EERSTE VERTELLING.

Tancredi, prins van Salerno doodt den minnaar van zijn dochter en

zendt haar zijn hart in een gouden beker. Het jonge meisje neemt

vergift in en sterft.

Onze koning heeft ons heden een moeilijk onderwerp opgegeven om te

behandelen als wij bedenken, dat wij, bijeen gekomen om elkaar op te

vroolijken, moeten verhalen van de tranen van anderen, waarvan men niet

kan spreken zonder dat zij, die er van vertellen of die er van hooren,

geroerd worden. Misschien heeft hij het bevolen om een weinig het

genoegen gedurende de voorafgaande dagen gesmaakt, te temperen, maar

wat hem er ook toe mag hebben bewogen, ik zal, daar het aan mij niet

past zijn wil te veranderen, een betreurenswaardig voorval vertellen of

veeleer ongelukkig en uw tranen waard.

Tancredi, prins van Salerno, was een zeer menschlievend en welwillend

heer, (als hij niet op zijn ouden dag de handen bezoedeld had met het

bloed van verliefden), die in zijn heele leven niet meer dan een

dochter had en die veel gelukkiger zou geweest zijn, als hij die niet

bezeten had. Deze werd door haar vader even teer bemind als ooit een

andere dochter, en juist door die teedere genegenheid, hoewel zij sinds

vele jaren den leeftijd te boven was om te trouwen, omdat hij van haar

niet wilde scheiden, huwde hij haar niet uit. Nadat hij haar eenigen

tijd had gegeven aan een zoon van den hertog van Capua, bleef zij

korten tijd bij hem, werd weduwe en keerde weer naar haar vader terug.

Zij was zeer schoon van lichaam en van gelaat zooals ooit een vrouw het

was, jong, schelmsch en slimmer dan het in sommige omstandigheden van

een donna geëischt wordt. Zij leefde met haar vader teeder als een

groote donna, verzorgd met vele kiesche oplettendheden, maar daar zij

bemerkte, dat haar vader door de liefde, die hij haar toedroeg, er

weinig aan dacht om haar uit te huwen en het haar geen eerbare zaak

scheen het hem te vragen, dacht zij zoo mogelijk in stilte een minnaar

haar waardig te krijgen. Zij zag, dat vele heeren het hof van haar

vader bezochten, edelen en uit het volk, gelijk wij dit aan hoven

aanschouwen en nadat zij op de manieren en de gewoonten van velen had

acht gegeven, behaagde haar onder de anderen een jonge knecht van haar

vader, die Guiscardo heette, een man van zeer nederige afkomst, maar

door deugd en nobele manieren beter dan wie ook en op hem werd zij in

stilte, hem vaak ziende, zeer verliefd, en prees steeds meer zijn

gedrag. En de jonkman, die van zijn kant ook niet dom was, had het van

haar opgemerkt en droeg haar zoo in het hart, dat hij aan niets anders

dacht dan haar te beminnen. Terwijl zij zoo elkaar in stilte lief

hadden en het meisje niets anders verlangde dan met hem samen te komen

en zij die liefde aan niemand wilde toevertrouwen, dacht zij een nieuw

middel uit om hem die te bekennen. Zij schreef een brief, legde hem

daarin uit, wat hij den volgenden dag moest doen na dien in een hollen

stok te hebben gestoken en gaf dien schertsend aan Guiscardo met de

woorden: Maak er voor uwe dienares een blaasbalg van, opdat zij er het

vuur mee zal doen opvlammen. Guiscardo nam hem aan en denkend, dat zij

niet zonder reden hem dien gaf en zoo sprak, ging heen en begaf zich

daarmee naar huis. Toen hij de stok onderzocht en vond, dat die hol

was, opende hij dien en vond er haar brief in, las deze en wel

begrijpend, wat hem te doen stond, was hij de gelukkigste man, die ooit

heeft bestaan en maakte zich gereed om naar de jonge vrouw te gaan door

het middel, hem door haar aangewezen.

