TWEEDE VERTELLING.

Broeder Alberto laat aan een dame gelooven, dat de engel Gabriël

verliefd op haar is en laat zich voor dien engel doorgaan om

verscheidene malen met haar samen te zijn. Uit vrees voor haar

verwanten ontvlucht hij haar huis en verschuilt zich bij een armen

man, die hem den volgenden dag op het plein brengt vermomd als

wildeman. Daar wordt hij herkend door haar zwagers en naar den

kerker gevoerd.

De geschiedenis door Fiammetta verhaald had het gezelschap reeds

meermalen de tranen in de oogen doen staan, maar toen deze geëindigd

was, zeide de koning met een somber gelaat: Het leven schijnt mij van

weinig waarde, als ik dit moest geven voor de helft van het genot, dat

Ghismonda met Guiscardo had en niemand van u moet er zich over

verwonderen, daar het hiermee zoo gesteld is, dat ik levend mij steeds

duizend dooden voel sterven zonder dat mij gedurende al dien tijd het

minste beetje genot wordt geschonken. Maar wanneer ik voor het

oogenblik mijn lotgevallen in hun eigen kring besloten laat, wil ik

toch, dat Pampinea met treurige verhalen en ten deele aan mijn

avonturen gelijk, met spreken vervolgt; indien zij voortgaat gelijk

Fiammetta is begonnen, zal ik zonder eenigen twijfel een verkoeling

voelen dalen op mijn vuur. Toen Pampinea zag, dat het haar beurt was,

begreep zij veeleer door haar welgezindheid van haar gezelschap het

verlangen daarnaar dan dat des konings door diens woorden derhalve meer

geneigd het een weinig op te vroolijken dan alleen aan het bevel des

konings te voldoen, en daardoor gedwongen te zijn een vertelling te

verhalen om te lachen zonder van het voorgestelde onderwerp af te

wijken, maakte zij zich gereed en begon aldus:

De menschen uit het volk gebruiken dit spreekwoord: Die slecht is en

voor goed wordt gehouden, kan kwaad doen zonder dat men het gelooft.

Dit verschaft mij overvloed van stof om over hetgeen mij is voorgesteld

te spreken en bovendien om aan te toonen, hoe groot en hoedanig de

huichelarij is der monniken. Met hun breede en lange gewaden en hun

kunstmatig verbleekte gezichten en met hun nederige en zachte stem als

zij anderen vragen en trotsch en barsch om in anderen hun eigen

ondeugden te misprijzen, verklaren zij, dat zij door te nemen en

anderen door te geven, tot verlossing komen. Bovendien niet als

menschen, die het Paradijs moeten winnen evenals wij, maar als

bezitters en heeren daarvan geven zij aan ieder, die sterft naar de

hoeveelheid geld door hem nagelaten een meer of minder goede plaats en

trachten hiermee eerst zich zelf, indien zij dit gelooven en vervolgens

anderen, die in hun woorden vertrouwen stellen, te bedriegen. Als het

mij geoorloofd was dit aan te toonen, gelijk ik wenschte, zou ik naar

aanleiding hiervan spoedig uiteen zetten, hoeveel zij onder hun wijde

kappen verborgen houden. Maar mocht het Gode behagen, dat aan allen in

hun kunstenmakerij overkwam, wat aan een Minderbroeder geschiedde, geen

onbeduidend jonkman maar een, die voor een van de beste casuisten [71]

werd gehouden te Venetië. Dat wil ik heel graag vertellen om hierdoor

een weinig uw zielen vol medelijden met den dood van Ghismonda,

misschien met gelach en plezier op te beuren.

