Gerbino, ondanks het gegeven woord van koning Guiglielmo, zijn
grootvader, valt een schip aan van den koning van Tunis om een
dochter van dezen te schaken. Zij wordt gedood door hen, die op het
schip waren. Gerbino doodt ze allen en op zijn beurt wordt hem
later het hoofd afgeslagen.
Toen Lauretta haar verhaal geëindigd had, zweeg zij en elk in het
gezelschap pratend deze met gene en die met een ander, treurde over het
ongeluk der minnenden en de een laakte de toorn van Ninette en de ander
zei dit en een derde dat, toen de koning van een diepe gedachte
bevrijd, het gelaat ophief en aan Elisa een teeken gaf, dat zij zou
voortgaan, welke nederig begon: Bekoorlijke donna’s. Er zijn genoeg
menschen, die gelooven, dat Amor alleen zijn pijlen werpt, nadat men
door het gezicht ontbrand is, en spotten met hen, die willen staande
houden, dat men van hooren zeggen verliefd kan worden. Dat dezen
bedrogen uitkomen, zal duidelijk blijken uit een novelle, welke ik wil
vertellen. Gij zult er uit zien, dat niet alleen de faam prikkelt
zonder dat de minnenden elkaar ooit hebben aanschouwd, maar het zal
duidelijk worden, dat die allen hier tot een ellendigen dood heeft
gevoerd.
Guiglielmo, de tweede koning van Sicilië [77], gelijk de Sicilianen
willen, had twee kinderen, een zoon Ruggieri en een dochter Gostanza.
Deze Ruggieri [78] stierf voor zijn vader en liet een zoon na Gerbino
genaamd, die door zijn grootvader met zorg werd opgevoed, een schoone
jongeling werd en beroemd door dapperheid en hoffelijkheid. En zijn
faam bleef niet alleen beperkt binnen de grenzen van Sicilië, maar
klinkend in verschillende deelen der wereld, was zij zeer verbreid in
Barbarije, dat in dien tijd aan den koning van Sicilië schatplichtig
was. En onder velen, wier ooren de groote faam van de kracht en de
hoffelijkheid van Gerbino bereikte, was een dochter van den koning van
Tunis, die, volgens elk, die haar had gezien, een der schoonste
schepsels was, welke ooit door de natuur werd gevormd en met een groote
en edele ziel. Deze, die gaarne van dappere mannen hoorde spreken,
ontving met zooveel welwillendheid de moedige daden door Gerbino
verricht door den een en den ander verteld, dat zij, in zich zelf zich
verbeeldend hoe hij moest wezen, hevig op hem verliefd werd en liefst
van hem sprak en luisterde naar wie dit deed. Van den anderen kant had
de groote naam van haar schoonheid en waardigheid op gelijke wijze
Sicilië bereikt en kwam niet zonder groote bekoring noch vergeefs
Gerbino ter oore, zoo dat hij niet minder op haar ontvlamde dan zij op
hem. Hierdoor tot hij een eerlijke reden van zijn grootvader verkreeg
tot verlof om naar Tunis te gaan, gelastte hij aan elken vriend van
hem, die daar heenging aan haar zooveel mogelijk zijn geheim en groote
liefde op de meest geschikte manier toe te vertrouwen en hem nieuws van
haar te melden. Een van hen deed dit op zeer schrandere wijze, onder
voorwendsel juweelen voor dames te brengen gelijk de kooplieden en te
laten zien. Hij openbaarde haar geheel de hartstocht van Gerbino en
bood zich aan om voor haar en haar zaken te zorgen. Zij ontving met een
blij gelaat den bode en de boodschap en nadat zij hem had geantwoord,
dat zij van gelijke liefde brandde, zond ze hem een van haar duurste
juweelen als getuigenis. Gerbino ontving dit met zooveel vreugde, als
hij eenige kostbaarheid maar ontvangen kon, schreef door diens
bemiddeling haar meermalen, zond zeer dure geschenken en maakte met
haar bepaalde afspraken om elkaar, indien de fortuin het zou toestaan,
te zien en met haar te spreken.