Er was ter zijde van het paleis van den prins een grot in den berg

uitgehold, zeer lang geleden daar gemaakt, waarin een gat met geweld

daarin geboord eenig licht in die spelonk gaf. De opening was verlaten

en met struiken en kruiden begroeid, verborgen. Men kon in die grot

komen langs een geheime trap in een der gelijkvloersche kamers van het

paleis, waarin de donna verblijf hield, hoewel die door een stevige

deur gesloten was. En die trap was geheel aan allen uit het geheugen

gegaan, daar die in lange tijden niet was gebruikt, zoodat bijna

niemand zich meer herinnerde, waar die was. Maar Amor, voor wiens oogen

niets geheim is, of hij ziet het, had het de verliefde donna doen

onthouden. Deze, opdat niemand er iets van zou merken, had vele dagen

om een middel geworsteld om dien uitgang open te krijgen. Toen dit

gelukt was en zij in de grot was afgedaald en het gat had gezien,

waardoor zij Guiscardo bevolen had te trachten bij haar te komen, had

zij hem de hoogte aangegeven, die dit van den grond verwijderd was. Om

hierin te voorzien had Guiscardo haastig een koord met knoopen en

strikken klaar gemaakt om daarlangs te kunnen afdalen en weer opklimmen

en gekleed in leer, dat hem tegen de struiken beschermde, ging hij

zonder dat hij het iemand zeide den volgenden nacht naar het gat en na

een der einden van het koord aan een sterken stam te hebben

vastgemaakt, die in de holte van het gat was ontstaan, liet hij zich

daardoor in de grot glijden en wachtte de donna af. Deze deed den

volgenden dag of zij wilde slapen, zond haar kameniers weg en na zich

alleen in haar kamer te hebben opgesloten, maakte zij de deur open en

daalde in de grot af, waar zij Guiscardo vond en zij zich samen zeer

verheugden. Zij gingen samen naar haar kamer en bleven er een groot

deel van den dag met het grootste genoegen. Nadat zij alles zeer

voorzichtig hadden geregeld, opdat hun liefde geheim zou blijven,

keerde Guiscardo naar de grot terug, sloot zij de deur en ging zij tot

haar kameniers naar buiten. Daarop ging Guiscardo bij het invallen van

den nacht langs het touw klimmend door het gat, waarin hij binnen was

gekomen, weer heen en begaf zich naar huis. Nu hij den weg had geleerd,

keerde hij meermalen in verloop van tijd er terug. Maar de fortuin,

afgunstig op zulk een lang en een zoo groot genoegen, veranderde de

vreugde der beide minnenden door een treurig voorval in droeve klacht.

