Drie jongelieden worden op drie zusters verliefd en vluchten met
hen naar Creta. De oudste doodt haar minnaar uit jaloezie, de
tweede redt de oudste zuster het leven door te slapen met den
hertog van dit eiland, wier minnaar haar doodt en met de oudste
vlucht. De derde minnaar en de derde zuster worden beschuldigd van
den moord; zij bekennen dit na gevangen genomen te zijn en uit
vrees voor den dood koopen zij den bewaarder om en vluchtten arm
naar Rhodes, waar zij in ellende sterven. [75]
Toen Filostrato het einde der geschiedenis van Pampinea gehoord had,
bleef hij eenigen tijd stil en zeide toen naar haar gekeerd: Er was wel
wat goeds—en dat beviel mij—in het slot van uw verhaal, maar er was in
den aanvang te veel in om te lachen, wat ik liever niet had gewild.
Daarop sprak hij naar Lauretta gewend: Donna, volgt u nu met een beter
verhaal, indien dit kan. Lauretta zeide lachend: Gij zijt te wreed
jegens de minnenden, indien gij toch maar voor hen een ongelukkig einde
wenscht. En ik om u te gehoorzamen zal u er een vertellen van hen, die
eveneens er slecht bij voeren en weinig pleizier van hun liefde
beleefden en na die woorden begon zij:
Jonge dames. Gelijk gij zeer goed kunt begrijpen, kan elke ondeugd in
het grootste nadeel verkeeren voor hem, die er misbruik van maakt en
dikwijls ook voor anderen. En onder de gebreken, die ons met losse
teugels in het verderf voeren, schijnt mij de drift te behooren, welke
geen andere is dan een plotselinge en ondoordachte beweging, ontstaan
door een gevoel van treurigheid, dat alle rede verdrijft en onze
geestesoogen met duisternis verblindend in de ziel een hevige woede
doet ontvlammen. Daar dit dikwijls bij de mannen gebeurt en bij den een
meer dan bij den ander, ziet men die ondeugd met nog grooter nadeel bij
de vrouwen, omdat die in hen lichter ontbrandt, met helderder vlam
ontstoken wordt en minder zelfbedwang ze weerhoudt. Daar is niets
wonderlijks in, omdat wij het vuur, als wij willen opletten, van nature
eerder lichte en zwakke dingen zullen zien aantasten dan harde en
zwaardere. Toch—en de mannen nemen het niet als een kwaad op—zijn wij
veel gevoeliger dan zij zijn en veel bewegelijker. Daarom in aanmerking
nemend, dat wij hiertoe van nature geneigd zijn en als we daarna
beschouwen, hoe onze zachtmoedigheid en welwillendheid aan de mannen
een groote rust en genot schenken, met welken wij moeten leven en dat
aldus de drift en de woede een groot nadeel en gevaar zijn en dat wij
hierdoor een sterker karakter bewaren, wil ik met mijn geschiedenis
aantoonen, waarin de liefde van drie jongelieden en even zooveel
donna’s gelijk ik hierboven zeide, door den toorn van een hunner van
gelukkig zeer ongelukkig is geworden.
