De broeders van Isabella dooden haar minnaar; hij verschijnt haar
in een droom en wijst haar de plaats aan, waar hij begraven is. Zij
graaft in stilte het hoofd op en plaatst dit in een pot van
basiliek. [81] Daarbij blijft zij iederen dag langen tijd weenen,
de broeders nemen haar dien af en zij sterft kort daarop van smart.
Toen het verhaal van Elisa geëindigd was en door den koning nogal werd
geprezen, werd aan Filomena opgedragen te spreken; deze vol medelijden
met den ongelukkigen Gerbino en zijn donna, begon na een teedere zucht:
Gracieuse donna’s, mijn novelle zal niet handelen over menschen van zoo
hoogen stand als die waren, van welke Elisa heeft gesproken, maar zij
zal daarom niet minder roerend zijn. En het zal mij dat herinneren, wat
Messina mij voor kort in ’t geheugen riep, waar het voorval plaats had.
Er waren dan in Messina drie jonge broeders en kooplieden en vrij rijk
gebleven na den dood van hun vader, die van San Gimignano [82] was, en
zij hadden een zuster, een jong, zeer schoon meisje van goede manieren,
welke zij, wat er ook de reden van ware, nog niet hadden
uitgehuwelijkt. Behalve dat hadden die drie broeders in een van hun
winkels een Pisaansch jonkman Lorenzo genaamd, die al hun zaken leidde
en deed. Deze was zeer knap van persoon en heel aardig en had meermalen
Lisabetta gezien, zoodat hij aan haar ten zeerste begon te behagen, wat
Lorenzo bemerkte en een en ander maal op dezelfde wijze liet hij zijn
andere verliefdheden ter zijde en begon zijn geest naar haar alleen te
richten. En het ging zoo, daar de een de ander gelijk beviel, dat het
niet lang duurde of, toen zij zeker van elkaar waren, zij deden, wat
elk het meest verlangde. Daar zij hiermee voortgingen en te samen
genoeg plezierigen tijd en voldoening hadden, wisten zij het niet zoo
geheim te doen of op een nacht, toen Lisabetta daarheen ging, waar
Lorenzo sliep, bemerkte het de oudste van de broeders, zonder dat zij
het gewaar werd.
De broeder, die een verstandig jongmensch was, hoezeer de zaak hem ook
hinderde, die hij kende, toch tot een eervoller besluit geleid,
overwoog zonder een woord te spreken of te zeggen, verschillende dingen
en wachtte tot den volgenden morgen. Toen de dag was aangebroken
vertelde hij aan zijn broeders, wat hij in den afgeloopen nacht van
Isabetta en Lorenzo gezien had en met hen te samen na lang beraad, kwam
hij tot de beslissing, opdat noch voor hen, noch voor de zuster er
eenige schande uit zou volgen, er stil over heen te gaan en te veinzen,
dat zij er niets van hadden gezien of geweten tot de tijd kwam, waarop
zij zonder schade en gevaar voor hen, die blaam, voor dit verder ging,
aan het gezicht konden onttrekken. Zoo bleven zij schertsen en lachen
met Lorenzo, gelijk zij gewoon waren en toen zij eens deden of zij alle
drie uit de stad gingen voor hun uitspanning, namen zij Lorenzo mede.
Op een eenzame en afgelegen plaats gekomen, zagen zij de kans schoon en
doodden Lorenzo, die er in ’t geheel niet voor gewaakt had en begroeven
hem, zoodat niemand het merkte. In Messina teruggekeerd vertelden zij,
dat zij hem voor hun zaken ergens heen hadden gestuurd, wat licht werd
geloofd, omdat zij gewoon waren hem dikwijls naar buiten te zenden.
Toen Lorenzo niet terug keerde en Isabella het meermalen en dringend
aan de broeders vroeg als iemand, wien die lange afwezigheid kwelde,
zeiden zij eens, toen zij het zeer met nadruk herhaalde: Wat wil dat
zeggen? Wat hebt gij met Lorenzo te maken, dat gij zoo vaak naar hem
vraagt? Als gij het niet meer zult vragen, zullen wij U een antwoord
geven, dat U aangenaam is. Daardoor bleef het jonge meisje droef en
treurig, vreezend en niet wetend, zonder dat zij er meer om vroeg en
meermalen riep en bad zij ’s nachts, dat hij zou komen en dikwijls
beklaagde zij zich met vele tranen over zijn lange afwezigheid en
zonder een oogenblik zich op te vroolijken bleef zij altijd wachten. Op
een nacht, toen zij lang over Lorenzo had geklaagd, die niet
terugkeerde en zij ten slotte schreiend was ingeslapen, verscheen haar
Lorenzo in den droom, bleek en geheel ontdaan met verscheurde en
bebloedde kleederen en het scheen haar, dat hij zeide: O Lisabetta, gij
doet niets dan mij roepen en treurt over mijne lange afwezigheid en gij
beschuldigt mij wreed met uw tranen. Weet daarom, dat ik niet meer hier
kan terugkeeren, omdat op den laatsten dag, dat gij mij hebt gezien, uw
broeders mij doodden en de plaats aanwijzend, waar zij hem hadden
begraven, zeide hij haar, dat zij hem niet meer moest roepen of
verwachten en hij verdween. Het meisje werd wakker, had vertrouwen in
den droom en weende bitter. Toen het morgen werd, durfde zij niets aan
de broeders zeggen, nam zich voor naar de aangewezen plaats te gaan en
te zien, of het waar was, wat er in haar droom was geopenbaard. Nadat
zij verlof had gekregen wat buiten de stad te gaan voor haar genoegen,
ging zij in gezelschap van een dienstmeid, die vroeger bij hen was en
die alles van haar wist, er zoo spoedig mogelijk heen.
