VIJFDE VERTELLING.

De broeders van Isabella dooden haar minnaar; hij verschijnt haar

in een droom en wijst haar de plaats aan, waar hij begraven is. Zij

graaft in stilte het hoofd op en plaatst dit in een pot van

basiliek. [81] Daarbij blijft zij iederen dag langen tijd weenen,

de broeders nemen haar dien af en zij sterft kort daarop van smart.

Toen het verhaal van Elisa geëindigd was en door den koning nogal werd

geprezen, werd aan Filomena opgedragen te spreken; deze vol medelijden

met den ongelukkigen Gerbino en zijn donna, begon na een teedere zucht:

Gracieuse donna’s, mijn novelle zal niet handelen over menschen van zoo

hoogen stand als die waren, van welke Elisa heeft gesproken, maar zij

zal daarom niet minder roerend zijn. En het zal mij dat herinneren, wat

Messina mij voor kort in ’t geheugen riep, waar het voorval plaats had.

Er waren dan in Messina drie jonge broeders en kooplieden en vrij rijk

gebleven na den dood van hun vader, die van San Gimignano [82] was, en

zij hadden een zuster, een jong, zeer schoon meisje van goede manieren,

welke zij, wat er ook de reden van ware, nog niet hadden

uitgehuwelijkt. Behalve dat hadden die drie broeders in een van hun

winkels een Pisaansch jonkman Lorenzo genaamd, die al hun zaken leidde

en deed. Deze was zeer knap van persoon en heel aardig en had meermalen

Lisabetta gezien, zoodat hij aan haar ten zeerste begon te behagen, wat

Lorenzo bemerkte en een en ander maal op dezelfde wijze liet hij zijn

andere verliefdheden ter zijde en begon zijn geest naar haar alleen te

richten. En het ging zoo, daar de een de ander gelijk beviel, dat het

niet lang duurde of, toen zij zeker van elkaar waren, zij deden, wat

elk het meest verlangde. Daar zij hiermee voortgingen en te samen

genoeg plezierigen tijd en voldoening hadden, wisten zij het niet zoo

geheim te doen of op een nacht, toen Lisabetta daarheen ging, waar

Lorenzo sliep, bemerkte het de oudste van de broeders, zonder dat zij

het gewaar werd.

De broeder, die een verstandig jongmensch was, hoezeer de zaak hem ook

hinderde, die hij kende, toch tot een eervoller besluit geleid,

overwoog zonder een woord te spreken of te zeggen, verschillende dingen

en wachtte tot den volgenden morgen. Toen de dag was aangebroken

vertelde hij aan zijn broeders, wat hij in den afgeloopen nacht van

Isabetta en Lorenzo gezien had en met hen te samen na lang beraad, kwam

hij tot de beslissing, opdat noch voor hen, noch voor de zuster er

eenige schande uit zou volgen, er stil over heen te gaan en te veinzen,

dat zij er niets van hadden gezien of geweten tot de tijd kwam, waarop

zij zonder schade en gevaar voor hen, die blaam, voor dit verder ging,

aan het gezicht konden onttrekken. Zoo bleven zij schertsen en lachen

met Lorenzo, gelijk zij gewoon waren en toen zij eens deden of zij alle

drie uit de stad gingen voor hun uitspanning, namen zij Lorenzo mede.

Op een eenzame en afgelegen plaats gekomen, zagen zij de kans schoon en

doodden Lorenzo, die er in ’t geheel niet voor gewaakt had en begroeven

hem, zoodat niemand het merkte. In Messina teruggekeerd vertelden zij,

dat zij hem voor hun zaken ergens heen hadden gestuurd, wat licht werd

geloofd, omdat zij gewoon waren hem dikwijls naar buiten te zenden.