Marseille is gelijk gij weet gelegen in Provence aan den oever der zee,
een antieke en zeer voorname stad en die vroeger vol was van rijke
lieden en van grooter kooplui dan men heden ziet. Onder deze was er een
Arnaud Claude genaamd, een man van geringe geboorte, maar van goede
trouw en eerlijke koopmanschap grenzeloos rijk aan bezittingen en geld,
die van zijn vrouw meerdere dochters had, van welke drie meisjes waren
ouder dan de zonen. Van de eerste waren er twee tweelingen van vijftien
jaar en de derde was veertien. De ouders verwachtten niets anders om ze
te huwen dan de terugkeer van Arnaud, die met zijn waren naar Spanje
was gegaan. Van de twee eersten waren achtereenvolgens de namen Ninetta
en Madeleine, de derde heette Berthole. Op Ninetta was een jong
edelman, die helaas arm was en Restagnon heette, vurig verliefd en het
meisje op hem. Zij hadden zoo te werk weten te gaan, dat, zonder dat
iemand ter wereld het wist, zij in hun liefde zich verheugden en reeds
hadden zij zich er een heelen tijd in verblijd, toen twee jonge
metgezellen, waarvan de een Fouques heette en de ander Hugues en
waarvan de vaders dood waren en die zeer rijk achter bleven, de een op
Madeleine en de ander op Berthole verliefd werden. Restagnon bemerkte
dit, daar Ninetta hem er op gewezen had en dacht zijn eigen geldgebrek
te kunnen overwinnen door hun liefde. Hij verbond zich met hen en
vergezelde dan den een en dan den ander en soms beide om hun donna’s en
de zijne te zien en toen hij genoeg met hen bekend en bevriend was,
riep hij ze eens bij zich thuis en zeide tot hen: Zeer waarde jongelui,
onze omgang kan u verzekerd hebben, hoe groot de vriendschap is, die ik
u toedraag en dat ik voor u zou doen, wat ik voor mij zelf zou
verrichten en omdat ik u zeer mag lijden, wil ik u uiteenzetten wat mij
is te binnen gevallen en daarna zult gij met mij samen die partij
kiezen, welke u het voordeeligst zal schijnen. Gij, als uwe woorden
niet liegen en ook door wat ik uit uw daden bij dag en nacht meen te
begrijpen, brandt van zeer groote liefde voor de twee jonge dames door
u bemind en ik voor de derde, hun zuster voor welken gloed, als gij het
eens kunt worden, het hart mij een zeer zacht en aangenaam geneesmiddel
wijst, namelijk dit: Gij zijt zeer rijke jongelieden, wat ik niet ben;
indien gij uw bezittingen tot een wilt verbinden en mij tot den derden
bezitter met u te samen er van wilt maken en overleggen naar welk deel
der wereld wij willen gaan om een heerlijk bestaan met hen te hebben,
geeft mijn hart mij zonder twijfel mij in het volgende te doen: dat de
drie zusters met een groot deel der goederen van hun vader met ons mede
zullen gaan, waarheen wij willen en daar kan ieder met de zijne en wij
dus als drie broeders, leven als de tevredenste menschen, die er op de
wereld zijn te vinden. Aan u staat het verder partij te kiezen door u
hiermee te vereenigen of het na te laten. De twee jongelieden, die zeer
ontgloeiden, toen zij hoorden, dat zij hun meisjes zouden krijgen,
vermoeiden zich niet te veel met beraadslagen, maar zeiden, dat men dit
moest navolgen, wat zij bereid waren te doen. Toen Restagnon dit
antwoord van de jongelieden ontvangen had, ontmoette hij een paar dagen
later Ninette, bij wien hij niet zonder groote moeite kon komen en
nadat hij eenigen tijd met haar samen was geweest, vertelde hij haar
wat hij met de jongelui afgesproken had en deed zijn best met vele
redeneeringen haar dit voornemen te doen bevallen. Maar dit beviel haar
zeer, omdat zij nog meer dan hij verlangde hem zonder argwaan te zien.