Zij veegde de droge bladeren weg, die er lagen, en waar de aarde minder
hard scheen begon zij te graven. Zij had nog niet lang gezocht of zij
vond het lichaam van haar ongelukkigen minnaar nog in geen enkel
opzicht misvormd of bedorven, waardoor zij duidelijk begreep, dat haar
visioen waar was geweest. Hierover treuriger dan eenige andere vrouw
zag zij in, dat het daar de plaats niet was om te jammeren en had zij,
als ze had gekund, gaarne het heele lichaam weggedragen om het een
eervolle begrafenis te geven, maar ziende, dat dit niet kon, sneed zij,
zoo goed ze kon, met een mes het hoofd van den romp en na dit gewikkeld
te hebben in een doek en over de rest van het lichaam de aarde te
hebben geworpen, stopte zij ’t in het schort van de dienstmaagd zonder
door iemand te zijn opgemerkt, ging vandaar heen en keerde naar huis
terug. Daar sloot zij zich met het hoofd in de kamer op, klaagde lang
en bitter, baadde het geheel met haar tranen en gaf het overal duizend
kussen. Toen nam zij een groote en schoone pot van het soort, waarin
men de majoleine of basiliek plant en deed dit er in, gewikkeld in een
laken. Daarna bedekte zij die met aarde en plantte er verscheidene
stammen van den basiliek op en besproeide die met niets anders dan
rozen- of oranjebloesem-water of met haar eigen tranen. En zij had de
gewoonte aangenomen altijd bij dat hoofd te gaan zitten en het met al
haar liefde te beschouwen, omdat die haar Lorenzo verborgen hield en
als zij het lang bestaard had, boog zij zich er over en begon lang te
schreien, totdat de basiliek doorweekt was van tranen. Die plant,
zoowel door de lange en voortdurende zorg als door de vetheid der
aarde, welke uit het ontbonden hoofd voortkwam, dat er in was, werd
zeer schoon en geurde sterk. Toen het jonge meisje voortging zoo te
treuren, werd het meermalen door de buren gezien. Dezen, terwijl de
broeders zich verwonderden, omdat haar schoonheid verwelkte en dat haar
oogen hol in het hoofd stonden, zeiden tot hen: Wij hebben gemerkt, wat
zij elken dag doet.
De broeders hoorden dit, werden het gewaar en nadat zij haar dit eenige
malen verweten hadden en het niet hielp, lieten zij dien pot in ’t
geheim weghalen. Toen zij dien niet terug vond, vroeg zij hem met den
grootsten aandrang weer velen malen terug en toen men dien haar niet
gaf, hield zij niet op met klagen en weenen, werd ziek en vroeg in haar
lijden niets anders dan haar bloempot. De jongelieden verwonderden zich
zeer over haar vraag en wilden ten slotte zien, wat die pot inhield.
Zij wierpen de aarde er uit, zagen het laken en daarin het hoofd, nog
niet zoo verteerd, of zij herkenden aan het gegolfde haar, dat het dat
van Lorenzo was. Zij verbaasden zich zeer sterk en vreesden, dat men
dit te weten zou komen. Nadat zij dit hadden begraven, gingen zij
zonder het de ouders te zeggen, voorzichtig uit Messina weg en na alles
voor hun vertrek te hebben in orde gebracht, togen zij naar Napels. Het
meisje hield niet op met weenen en altijd om haar bloempot roepend,
stierf zij en zoo eindigde die ongelukkige liefde. Maar toen de
geschiedenis aan velen na zekeren tijd bekend werd, was er iemand, die
er het volgende lied op dichtte, wat men nog zingt:
Wie was de slechte Christen,
Die mij mijn bloempot heeft afgenomen,
Waarin mijn basiliek was van Salerno!
Hij was met kracht gegroeid.
Ik plantte hem met eigen hand
Den dag zelf van mijn geboorte,
Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheid.
Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheid
En de zonde is zeer groot.
O ongelukkige, die mij
Een pot met bloemen had gezaaid.
Hij was zoo schoon, dat ik in zijn schaduw sliep,
Benijd door de menschen.
Hij is mij ontroofd en voor mijn deur.
Hij is mij ontroofd en voor mijn deur.
Ik was daarover zeer bedroefd.
Ongelukkige, hoe ben ik niet gestorven,
Ik, die er zoozeer aan was gehecht!
Toch den vorigen dag, dat ik slecht waakte
Voor den heer, die ik zoo beminde.
Ik had hem gansch omringd van majoleine.
Ik had hem gansch omringd van majoleine
Gedurende de schoone maand van Mei;
Ik besproeide hem elke week drie malen;
Ook zag ik, hoe hij goed wortel vatte.
Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd.
Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd.
Ik kan hem niet meer verbergen,
Maar als ik van te voren had geweten,
Dat dit mij zou gebeuren,
Zou ik voor de deur hebben geslapen
Om mijn bloempot te bewaren:
De groote God moge mij helpen.
De groote God moge mij helpen,
Indien het Hem behaagt
Tegen den man, die zoo schuldig jegens mij is,
Die mij in pijn en kwelling heeft gebracht,
Die mijn basiliek heeft gestolen,
Welke vol was van zooveel geur,
Zijn balsem streelde mij zoo zeer.
Zijn balsem streelde mij zoo zeer,
Zoo frisch geurde hij
En ’s ochtends, als ik hem besproeide
Bij het rijzen van de zon,
Was iedereen verwonderd:
Waar komt zooveel geur vandaan?
En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet.
En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet.
uit liefde voor mijn pot met bloemen.
Als iemand mij zou willen wijzen, waar die is,
Zou ik die graag terugkoopen;
Ik heb in mijn beurs wel honderd onsen goud
Die ik hem gaarne zal geven,
En een kus, als hij het zou verlangen.