Er leefde dan, zeer waarde dames, te Imola een man van een boos en

verdorven gedrag, die Berto della Massa heette, waarvan de slechte

daden bij de bewoners van die stad zeer bekend waren en hem zoo

brandmerkten, dat er niemand meer in Imola was, die niet alleen niet

aan de leugens, maar ook niet aan de waarheden, die hij vertelde,

geloofde. Daarom, toen hij gewaar werd, dat zijn bedriegerijen er niet

meer hielpen, ging hij wanhopig naar Venetië, een vergaarbak van

allerlei onzedelijkheid en dacht daar op andere wijze naar zijn

boosheid te werk te gaan, wat hij aldaar niet had kunnen doen. En alsof

hij door zijn geweten gekweld werd wegens de valschheden vroeger door

hem gedaan, toonde hij zich van een uiterste nederigheid en bovendien

beter katholiek dan ieder ander en werd Minderbroeder. Hij liet zich

broeder Alberto van Imola noemen en in hun gewaad begon hij voor den

schijn een leven van ontbering te leiden en de boete en het vasten te

prijzen en hij at geen vleesch en dronk geen wijn, wanneer hij er geen

had, die hem beviel. Men had ternauwernood gemerkt, dat hij van een

dief een wellusteling, een falsaris, een moordenaar, een groot prediker

was geworden zonder daarom de genoemde ondeugden te hebben verbeterd,

die hij als hij kon, in ’t geheim bot vierde. Bovendien, daar hij

priester was geworden, weende hij altijd bij het altaar, wanneer hij de

mis bediende en velen zagen hem schreien over het lijden van den

Verlosser, als iemand wien de tranen weinig kostten, als hij het wilde.

En in korten tijd door zijn prediken en tranen wist hij op zoo’n wijze

de Venetianen te misleiden, dat hij tot vertrouwde en bewaarder van elk

testament werd gemaakt, dat er opgesteld werd en kassier van de gelden

van velen en biechtvader en vertrooster van vele mannen en vrouwen. Zoo

was hij van wolf herder geworden en zijn roep van heiligheid was daar

veel grooter dan ooit die van Franciscus van Assisi. Nu kwam een

onnoozele en dwaze jonge dame, die madonna Lisetta van het huis Quirino

heette en de vrouw van een groot koopman, die met de galeischepen naar

Vlaanderen was gegaan met andere dames bij dien broeder biechten. Deze

dame zat aan zijn voeten en nadat zij hem als Venetiaansche—en die zijn

allen dwaas—een deel van haar zonden gebiecht had, nam broeder Alberto

haar in verhoor en vroeg haar of ze niet een of anderen minnaar had.

Daarop antwoordde zij met een verontwaardigd gezicht: Och, messire de

monnik, hebt u geen oogen in uw hoofd? Schijnen mijn schoonheden u

geschapen als die der anderen? Ik zou te veel minnaars hebben, als ik

wilde; maar de mijnen zijn er niet op gemaakt om door deze of gene

bemind te worden. Hoevelen ziet u er, waarvan de schoonheden gevormd

zijn als de mijnen, van mij, die nog in het paradijs schoon zou zijn?

En bovendien vertelde zij zooveel over haar eigen schoonheid, dat het

vervelend was om aan te hooren. Broeder Alberto begreep dadelijk, dat

zij verwaand was en daar dit hem een terrein scheen voor zijn plannen,

werd hij dadelijk zeer op haar verliefd. Maar hij hield zijn

valstrikken voor een geschikter oogenblik verborgen en om zich voor een

heilige uit te geven, begon hij haar voor ditmaal te berispen en haar

te zeggen, dat dit een ijdele roem was en meer van die dingen. Daarom

zei de donna hem, dat hij een ezel was en dat hij de eene schoonheid

niet van de andere wist te onderscheiden. Broeder Alberto, die haar

niet al te boos wilde maken, liet haar, nadat zij gebiecht had,

heengaan met de andere vrouwen.

