voor eenige, begane zonde noodig heeft. Er is een middel om hem spoedig
in dezen tuin te begraven, wat nooit iemand zal weten, omdat niemand
bekend is, dat hij er ooit kwam en als gij dit niet wilt, laten wij hem
dan buiten den tuin brengen en hem daar laten. Dan zal hij morgen
gevonden worden en naar zijn huis gedragen en begraven door zijn
familie. Het meisje, hoezeer het ook vol droefenis was en voortdurend
weende, luisterde toch naar den raad van haar meid; en nadat zij het
eerste niet goed had gevonden, antwoordde zij op het tweede: God wil
zeker mij niet toestaan, dat een zoo lieve jonkman, zoo door mij bemind
en mijn man, als een hond zou begraven worden of op straat zou worden
achter gelaten. Hij heeft mijn tranen gehad en zooveel ik zal kunnen,
zal hij die van zijn familie hebben en het schiet mij nog te binnen,
wat wij hiervoor moeten doen.
Snel zond zij haar weg om een stuk zijden doek te halen, dat zij in
haar koffer had en toen zij terugkwam, spreidden zij het op de aarde
uit en plaatsten daarop het lichaam van Gabriotto na hem het hoofd op
een kussen te hebben gelegd. Met vele tranen sloten zij hem de oogen en
den mond, vlochten hem een krans van rozen en na hem geheel bedekt te
hebben met rozen, die zij hadden geplukt, sprak zij tot de meid: Van
hier tot aan de deur van zijn huis is de afstand klein, daarom zullen
gij en ik, gelijk wij van plan waren, hem daarheen dragen en hem van
hier daarheen voeren. Het zal niet lang duren, dat het dag wordt en hij
zal opgenomen worden en hoewel dit geen troost zal wezen voor de
zijnen, zal dit toch een voldoening zijn voor mij, in wiens armen hij
stierf. Bij die woorden wierp zij zich op nieuw met overvloedige tranen
op zijn gelaat en weende langen tijd. Eindelijk sterk aangespoord door
haar meid, omdat het dag werd, stond zij op, trok denzelfden ring,
waarmee zij zich met Gabriotto had verbonden, van haar vinger, deed
dien aan den zijne en zeide schreiend: Mijn lieve heer, indien Uw ziel
mijn tranen ziet of indien eenige kennis of gevoel na het heengaan
daarvan in het lichaam overblijft, ontvang dan welwillend van deze de
laatste gift, die U bij Uw leven zoo beminde. Bij die woorden viel zij
bewusteloos op hem neer en na weer te zijn bijgekomen en opgestaan, nam
zij met de meid samen het doek op, waarover het lijk lag, gingen er mee
den tuin uit en gingen naar zijn huis. Terwijl zij zich daarheen
begaven, werden zij toevallig opgemerkt door de wachters van den
schout, die door een of andere oorzaak daar juist langs kwamen en zij
werden met den doode aangehouden.
Andreuola, die meer begeerde te sterven dan te leven en die de knechten
van de overheid kende, zeide vrijmoedig: Ik weet wie gij zijt en dat
het vluchten mij niet zou baten; ik ben bereid met U voor de rechters
te verschijnen en die te zeggen, wat er gebeurd is, maar laat niemand
van U begeeren mij aan te raken, indien ik U gehoorzaam ben, noch dit
lichaam te naderen, opdat ik hem niet beschuldig. Aldus, zonder te
worden aangeraakt, ging zij met het heele lichaam van Gabriotto naar
het paleis. Toen de baljuw dit hoorde, stond hij op, liet haar in zijn
kamer komen en onderzocht wat er plaats had gegrepen. Nadat hij door
een paar doktoren had laten schouwen of de goede man door vergift of
iets anders was omgebracht, bevestigden allen van niet, maar dat er een
gezwel bij het hart was doorgebroken, dat hem had doen stikken. Toen
hij dit hoorde en begreep, dat zij er weinig schuld aan had, deed hij
zijn best haar te doen blijken, dat hij haar wilde geven, wat hij niet
kon verkoopen en zeide, dat, als zij zijn genoegen wilde bevredigen,
hij haar zou loslaten, maar als zijn woorden niet hielpen, dat hij haar
naar willekeur door geweld zou krijgen. Maar Andreuola door
verontwaardiging ontvlamd en zeer sterk geworden, verdedigde zich
moedig, en stiet hem met beleedigende en fiere woorden terug.