Daarom antwoordde zij vrijmoedig, dat zij het goed vond en dat de
zusters en het meest hierin, dat zouden doen wat zij wilde, en zeide
hem, dat hij elk gunstig middel hiertoe zoo gauw hij kon, moest
aanwenden. Restagnon keerde tot de jongelieden terug, die hem sterk
aanspoorden tot wat hij besproken had en hun zeide, dat van den kant
van hun donna’s het werk op den goeden weg was, Zij beraadslaagden
onder elkaar om naar Creta te gaan, verkochten enkele bezittingen die
zij hadden onder voorwendsel baar geld te krijgen voor den handel,
maakten al het andere te gelde, kochten een fregat en bewapenden dit
heimelijk geheel, en wachtten den gegeven termijn af. Anderzijds zette
Ninette, die genoeg van de begeerte van haar zusters wist, met mooie
woorden hen tot zooveel verlangen hiernaar aan, dat zij zich
verbeeldden niet meer te kunnen leven, eer dit gebeurd was. Toen de
nacht aanbrak, waarin zij het fregat moesten bestijgen, haalden de drie
zusters na een groote kist van hun vader geopend te hebben, daaruit een
zeer groote hoeveelheid geld en juweelen, gingen hiermee alle drie
volgens de afspraak stil uit het huis en vonden de drie minnaars, die
hen wachten. Met hen bestegen zij dadelijk het schip, staken de riemen
in het water en gingen weg. Zonder zich ergens op te houden kwamen zij
den volgenden avond te Genua, waar de jonge minnenden voor het eerst
weer vreugde en genoegen hadden van hun liefde. Nadat zij zich voorzien
hadden van al wat zij noodig hadden, gingen zij weg en van haven tot
haven kwamen zij, voor acht dagen om waren, zonder hindernis op Creta,
waar zij zeer groote en schoone gronden kochten en zij vrij dicht bij
Candia [76] zeer fraaie en aangename woningen deden bouwen. Daar
begonnen zij met veel bedienden, met honden en vogels en paarden, bij
gastmalen en feesten en in vreugde met hun donna’s als de tevredenste
menschen ter wereld bij wijze van baronnen te leven. Aldus gelijk wij
iederen dag zien, dat de aangenaamste dingen vervelen, wanneer men er
te grooten overvloed van heeft, begon Restagnon, die veel van Ninette
gehouden had en die haar tot zijn behagen hebben kon en zonder eenige
vrees genoeg van haar te krijgen en bijgevolg zijn liefde te
verflauwen. Toen hij zich op een feest bevond, had een jong meisje van
dit eiland hem zeer behaagd. Het was een schoone en lieve donna, die
hij met den grootsten ijver volgde en hij begon haar wonderlijk te
vieren en te eeren. Ninette merkte dit, werd zeer jaloersch op hem,
zoodat hij geen pas kon verzetten of ze wist het en kwelde hem daarna
met woorden en schimp. Maar gelijk de overvloed der dingen hinderlijk
wordt, zoo vergroot de onthouding van begeerten het verlangen en zoo
vermeerderden de scheldwoorden van Ninette de vlammen der nieuwe liefde
van Restagnon. Door verloop van tijd—hetzij Restagnon de gunsten van de
donna verkreeg of niet—verviel Ninette, die het van wie ze het ook
hoorde, voor waar hield, tot zulk een droefheid, toen tot zulk een
toorn en daarna tot zulk een woede, dat de liefde voor hem omsloeg in
fellen haat, en zij besloot, verteerd door gramschap door den dood van
Restagnon de beleediging te wreken, die zij meende, dat haar was
aangedaan.
Zij ging naar een oude Griekin, zeer ervaren in het samenstellen van
vergiften en haalde haar door beloften en geschenken over een
doodelijke drank te bereiden, die zij zonder verder te aarzelen op een
avond aan Restagnon te drinken gaf, die het warm had en er niet op
lette. De kracht daarvan was zoo groot, dat die hem vóór den morgen
gedood had. Toen Fouques en Hugues en hun vrouwen diens dood hoorden
zonder te weten, dat hij door vergift was vermoord, beweenden zij hem
bitter met Ninetta te samen en deden hem eervol begraven. Maar weinige
dagen later werd de oude vrouw, die voor Ninette het venijnige vocht
had klaar gemaakt, voor een andere misdaad gevangen genomen, die bij
haar andere misdrijven op de pijnbank dit bekende en ten volle aangaf,
waardoor dit was geschied. Hierdoor kwam de hertog van Creta zonder er
iets van te zeggen, een nacht stil in het paleis van Fouques en zonder
eenig rumoer of tegenspraak, voerde hij Ninette, die in hechtenis werd