Eenige dagen later ging hij vergezeld van een zijner getrouwen naar het

huis van madonna Lisetta en nadat hij zich met haar alleen in een zaal

had begeven en door geen anderen kon gezien worden, wierp hij zich voor

haar op de knieën en sprak: Madonna, ik bid God, dat gij mij vergeeft,

wat ik u Zondag, toen ik over uw schoonheid sprak, gezegd heb, daar ik

er den volgenden nacht zoo wreed voor gekastijd ben, dat ik daarna mij

niet meer kon oprichten voor heden. Toen vroeg de malle donna: En wie

kastijdde u aldus? Alberto ging voort: Dat zal ik u vertellen. Toen ik

’s nachts bezig was te bidden gelijk ik steeds gewoon ben, zag ik

opeens in mijn cel een groote glans en eer ik mij had kunnen omwenden

om te zien, wat dat beteekende, zag ik boven mij een schoonen jongeling

met een grooten stok in de hand, die mij bij de kap greep, mij

neerdrukte en mij zoo ranselde, dat hij mij geheel radbraakte. Ik vroeg

hem daarna, waarom hij zoo te werk was gegaan en hij antwoordde: Omdat

gij heden u verstout hebt de hemelsche schoonheid van madonna Lisetta

te misprijzen, welke ik, God uitgezonderd, boven alles lief heb. Toen

vroeg ik: Wie is u! Hierop antwoordde hij, dat hij de engel Gabriël

was. O mijn heer, zei ik, ik bid u mij te vergeven. Toen voegde hij er

bij: Welnu, ik zal u vergeven, mits gij naar haar toe gaat, zoo spoedig

gij kunt en u doet vergeven door haar. Maar als zij het niet doet, zal

ik hier terugkeeren en ik zal je zooveel slaag geven, dat ik jou je

heele leven zal vergallen, zoolang als je op deze wereld blijft. Wat

hij mij daarop vertelde, durf ik u niet mede te deelen, indien gij mij

niet eerst genade schenkt. Donna Leeghoofd, die niet erg galachtig was

uitgevallen, werd zeer blijde, toen zij die woorden hoorde en geloofde,

dat alles waar was en zeide kort daarop: Ik zei het wel, broeder

Alberto, dat mijn schoonheden hemelsch waren, maar als God mij helpt,

heb ik medelijden met u en opdat u geen kwaad meer overkomt, vergeef ik

u, indien gij mij naar waarheid verhaalt, wat de engel u daarna zeide.

Fra Alberto ging voort: Madonna, omdat gij mij hebt vergeven, zal ik

het u gaarne zeggen, maar denk aan een ding, dit zeg ik u, dat gij er u

voor wacht aan wien ook ter wereld te vertellen, wat de engel Gabriël

mij meldde, dat ik u moest berichten en dat gij hem zoo bekoorde, dat

hij meermalen ’s nachts bij u zou zijn gekomen, als het niet was

geweest om u niet te verschrikken. Nu bericht hij u door mijn mond, dat

hij een nacht bij u wil komen en een heelen tijd bij u wil blijven en

omdat hij engel is en gij hem niet in de gedaante daarvan, als hij

komt, kunt aanraken, zegt hij, dat hij om u een plezier te doen in de

gestalte van een man wil komen en daartoe vraagt hij of gij hem wilt

laten weten, wanneer hij kan komen en in de gedaante van wien en dat

hij zich hierheen zal begeven. Hierom moogt gij u meer dan eenige

andere donna, die leeft, gelukkig achten. Madonna de Zottin antwoordde

toen, dat het haar zeer zou bevallen, indien de engel Gabriël haar lief

had, daar zij hem zeer beminde en dat zij nooit faalde op de plaatsen,

waar zij zijn beeld zag, een kaars te branden, die niet minstens een

mattapan [72] waard was en dat hij op welk uur hij verkoos mocht komen;