Doch toen het dag werd en dit verteld was aan messire Negro, ging deze
doodelijk bedroefd met vele van zijn vrienden naar het paleis en toen
hij door den schout van alles op de hoogte was gesteld, vroeg hij
schreiend of zijn dochter hem werd teruggegeven. De schout, die zich
eerst wilde verontschuldigen wegens het geweld, dat hij de jonge vrouw
had willen aandoen, voor hij door haar beschuldigd werd, begon haar
standvastigheid te prijzen en zeide, dat hij, wat hij gepoogd had, deed
om haar op de proef te stellen. Daarom bij het zien van haar vasten
wil, had hij groote liefde voor haar opgevat en indien dit behaagde aan
hem, die haar vader was evenals aan haar, zou hij, hoewel zij een man
had gehad van lagen afkomst, haar gaarne huwen. Terwijl hij zoo sprak,
werd Andreuola voor haar vader geleid en, wierp zich weenend aan zijn
voeten en zeide: Vader, ik geloof niet, dat het noodig is U de
geschiedenis te vertellen van mijn liefde en mijn ongeluk, want ik ben
er zeker van, dat gij, die gehoord hebt en weet; en daarom vraag ik
zooveel ik kan, vergiffenis voor mijn misslag, namelijk zonder uw
voorkennis den man te hebben gekozen, die mij het meest beviel. En ik
vraag dat niet, opdat mij het leven zal geschonken worden, maar om als
uw dochter en niet als uw vijandin te sterven. En schreiend viel zij
aan zijn voeten.
Messire Negro, die al oud was en van goedmoedigen en beminnelijken
aard, begon bij die woorden, te huilen, hief zijn dochter teerhartig op
en zeide: Kind, het zou mij aangenamer zijn geweest, als gij er een
gekozen had, die mij voor u geschikter had geschenen en als gij er een
hebt genomen gelijk U beviel, zou ook dat mij nog genoegen hebben
gedaan, maar dat gij hem verborgen hebt door uw weinig vertrouwen, dat
doet mij verdriet en meer nog, dat ik het niet heb geweten. Maar toch,
omdat het zoo is, wil ik, wat ik gedaan zou hebben om u te bevredigen,
als hij nog leefde, namelijk hem eeren als mijn schoonzoon, hem nu doen
na den dood. Hij keerde zich daarop tot de zonen en zijn verwanten en
gelaste hun, dat de begrafenis, die zij voor Gabriotto in orde
brachten, grootsch en eervol zou zijn. Intusschen waren de mannelijke
en vrouwelijke familieleden van het meisje toegeloopen, die het nieuws
hadden vernomen en alle donna’s en mannen, die er in de stad waren.
Toen het lichaam in het midden van den hof geplaatst was op de doek van
Andreuola met al haar rozen, werd hij niet alleen door haar en haar
familie, maar in het openbaar door alle vrouwen van de stad en door
vele mannen beweend. En hij werd niet bij wijze van een plebejer, maar
van een ridder uit de openbare binnenplaats met de grootste eer op de
schouders van de edelste burgers naar het graf gedragen. Eenige dagen
later, toen de schout volhardde bij wat hij gevraagd had en messire
Negro er zijn dochter over gesproken had, wilde zij er niets van
hooren. Toen haar vader haar hierin haar zin gaf, werden zij en haar
dienstmaagd in een klooster, dat wel bekend was om zijn heiligheid,
non, waarin beide langen tijd eerbaar leefden.