Tancredi was gewoon soms geheel alleen in de kamer van zijn dochter te

komen en daar bij haar te blijven, wat met haar te praten en dan heen

te gaan. Deze was op een dag na den eten daar gekomen, terwijl de

donna, die Ghismonda heette, in een van haar tuinen was gegaan met al

haar jonkvrouwen, zonder dat hij er door iemand was gezien of opgemerkt

en daar hij haar niet in haar vermaak wilde storen en de vensters van

de kamer gesloten vond en de gordijnen van het bed omlaag, zette hij

zich aan de voeten daarvan neer op een verhooging en met het hoofd op

het bed geleund en de gordijnen om zich heen getrokken, alsof hij zich

daar met zorg had verborgen, sliep hij in. Terwijl hij aldus sluimerde

kwam Ghismonda, die per ongeluk dien dag Guiscardo had ontboden en haar

vrouwen in den tuin had achtergelaten, stilletjes binnen in de kamer en

na die gesloten te hebben en zonder te merken, dat er iemand was,

maakte zij de deur open, waarachter Guiscardo haar wachtte en toen zij

naar het bed gingen, gelijk zij gewoon waren, en samen schertsten en

grappen maakten, werd Tancredi wakker en merkte en zag wat Guiscardo en

zijn dochter deden. Hierover zeer treurig, wilde hij eerst schreeuwen,

maar besloot toen te zwijgen en verborgen te blijven, indien hij kon,

om voorzichtiger te doen—en met minder schande voor hem zelf—wat hem

daartoe reeds inviel. De twee minnenden bleven lang te samen, gelijk

zij gewoon waren, zonder Tancredi te zien en toen het hun tijd scheen,

verlieten zij het bed; Guiscardo keerde in de grot terug en zij ging de

kamer uit. Hieruit sprong Tancredi zoo oud als hij was door een venster

in den tuin en zonder door iemand gezien te zijn, keerde hij doodelijk

bedroefd naar zijn kamer terug. Op zijn bevel werd bij den uitgang van

het gat den volgenden nacht Guiscardo in zijn eersten slaap, in leer

gekleed van het paartje gevangen nemen en in ’t geheim werd hij voor

Tancredi gebracht. Toen deze hem zag, zeide hij klagend: Guiscardo,

mijn welwillendheid jegens U had de beleediging en de schande niet

verdiend, die gij mij hebt aangedaan, gelijk ik nu met eigen oogen heb

gezien. Hierop antwoordde Guiscardo niet anders dan dit: Amor vermag

dikwijls meer dan wij. Tancredi beval toen, dat hij heimelijk in een

kamer van het kasteel werd bewaakt en zoo geschiedde het. Den volgenden

dag, terwijl Ghismonda hier niets van wist en Tancredi in zich zelf

verschillende en onderscheidene nieuwe dingen daarover had bedacht,

kwam hij na den eten volgens zijn gewoonte in de kamer van zijn

dochter, liet haar daar roepen en na zich daarin met haar te hebben

opgesloten begon hij klagend te spreken: Ghismonda, het scheen mij, dat

ik uwe deugd en uwe eerbaarheid kende, maar ik zou het nooit geloofd

hebben, wanneer het mij gezegd was, indien ik het niet met eigen oogen

gezien had, dat gij u zoudt overleveren aan een man, die uw echtgenoot

niet was. Hierover zal ik het weinige van mijn leven, dat mij als ouden

dag dient, altijd treurig blijven, als ik het mij herinner. En had het

God maar behaagd, omdat gij u tot zulk een oneerbaarheid liet

verleiden, dat gij een man hadt genomen van U passenden adel, maar

onder de velen, die mijn hof bezoeken, hebt gij Guiscardo uitgekozen,

een jonkman van zeer lage afkomst, aan ons hof uit barmhartigheid van

kindsbeen af tot heden opgevoed. Hierdoor hebt gij mij in groote

verlegenheid gebracht, daar ik niet weet, hoe ik met u moet handelen.

Wat Guiscardo betreft, dien ik van nacht heb laten gevangen nemen, toen

hij uit het gat kwam en in de gevangenis liet zetten, weet ik wat mij

te doen staat, maar God weet, hoe ik met u moet te werk gaan. Aan den

eenen kant trekt mij de liefde, die ik u meer heb toegedragen dan ooit

een vader zijn dochter deed en aan den anderen kant de zeer rechtmatige

verontwaardiging, die mij beving wegens uw groote dwaasheid. Gene wil,

dat ik u vergeef en deze dat ik tegen mijn wil wreed tegen u ben. Maar

voor ik beslis, wensch ik dat te hooren, wat gij hierop hebt te zeggen.

Bij die woorden boog hij het gelaat voorover en weende zoo bitter als

een hevig geslagen kind.