dat hij haar heel alleen in de haar kamer zou vinden, maar op

voorwaarde dat hij haar niet voor de Heilige Maagd in den steek zou

laten, waarvan men haar verteld had, dat die deze zeer welgezind was en

dat scheen haar ook zoo te zijn, want overal waar zij hem slechts zag,

lag hij voor deze op de knieën. Bovendien stond het aan hem te komen in

welken vorm hij maar wilde, mits zij er maar niet bang voor behoefde te

zijn. Toen zeide fra Alberto: Madonna, gij spreekt verstandig en ik zal

alles op zijn best met hem in orde brengen gelijk gij zegt. Maar gij

kunt mij een groote gunst bewijzen, die aan u niets zal kosten en dat

is deze, dat gij verlangt, dat hij in mijn gedaante komt. En hoor,

waardoor gij mij aldus een gunst bewijst, hij zal mij den geest uit het

lichaam trekken en dien in het paradijs voeren. Hij zal in mijn lichaam

wezen, zoolang hij met u zal zijn en ik zal zoolang in het paradijs

zijn. De domme juffrouw antwoordde: Dat bevalt mij zeer. Ik wil, dat in

plaats van de slagen, die hij u om mijnentwil gaf, gij dien troost zult

deelachtig worden. Toen sprak broeder Alberto: Zorg dan, dat hij

vannacht de deur van uw huis open vindt om binnen te kunnen treden,

omdat, wanneer hij in menschelijk gedaante komt, gelijk hij zal doen,

hij alleen door deze binnen kan gaan. De donna antwoordde, dat het zou

gebeuren. Broeder Alberto ging heen en zij bleef zoo verheugd achter,

dat zij geen oogenblik meer stil kon blijven zitten en dat het haar

duizend jaar scheen te duren, eer de engel Gabriël kwam. Broeder

Alberto die bedacht, dat hij dien nacht ruiter en geen engel moest

wezen, begon zich met meelspijzen en ander goed voedsel te versterken,

opdat hij niet licht van het paard zou worden geworpen. En nadat hij

verlof had gekregen, begaf hij zich met een metgezel, toen het nacht

was, naar het huis van een zijner vriendinnen, waar hij meermalen van

was uitgegaan, wanneer hij merries moest berijden. Vandaar, toen het

oogenblik hem gekomen scheen, begaf hij zich verkleed naar de woning

van de donna en toen hij daar binnen was gekomen, veranderde hij zich

met de kleeren, die hij bij zich droeg, in den engel en klom naar boven

en trad de kamer van de donna in. Toen deze hem zoo in het wit zag,

knielde zij voor hem neer, de engel zegende haar, deed haar opstaan en

gaf haar een teeken, dat zij naar bed moest gaan. Zij geneigd om te

gehoorzamen, deed dit spoedig en de engel ging naast de hem toegewijdde

donna liggen. Broeder Alberto was een knap man en forsch van lichaam en

hij stond maar al te goed op zijn beenen. Daar hij bij donna Lisetta

lag, die frisch was en teeder en hij haar heel wat beteren bijslaap gaf

dan haar man, vloog zij menigen nacht zonder vleugels, waarover zij

zeer tevreden was. Bovendien sprak hij haar veel van de hemelsche

glorie. Toen de dag naderde en hij zijn terugkeer had geregeld, ging

hij met zijn gewone kleeren naar buiten en ging naar zijn metgezel,

welke, opdat hij niet bang hoefde te wezen om alleen te slapen, de

huishoudster vriendelijk gezelschap had gehouden. Nadat de donna had

ontbeten, ging zij met haar gezellin naar broeder Alberto en vertelde

hem nieuws van den engel Gabriël en wat zij gehoord had van de glorie

van het eeuwige leven en wat hij gedaan had en voegde er nog

wonderlijke verzinsels bij. Hierop antwoordde broeder Alberto: Madonna,

ik weet niet, hoe gij u met hem bevonden hebt. Wel weet ik, dat van

nacht, toen hij bij mij kwam en ik uw boodschap aan hem had gebracht,

hij mijn ziel dadelijk tusschen zooveel bloemen en rozen voerde, als

men er ooit van aanschouwde en ik bleef tot vanmorgen bij de

vroegmetten in een van de bekoorlijkste oorden, die er bestond. Wat er

met mijn lichaam gebeurd is, weet ik niet. Zeide ik het u niet sprak de

donna.—Uw lichaam bleef den geheelen nacht in mijn armen met den engel

Gabriël en als gij mij niet gelooft, zie dan onder de linkerborst, waar

ik een sterke kus aan den engel gaf, zoodat het spoor er van

verscheidene dagen zal blijven. Vervolgens ging broeder Alberto voort:

Ik zal heden wel iets doen, wat ik sinds lang niet gedaan heb: ik zal

mij ontkleeden om te zien of gij de waarheid spreekt. En na veel onzin

te hebben verteld, ging de donna naar huis terug, waarheen sedert

broeder Alberto zich meermalen begaf in de gedaante van een engel

zonder op eenige hindernis te stuiten.