Toen Lorenzo niet terug keerde en Isabella het meermalen en dringend

aan de broeders vroeg als iemand, wien die lange afwezigheid kwelde,

zeiden zij eens, toen zij het zeer met nadruk herhaalde: Wat wil dat

zeggen? Wat hebt gij met Lorenzo te maken, dat gij zoo vaak naar hem

vraagt? Als gij het niet meer zult vragen, zullen wij U een antwoord

geven, dat U aangenaam is. Daardoor bleef het jonge meisje droef en

treurig, vreezend en niet wetend, zonder dat zij er meer om vroeg en

meermalen riep en bad zij ’s nachts, dat hij zou komen en dikwijls

beklaagde zij zich met vele tranen over zijn lange afwezigheid en

zonder een oogenblik zich op te vroolijken bleef zij altijd wachten. Op

een nacht, toen zij lang over Lorenzo had geklaagd, die niet

terugkeerde en zij ten slotte schreiend was ingeslapen, verscheen haar

Lorenzo in den droom, bleek en geheel ontdaan met verscheurde en

bebloedde kleederen en het scheen haar, dat hij zeide: O Lisabetta, gij

doet niets dan mij roepen en treurt over mijne lange afwezigheid en gij

beschuldigt mij wreed met uw tranen. Weet daarom, dat ik niet meer hier

kan terugkeeren, omdat op den laatsten dag, dat gij mij hebt gezien, uw

broeders mij doodden en de plaats aanwijzend, waar zij hem hadden

begraven, zeide hij haar, dat zij hem niet meer moest roepen of

verwachten en hij verdween. Het meisje werd wakker, had vertrouwen in

den droom en weende bitter. Toen het morgen werd, durfde zij niets aan

de broeders zeggen, nam zich voor naar de aangewezen plaats te gaan en

te zien, of het waar was, wat er in haar droom was geopenbaard. Nadat

zij verlof had gekregen wat buiten de stad te gaan voor haar genoegen,

ging zij in gezelschap van een dienstmeid, die vroeger bij hen was en

die alles van haar wist, er zoo spoedig mogelijk heen.

Zij veegde de droge bladeren weg, die er lagen, en waar de aarde minder

hard scheen begon zij te graven. Zij had nog niet lang gezocht of zij

vond het lichaam van haar ongelukkigen minnaar nog in geen enkel

opzicht misvormd of bedorven, waardoor zij duidelijk begreep, dat haar

visioen waar was geweest. Hierover treuriger dan eenige andere vrouw

zag zij in, dat het daar de plaats niet was om te jammeren en had zij,

als ze had gekund, gaarne het heele lichaam weggedragen om het een

eervolle begrafenis te geven, maar ziende, dat dit niet kon, sneed zij,

zoo goed ze kon, met een mes het hoofd van den romp en na dit gewikkeld

te hebben in een doek en over de rest van het lichaam de aarde te

hebben geworpen, stopte zij ’t in het schort van de dienstmaagd zonder

door iemand te zijn opgemerkt, ging vandaar heen en keerde naar huis

terug. Daar sloot zij zich met het hoofd in de kamer op, klaagde lang

en bitter, baadde het geheel met haar tranen en gaf het overal duizend

kussen. Toen nam zij een groote en schoone pot van het soort, waarin

men de majoleine of basiliek plant en deed dit er in, gewikkeld in een

laken. Daarna bedekte zij die met aarde en plantte er verscheidene

stammen van den basiliek op en besproeide die met niets anders dan

rozen- of oranjebloesem-water of met haar eigen tranen. En zij had de

gewoonte aangenomen altijd bij dat hoofd te gaan zitten en het met al

haar liefde te beschouwen, omdat die haar Lorenzo verborgen hield en

als zij het lang bestaard had, boog zij zich er over en begon lang te

schreien, totdat de basiliek doorweekt was van tranen. Die plant,

zoowel door de lange en voortdurende zorg als door de vetheid der

aarde, welke uit het ontbonden hoofd voortkwam, dat er in was, werd

zeer schoon en geurde sterk. Toen het jonge meisje voortging zoo te

treuren, werd het meermalen door de buren gezien. Dezen, terwijl de

broeders zich verwonderden, omdat haar schoonheid verwelkte en dat haar

oogen hol in het hoofd stonden, zeiden tot hen: Wij hebben gemerkt, wat

zij elken dag doet.