Toen Ghismonda haar vader had aangehoord en wist, dat niet alleen haar

geheime liefde ontdekt was, maar ook Guiscardo was gevangen genomen,

gevoelde zij een onuitsprekelijke smart en stond op het punt met

geschrei en tranen gelijk de vrouwen meestal doen die te toonen, maar

toch, zij overwon in haar trotsche ziel die zwakheid, hield haar gelaat

met bewonderenswaardige kracht onbewegelijk en besloot liever dan te

smeeken niet langer te blijven leven, daar zij dacht, dat haar

Guiscardo al dood was. Daarom zeide zij niet als een klagende vrouw of

een, die berispt wordt over haar fout, maar zorgeloos en dapper, met

strak en open gelaat en geenszins verontrust tot haar vader: Tancredi,

ik ben noch bereid tot ontkennen noch tot smeeken, omdat noch het een

mij tot iets dienen zou, noch het andere mij iets waard is en behalve

dat ben ik niet van plan door eenige daad uw zachtmoedigheid en liefde

te winnen, maar de waarheid te zeggen en ik wil eerst met ware redenen

mijn eer verdedigen en dan met feiten ten sterkste de grootheid van

mijn ziel toonen. Het is waar, dat ik Guiscardo bemind heb en nog bemin

en als men hiernamaals lief heeft, zal ik niet ophouden dit te doen,

maar de vrouwelijke zwakheid heeft mij niet zoozeer daartoe gebracht

als uw weinige zorg om mij weer uit te huwen en zijn deugd. Het moet u

duidelijk zijn, Tancredi, daar gij van vleesch zijt, dat gij een

dochter van vleesch hebt voortgebracht en niet van steen of van ijzer

en gij moet u ook herinneren hoewel gij nu oud zijt, hoe en hoedanig en

met welk een kracht de wetten der jeugd zich doen gelden. En hoewel gij

u als man in uw beste jaren in den wapenhandel heb geoefend, moet gij

even goed weten wat ledigheid en de zoetheid van het leven vermag bij

de ouden niet minder dan bij de jongen. Ik ben uit u van vleesch

geboren en ik heb zoo weinig geleefd, dat ik nog jong ben en door het

een en ander was ik vol begeerte naar bijslaap, waar het huwelijk bij

is gekomen, als wonderbare kracht en het kennen van dit genot dit

verhoogde. Daar ik aan die krachten geen weerstand kon bieden, was ik

geneigd die te volgen, welke mij aantrokken als een jonge vrouw en ik

werd verliefd. Voorzeker, ik verzette mij er tegen met al mijn deugd,

te willen dat, waartoe deze natuurlijke zonde mij aantrok, noch aan u

noch aan mij schande zou veroorzaken. Hiertoe hadden voor mij de

barmhartige Amor en de welwillende fortuin een weg gevonden en mij die

aangewezen, waardoor ik zonder dat iemand het merkte, mijn verlangen

kon voldoen. En dat wat gij hebt bewezen en weet, ontken ik niet. Ik

heb Guiscardo genomen niet bij toeval gelijk velen doen, maar na rijp

beraad heb ik hem boven elkeen uitgekozen en heb hem met overleg bij

mij binnen gevoerd en met een wijze volharding van mij en van hem heb

ik mij lang in mijn begeerte verheugd. Het schijnt dus, dat gij,

behalve dat ik uit liefde heb gezondigd mij met nog meer bitterheid

verwijt,—daar gij meer de gewone meening volgt dan de waarheid—dat ik

(alsof gij niet ontroerd moest zijn als ik een edelman had uitgekozen

boven hem) mij met een man van lage afkomst heb opgehouden. Gij bemerkt

niet, dat gij hierin niet mijn zonde, maar die der fortuin afkeurt, die

dikwijls genoeg de onwaardigen hoog verheft en de waardigsten doet

zinken. Maar dit ter zijde latend, let een weinig op de beginselen der

dingen: gij zult dan bemerken, dat ons aller vleesch gemaakt is uit een

massa vleesch en dat de schepper elke ziel geschapen heeft met gelijke

krachten en met gelijke deugd. De deugd onderscheidde ons eerst, die

allen gelijk geboren werden en worden; en die deze bezaten en er het

grootste deel van hadden, werden edelen genoemd en de rest bleef volk.

En hoewel een tegengestelde gewoonte die wet heeft verkracht, is die

nog niet verdwenen, noch vernietigd door de natuur of door goede zeden.

Dus wie zich goed gedraagt, toont daardoor van adel te zijn, en als

iemand hen anders noemt, is het niet hij, die genoemd wordt, maar hij

die noemt, welke een fout begaat. Zie onder al uwe edellieden en

onderzoek hun deugd, hun zeden en hun manieren en beschouw van den

anderen kant die van Guiscardo; indien gij zonder vijandigheid wilt

oordeelen, zult gij hem zeer edel noemen en al die edellieden dorpers.

Over de deugd en de waarde van Guiscardo heb ik niet geoordeeld naar de

meening van iemand anders maar naar uwe woorden en met mijn oogen. Wie

prees hem ooit zoo aan als gij, toen gij hem hebt aanbevolen in al die

lofwaardige dingen, in welke een waardig man moet geprezen worden? En

zeker niet ten onrechte, want als mijn oogen mij niet hebben bedrogen,

werd hem door u geen lof verstrekt, welke hij niet verdiende, maar heel

veel meer dan uwe woorden het konden uitdrukken. Indien ik mij hierin

toch eenigszins bedrogen heb, dan ben ik het door u. Zult gij dan nu

zeggen, dat ik met een man van lage afkomst heb omgegaan? Dan zult gij

geen waarheid spreken, maar indien gij zult zeggen met een arm man, zal

men u tot uwe schande kunnen na geven, dat gij een waardig man als uw

dienaar niet in goeden stand hebt kunnen verheffen. De armoede ontneemt

aan niemand zijn adel, maar wel zijn bezittingen. Vele koningen, vele

groote vorsten waren vroeger arm en velen van hen, die de aarde spitten

en het vee hoedden, waren eenmaal zeer rijk en zoo is het nog heden. De

laatste twijfel, dien gij bij u zelf verwekt, namelijk wat gij met mij

hebt te doen, verjaag dien geheel, indien gij in uwen hoogsten ouderdom

geneigd zijt te doen, wat gij als jonkman niet gewoon waart namelijk

wreed te worden; oefen jegens mij uwe wreedheid uit, die niet van zins

ben eenige smeekbede tot u te richten, als gij daartoe de eerste

aanleiding vindt in de zonde, indien er gezondigd is. Want ik verzeker

u, dat, wat gij van Guiscardo zult gemaakt hebben of maken zult, zal ik

met mijn eigen handen van mij maken als gij het niet doet. Welnu, ga

als de vrouwen huilen en breng door wreed te worden met een zelfden

dood hem en mij om, als wij het aan u verdiend hebben.