Eens echter, toen madonna Lisetta bij een van haar buurvrouwen was en

zij met haar over de schoonheid sprak, zeide zij om die van haar zelf

boven elke andere te stellen als een vrouw, die weinig goeds in haar

hoofd had: Als gij wist aan wien mijn schoonheid bevalt, zoudt gij

werkelijk over de anderen zwijgen. De buurvrouw begeerig om dit te

hooren, daar zij haar wel kende, zeide: Madonna, gij kunt de waarheid

zeggen, maar toch, daar ik niet weet wie het is, zouden anderen het

niet zoo licht gelooven. Toen antwoordde de donna, die zeer onnoozel

was:—Buurvrouw, dat mag men niet zeggen, maar mijn minnaar is de engel

Gabriël, die mij meer dan zichzelf lief heeft als de schoonste donna

gelijk hij zegt, die er is op de wereld of aan de zeekust. [73] De

buurvrouw wilde er om lachen maar zij hield zich goed om haar meer te

doen praten en zeide: Bij God, madonna, als de engel Gabriël uw minnaar

is en hij heeft dit gezegd, moet dit wel zoo zijn, maar ik geloofde

niet, dat de engelen die dingen deden. De donna zeide: Buurvrouw, gij

vergist u, bij Christus’ wonden, hij behandelt mij beter dan mijn

echtgenoot en hij zegt mij, dat dit hierboven ook gebeurt, maar omdat

ik hem mooier schijn dan wie ook in den hemel, is hij verliefd op mij

geworden en komt hier om heel dikwijls met mij samen te zijn. Begrijpt

gij het nu?

Toen de buurvrouw van madonna Lisetta was weggegaan, scheen het haar

duizend jaar lang te duren eer zij ergens was, waar zij dit weer kon

vertellen en toen zij op een feest was in een groot gezelschap van

donna’s, verhaalde zij die historie achtereenvolgens. Deze dames

vertelden het aan hun echtgenooten en aan andere donna’s en dezen aan

weer anderen en aldus was in minder dan twee dagen Venetië er vol van.

Maar onder degenen, dien dit ter oore kwam, waren ook haar

schoonbroeders, die zonder iets te zeggen, zich vast hadden voorgenomen

dien engel te vinden en om te weten te komen of hij vliegen kon en zij

stonden verscheidene nachten op den loer. Toevallig kwam broeder

Alberto hiervan niets ter ooren, die om weer de donna te zien een nacht

daar heen was gegaan. Ternauwernood had hij zich ontkleed of haar

schoonbroeders, die hem hadden zien komen, waren aan den uitgang van de

kamer om hem open te doen. Toen broeder Alberto merkte, wat er aan de

hand was en geen andere schuilplaats vond, opende hij een venster, dat

op het Groote Kanaal uitzag en wierp zich daarna te water. De diepte

was er zeer groot, maar hij kon goed zwemmen, zoodat hem niets kwaads

gebeurde. Na naar een ander deel van het Kanaal te zijn gezwommen trad

hij haastig in een geopend huis en bad een man, die daar binnen was,

dat die hem om Gods wil het leven zou sparen en verzon maar wat waarom

hij op dat uur zich daar zoo naakt bevond. De goede man tot medelijden

bewogen en die naar zijn werk moest gaan, liet hem op zijn bed, liggen

en zeide hem, dat hij er tot zijn terugkeer moest blijven en na hem

binnen te hebben gesloten, ging hij aan den arbeid.

De schoonbroeders van de donna vonden in de kamer gekomen, dat de engel

Gabriël, die er de vleugels had achtergelaten, was weggevlogen.