Doch toen de zaken aldus voortgingen en wat langer duurden dan noodig
was en het jonge meisje en Gerbino wederkeerig van liefde brandden,
huwde de koning van Tunis haar uit aan den koning van Granada. [79] Zij
was hierover zeer bedroefd denkend, dat zij niet alleen door den
afstand verder van haar gelietde verwijderd was, maar dat zij hem
geheel werd ontvoerd. En als zij een middel had geweten, opdat dit niet
zou gebeuren, zou zij van haar vader gevlucht zijn en naar Gerbino zijn
gekomen. Evenzoo was Gerbino, toen hij van dit huwelijk hoorde, zeer
bedroefd en dacht er dikwijls over of er een middel zou zijn om haar
met geweld te schaken, indien zij over zee naar haar echtgenoot zou
gaan. De koning van Tunis, die iets van die liefde vernomen had en van
het voorstel van Gerbino en die bevreesd was voor zijn moed en zijn
kracht, verzocht, toen de tijd gekomen was om haar weg te sturen, aan
koning Guglielmo hem te verklaren, wat die voornemens was en wat hij
van plan was te doen om verzekerd te zijn, dat hij noch door Gerbino
noch door wie ook hierin belemmerd zou worden. Koning Guglielmo, die
een oud man was, die niets van de verliefdheid van Gerbino had bespeurd
en zelfs niet vermoedde, dat hem daartoe die zekerheid gevraagd werd,
stond die gaarne toe en ten teeken hiervan zond hij aan den koning van
Tunis zijn handschoen. Toen hij die waarborg had ontvangen, liet hij
een zeer groot en schoon schip in de haven van Carthago uitrusten en
het voorzien van al wat noodig was voor wie er op moest gaan en het
wapenen en inrichten om daarop de dochter naar Granada te zenden. Hij
wachtte niet anders af dan gunstig weer. De jonge dame, die alles wist
en zag, zond in stilte een van haar dienaren naar Palermo en gelastte
hem, dat hij Gerbino in haar naam liet groeten en hem zeggen, dat zij
binnen enkele dagen naar Granada zou gaan, waardoor men dan nu zou zien
of hij zulk een dapper man was, als men zeide en of hij haar zoozeer
beminde, als hij haar meermalen had te kennen gegeven.
Hij, aan wien de boodschap was opgedragen, verrichtte deze zeer goed en
keerde naar Tunis terug. Toen Gerbino dit hoorde en wist, dat koning
Guglielmo, zijn grootvader de geruststelling had gegeven aan den koning
van Tunis, wist hij niet wat te doen, maar toch werd hij door liefde
aangespoord, en had hij de woorden der donna begrepen. Om niet laf te
schijnen ging hij naar Messina, waar hij ijlings twee lichte galeien
deed bewapenen; nadat hij er dappere mannen op geplaatst had, begaf hij
zich met die schepen naar Sardinië, omdat hij meende, dat daar het
vaartuig van de donna moest voorbijgaan. Het gevolg van zijn plan bleef
niet lang uit, daar weinige dagen later het schip met weinig wind niet
ver van de plaats, waar hij het in stilte verwachtte, aankwam. Gerbino
zag dit en zeide tot zijn metgezellen: Heeren, wanneer gij zoo dapper
zijt als ik denk, geloof ik niet, dat een van u nooit liefde zal
gevoeld hebben of nog gevoelt, zonder welke, naar ik zelf meen, geen
sterveling eenige deugd of iets goeds in zich kan dragen en als gij
verliefd geweest zijt of nog zijt, zal het voor u gemakkelijk zijn te
begrijpen wat ik verlang. Ik heb lief en de liefde drijft mij u deze
inspanning te veroorzaken en wie ik lief heb, bevindt zich op het
schip, dat gij daar voor u ziet, hetwelk met dat wat ik het meeste
begeer vol groote rijkdommen is, die wij, als gij dappere kerels zijt,
met weinig moeite door flink te vechten, kunnen veroveren. Van deze
zegepraal zoek ik niets anders als aandeel voor mij dan een vrouw; uit
liefde tot haar voer ik de wapenen; al het andere behoore u volop. Laat
ons dus gaan en met goed geluk het schip aanvallen. God, gunstig
gestemd voor onze onderneming, houdt het hier vast zonder het wind te
verte verleenen. De knappe Gerbino had zooveel woorden niet noodig,