De broeders hoorden dit, werden het gewaar en nadat zij haar dit eenige

malen verweten hadden en het niet hielp, lieten zij dien pot in ’t

geheim weghalen. Toen zij dien niet terug vond, vroeg zij hem met den

grootsten aandrang weer velen malen terug en toen men dien haar niet

gaf, hield zij niet op met klagen en weenen, werd ziek en vroeg in haar

lijden niets anders dan haar bloempot. De jongelieden verwonderden zich

zeer over haar vraag en wilden ten slotte zien, wat die pot inhield.

Zij wierpen de aarde er uit, zagen het laken en daarin het hoofd, nog

niet zoo verteerd, of zij herkenden aan het gegolfde haar, dat het dat

van Lorenzo was. Zij verbaasden zich zeer sterk en vreesden, dat men

dit te weten zou komen. Nadat zij dit hadden begraven, gingen zij

zonder het de ouders te zeggen, voorzichtig uit Messina weg en na alles

voor hun vertrek te hebben in orde gebracht, togen zij naar Napels. Het

meisje hield niet op met weenen en altijd om haar bloempot roepend,

stierf zij en zoo eindigde die ongelukkige liefde. Maar toen de

geschiedenis aan velen na zekeren tijd bekend werd, was er iemand, die

er het volgende lied op dichtte, wat men nog zingt:

Wie was de slechte Christen,

Die mij mijn bloempot heeft afgenomen,

Waarin mijn basiliek was van Salerno!

Hij was met kracht gegroeid.

Ik plantte hem met eigen hand

Den dag zelf van mijn geboorte,

Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheid.

Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheid

En de zonde is zeer groot.

O ongelukkige, die mij

Een pot met bloemen had gezaaid.

Hij was zoo schoon, dat ik in zijn schaduw sliep,

Benijd door de menschen.

Hij is mij ontroofd en voor mijn deur.

Hij is mij ontroofd en voor mijn deur.

Ik was daarover zeer bedroefd.

Ongelukkige, hoe ben ik niet gestorven,

Ik, die er zoozeer aan was gehecht!

Toch den vorigen dag, dat ik slecht waakte

Voor den heer, die ik zoo beminde.

Ik had hem gansch omringd van majoleine.

Ik had hem gansch omringd van majoleine

Gedurende de schoone maand van Mei;

Ik besproeide hem elke week drie malen;

Ook zag ik, hoe hij goed wortel vatte.

Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd.

Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd.

Ik kan hem niet meer verbergen,

Maar als ik van te voren had geweten,

Dat dit mij zou gebeuren,

Zou ik voor de deur hebben geslapen

Om mijn bloempot te bewaren:

De groote God moge mij helpen.

De groote God moge mij helpen,

Indien het Hem behaagt

Tegen den man, die zoo schuldig jegens mij is,

Die mij in pijn en kwelling heeft gebracht,

Die mijn basiliek heeft gestolen,

Welke vol was van zooveel geur,

Zijn balsem streelde mij zoo zeer.

Zijn balsem streelde mij zoo zeer,

Zoo frisch geurde hij

En ’s ochtends, als ik hem besproeide

Bij het rijzen van de zon,

Was iedereen verwonderd:

Waar komt zooveel geur vandaan?

En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet.

En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet.

uit liefde voor mijn pot met bloemen.

Als iemand mij zou willen wijzen, waar die is,

Zou ik die graag terugkoopen;

Ik heb in mijn beurs wel honderd onsen goud

Die ik hem gaarne zal geven,

En een kus, als hij het zou verlangen.

De Decamerone van Boccaccio · 第 41 / 116 题