genomen, weg. Fouques en Hugues hadden van den hertog gehoord—en hun
donna’s weer van hen—waarom Ninette was gevangen genomen, wat hun zeer
onaangenaam was en zij deden alles om Ninette aan den brandstapel te
ontrukken, waartoe zij dachten, dat zij zou worden veroordeeld, als
een, die het wel had verdiend. Maar het scheen niets te helpen, omdat
de hertog vast besloten was recht te doen. Madeleine, die een mooi,
jong meisje was en lang den hertog had begeerd zonder ooit iets te
hebben willen doen, dat hem zou behagen, verbeeldde zich, dat zij
hierdoor haar zuster van den vuurdood zou kunnen redden en gaf hem door
een voorzichtigen bode te kennen, dat zij tot elk bevel van hem gereed
was, waaruit twee zaken moesten volgen: ten eerste, dat zij haar zuster
veilig en vrij zou terug krijgen, ten tweede, dat dit een geheim zou
blijven. De hertog hoorde de boodschap, deze beviel hem en hij dacht
lang na, wat hij zou doen. Eindelijk stemde hij toe en zeide, dat hij
bereid was. Alsof hij inlichtingen van hen wilde hebben, liet hij
Fouques en Hugues een nacht gevangen nemen en sliep met toestemming van
Madeleine in ’t geheim met haar. Nadat hij eerst deed of hij Ninette in
een zak had laten doen en dienzelfden nacht in zee werpen met een steen
om den hals, voerde hij haar met zich mede naar haar zuster terug en
gaf haar deze als loon. Hij verzocht haar, dat zij ’s morgens zou
vertrekken en dat die nacht, welke de eerste van hun liefde was geweest
niet de laatste zou zijn. Bovendien gelastte hij haar, dat zij de
schuldige donna wegzond, opdat zij hem niet zou schandvlekken en hem
niet zou noodzaken haar opnieuw te vervolgen. Den volgenden morgen
werden Fouques en Hugues vrijgelaten, nadat zij hadden hooren
vertellen, dat Ninette dien nacht verdronken was geworden en zij
geloofden dit en keerden terug naar hun huis om hun vrouwen over de
dood van hun zuster te troosten, hoewel Madeleine haar best deed haar
goed verborgen te houden, maar toch bemerkte Fouques, dat zij er was.
Hierover was hij zeer verwonderd en kreeg dadelijk argwaan (daar hij al
bemerkt had, dat de hertog Madeleine had bemind) en vroeg haar, hoe het
mogelijk was, dat Ninette zich daar bevond. Madeleine spon een lang
verzinsel uit om het hem te willen verklaren, die haar, omdat hij slim
was, weinig geloofde en die haar dwong de waarheid te zeggen, wat zij
na weinig praten dan ook maar deed. Fouques door smart overwonnen en in
woede ontbrand trok een degen en terwijl zij tevergeefs genade vroeg,
doodde hij haar. Hij vreesde den toorn en de vervolging van den hertog,
liet haar dood in de kamer achter en begaf zich daarheen, waar Ninette
was en zeide haar met een geveinsd vroolijk gelaat: Laten wij dadelijk
heengaan, waar het door uw zuster afgesproken is, waarbij ik u zal
leiden, opdat gij niet meer in handen van den hertog valt.
Ninette geloofde dit en daar zij bang was en daardoor verlangde te
vertrekken, begaf zij zich met Fouques zonder verder afscheid van haar
zuster te nemen op weg. En met dat weinige geld, waarop Fouques de hand
kon leggen, gingen zij naar de haven, bestegen een bark en nooit kwam
men te weten, waar zij landden. Den volgenden dag, toen Madeleine
vermoord gevonden werd, waren er eenigen, die door nijd en haat jegens
Hugues het dadelijk aan den hertog berichtten. De hertog, die Madeleine
zeer beminde, liep hierdoor in groote woede naar het huis, nam Hugues
gevangen en zijn vrouw en dwong hen, die van de zaak nog niets wisten
namelijk van het vertrek van Fouques en Ninette, te bekennen
gezamenlijk schuldig te zijn met Fouques aan den dood van Madeleine.
Daar zij door die bekentenis terecht den dood vreesden, kochten zij met
groote list degenen, die hen bewaakten, om, door hun een zekere
hoeveelheid geld te geven, die zij in hun huis voor mogelijke
gelegenheden verborgen hadden gehouden en met de wachters zelf, zonder
tijd te hebben iets vandaar te kunnen medenemen, bestegen zij een bark
en vluchtten ’s nachts naar Rhodes, waar zij in armoede en ellende niet
lang leefden. Zoo voerden hen en anderen de dwaze liefde van Restagnon
en de woede van Ninette tot zulk een einde.