Hierover teleurgesteld beleedigden zij de donna zeer, lieten haar ten

slotte mistroostig achter en keerden naar huis terug met de pij van den

engel Gabriël. Ondertusschen, terwijl het licht was geworden, hoorde de

goede man, terwijl hij op den Rialto was, dat de engel Gabriël bij

nacht had geslapen bij madonna Lisetta en door de schoonbroeders

gevonden, uit angst zich in het Kanaal had geworpen en men wist niet,

wat er van hem geworden was. Daarom dacht hij, dat die bij hem in huis

het moest wezen. Toen hij daar gekomen was en hem had herkend en over

veel met hem gesproken had, kwam hij met hem overeen, dat, als hij niet

door hem wilde aan de schoonbroeders overgeleverd worden, hij hem

vijftig ducaten moest laten bezorgen en dit gebeurde. Daarna, toen

broeder Alberto verlangde er uit te gaan, zeide hem de goede man: Daar

is geen middel voor, tenzij gij dit niet wilt. Wij zullen heden een

feest maken, waarop ieder een man leidt als een beer gekleed of als een

wilde of in een andere vermomming en zoo zullen wij een jacht maken op

het plein van San Marco en als dat gedaan is, eindigt het feest en dan

gaat ieder met dengeen, dien hij geleid heeft, waar hij wil. Indien gij

wilt, dat men niet zal weten wie gij zijt, zal ik u in een van die

vermommingen daar brengen en ik zal u vervolgens kunnen leiden, waar

gij verkiest. Anders zie ik niet, hoe gij hieruit zult kunnen gaan

zonder herkend te worden, want de zwagers van de dame van meening, dat

gij op eenige plaats in den omtrek verborgen zijt, hebben overal

schildwachten uitgezet om u te krijgen.

Hoewel het hard scheen aan broeder Alberto zoo vermomd te vertrekken

bracht de vrees hem er toch toe, die hij voor de verwanten van de donna

had en zeide hij aan hem, waar hij heen gebracht wilde worden en dat

hij tevreden zou zijn, mits men hem er heen leidde. Nadat hij hem

heelemaal met honing had ingewreven, bestoken had met kleine veeren en

hem een keten in den mond had gedaan, een masker voor het gelaat en in

de eene hand een groote stok had gegeven en in de andere twee groote

honden, die hij van de slagerij had gebracht, zond hij iemand naar den

Rialto, die bekend maakte, dat wie de engel Gabriël zien wilde naar het

San Marco-plein moest gaan. En dit is de Venetiaansche betrouwbaarheid!

[74] Toen dit gedaan was, liet hij hem er uitgaan, hield hem van

achteren vast aan een keten, niet zonder groot rumoer van de menigte,

die om strijd riepen: Wat is dat? Wat is dat? en leidde hem het plein

op, waar degenen, die hem achterna gegaan waren en ook degenen, die de

bekendmaking op den Rialto hadden gehoord, een eindelooze massa

menschen vormden. Toen zij daar waren aangekomen op een verheven en

hooge plaats, bond hij den wildeman aan een zuil, en deed of hij de

jacht afwachtte, terwijl aan dien laatste de muggen en de

paardenvliegen, omdat hij met honing was ingewreven, zeer grooten last

veroorzaakten. Maar toen de ander het plein zeer vol zag en deed of hij

zijn wildeman wilde ontketenen, trok hij broeder Alberto het masker af

en zeide: Heeren, daar het wilde zwijn niet ter jacht komt en die

anders niet doorgaat, wil ik, opdat gij niet voor niets zijt gekomen,

dat gij den engel Gabriël ziet, die ’s nachts van den hemel ter aarde

daalt om de Venetiaansche donna’s te troosten. Zoodra het masker was

afgerukt, werd Fra Alberto dadelijk door allen herkend, tegen wien zich

een algemeen gejouw verhief, terwijl men hem de grofste scheldwoorden

en de grootste beleedigingen toevoegde, die men ooit een schurk nagaf

en behalve dat wierp elk, deze hem eene, gene hem een andere hoop vuil

in het gezicht. Zoo hielden zij hem een heelen tijd vast, totdat

toevallig het nieuws tot zijn ordebroeders was doorgedrongen en zes van

hen er heen kwamen, hem een kap op den rug gooiden en hem geketend niet

zonder zeer groot rumoer naar hun huis voerden, waar hij werd gevangen

gezet en men gelooft, dat hij na een ellendig leven stierf. Aldus

durfde hij, die voor goed werd gehouden en die kwaad deed, hoewel men

het niet geloofde, den engel Gabriël spelen en vermomd als wilde man,

werd hij op den langen duur, gelijk hij verdiend had, geschandvlekt en

beklaagde vergeefsch de bedreven zonden. Zoo behage het aan God, dat

het aan alle anderen zal gaan.

De Decamerone van Boccaccio · 第 38 / 116 题