omdat de Messineezen, die hem vergezelden, begeerig waren naar buit en
reeds geneigd waren dat te doen, waartoe Gerbino ze met woorden
aanzette. Daarom hieven zij bij het slot van zijn woorden een luid
geschreeuw aan van: Zoo zij het! en de trompetten klonken, zij grepen
de wapens, staken de riemen in het water en bereikten het schip. Zij,
die er op waren, zagen de galeien van verre komen en daar zij niet
konden vertrekken, maakten zij zich gereed tot verdediging. De schoone
Gerbino, toen hij het naderde, beval, dat de heeren van het schip op de
galeien zouden komen, indien zij geen gevecht wenschten. De Saracenen,
wetend wie zij waren en wat zij wenschten, zeiden, dat dit tegen de
verzekering was hun gegeven door den koning van hun aanvallers en tot
teeken daarvan toonden zij den handschoen van koning Guiglielmo en
weigerden volstrekt ooit, tenzij door een strijd, zich over te geven of
iets wat zich op hun schip bevond af te staan. Gerbino, die op den
achtersteven van het schip de donna gezien had, veel schooner, dan hij
in zich zelf had gedacht, nog meer dan vroeger ontvlamd, antwoordde bij
het toonen van den handschoen, dat er geen valken waren, zoodat er geen
handschoen noodig was [80] en zich, daar ze de donna niet wilden
overgeven, gereed te maken den slag te beginnen, welke zonder uitstel
plaats had. Zij begonnen elkaar duchtig met pijlen te beschieten en met
steenen te gooien en lang tot schade van beide vochten zij op die
wijze. Ten slotte zag Gerbino, dat het weinig hielp, nam een klein
scheepje, dat hij van Sardinië had meegevoerd, stak het in brand en
naderde met de twee galeien vlak bij het vaartuig. De Saracenen
ontwaarden dit en begrepen, dat zij zich moesten overgeven of sterven,
lieten de koningsdochter op het dek komen, die in het ruim weende en
leidden die naar den voorsteven van het schip. Zij riepen Gerbino en
doodden haar, terwijl zij voor zijn oogen genade en hulp smeekte,
wierpen haar in zee en zeiden: Neem haar, wij geven haar gelijk wij
kunnen en gelijk uw trouw het heeft verdiend. Gerbino, die hun
wreedheid zag, verlangend te sterven, liet zich niet lettend op pijl of
steen tot het schip naderen en daarop geklommen, ondanks zij, die zich
daar bevonden, doodde hij vele Saracenen evenzoo als een hongerige
leeuw onder een kudde kalven gekomen, die dan deze, dan gene ombrengt,
en eerst zijn woede, welke de honger is, met zijn tanden en nagels
verzadigt. Zoo deed hij het met een degen in de hand dan deze dan gene
vermoordend. Reeds wies het vuur op het aangestoken schip en had hij er
door zijn matrozen laten afhalen, wat de vijanden tot betaling kon
dienen, toen hij er afdaalde met een niet zeer blijde overwinning op
zijn tegenstanders behaald.
Vervolgens liet hij het lichaam van de schoone donna uit zee ophalen en
beweende het langen tijd met vele tranen. Hij keerde naar Sicilië terug
en liet haar in Ustica, een klein eilandje zoo goed als tegenover
Trapani, eervol begraven en keerde bedroefder dan wie ook terug naar
huis. Toen de koning van Tunis het nieuws hoorde, zond hij zijn
gezanten in het zwart gekleed naar koning Guglielmo, beklaagde zich
over de belofte, die zoo slecht was gehouden en vertelde hem hoe alles
gebeurd was. Hierover was koning Guglielmo zeer vertoornd en daar hij
geen weg zag om de gerechtigheid te weigeren, (die zij van hem
eischten) liet hij Gerbino gevangen nemen en hij zelf, zonder dat de
beden van een zijner baronnen hem konden vermurwen, veroordeelde hem
tot onthoofding en liet hem het hoofd in zijn tegenwoordigheid
afhakken, daar hij liever zonder kleinzoon wilde blijven dan gehouden
worden voor een vorst zonder trouw. Zoo stierven dus binnen weinige
dagen de twee minnenden zonder eenige vrucht van hun liefde te hebben
genoten een kwaden dood, gelijk ik gezegd heb.