De vorst leerde aldus de grootheid van ziel van zijn dochter kennen,

maar hij geloofde niet, dat zij zoo sterk geneigd was tot datgene, wat

zij zeide en waarop haar woorden zinspeelden. Hij ging van haar weg en

nadat hij de gedachte verwijderd had, dat zij er zelf onder zou lijden,

bedacht hij een middel om zijn brandende liefde in het leed van anderen

te verkoelen en beval aan twee man, die Guiscardo bewaakten, dat zij

hem zonder gedruisch den volgenden nacht zouden worgen en hem zijn hart

zouden brengen, na hem dit te hebben uitgerukt. Zij deden dit gelijk

hun bevolen was. Daarop liet de prins den volgenden dag een grooten en

schoonen gouden beker komen, liet daarin het hart van Guiscardo doen,

zond zijn meest vertrouwden bediende naar zijn dochter en gelastte hem

haar het volgende te zeggen bij het overreiken van dezen: Uw vader

zendt u dit om u te troosten over hetgeen gij het meest bemind hebt

gelijk gij hem troostte over wat hij het meest lief had.

Ghismonda niet afgebracht van haar beslist plan, liet toen haar vader

haar had verlaten, kruiden komen en vergiftige wortels, die zij

afkookte en in water oploste om ze gereed te hebben, als gebeuren zou,

wat zij vreesde. Toen de knecht gekomen was zoowel met de aanbieding

als met de woorden van den vader, nam zij den beker met een strak

gelaat aan, deed dien open, zag het hart en hoorde de woorden en hield

het voorzeker, dat dit het hart was van Guiscardo. Daarom het

aangezicht heffend naar den bediende, zeide zij: Er past geen minder

waardige bewaarplaats dan van goud aan een hart, als dit is: hierin

heeft mijn vader passend gehandeld. Bij die woorden naderde zij den

beker, kuste het en zei: In alles, altijd en tot het einde van zijn

leven heb ik bij mijn vader teedere liefde voor mij gevonden, maar

thans meer dan ooit en daarom zult gij hem van mijn kant voor een zoo

groot geschenk de laatste liefdebetuigingen teruggeven, die ik hem ooit

vergelden kan.

Bij die woorden boog zij zich over den beker, dien zij omklemde, en

sprak het hart aanschouwend: O zeer teedere schuilplaats van al mijn

vreugden, vervloekt zij de wreedheid van hem, die mij dwingt u met

stoffelijke oogen te zien! Het was mij genoeg u steeds met die des

geestes te aanschouwen. Gij hebt uw loopbaan volbracht: gij zijt

gekomen tot het eind, dat ieder bereikt; gij hebt de ellenden en de

zorgen der wereld achtergelaten en gij hebt van uw vijand zelf het

graf, dat gij hebt verdiend. Niets ontbrak u om een volkomen begrafenis

te hebben dan de tranen van haar, die u bij uw leven zoozeer heeft

bemind en opdat gij die zoudt ontvangen, gaf God het mijn

onvermurwbaren vader in u aan mij toe te zenden en ik zal ze u wijden,

hoewel ik besloten had met droge oogen te sterven en met een door niets

ontzet gelaat. En wanneer ik u die zal hebben geschonken, zal ik zonder

verwijl maken, dat mijn ziel u dienend bij die komt, welke gij zoo

zorgvuldig hebt bewaard. En met welk ander geleide dan dit zou ik

tevredener of geruster kunnen vertrekken naar de onbekende gewesten? Ik

ben er zeker van, dat zij nog hierin is en dat zij de plaatsen van uwe

en mijn vreugden aanschouwt. En deze, waarvan ik zeker ben, dat hij mij

bemint, verwacht mij, die hem het meest lief had. Daarna alsof zij een

bron in het hoofd had, zonder kreten te uiten gelijk de vrouwen gewoon

zijn, boog zij zich over den beker en zuchtend begon zij zooveel tranen

te storten, dat het vreeselijk was om te zien en kuste tallooze malen

het doode hart.

Haar jonkvrouwen, die om haar heen stonden, begrepen niet wat dat hart

beteekende of wat die woorden zeggen wilden, maar door medelijden

overwonnen, weenden zij allen en vroegen haar tevergeefs met een

uitdrukking van erbarming naar de oorzaak van haar tranen en trachtten

haar, zoo goed ze wisten en konden, te troosten. Toen zij genoeg scheen

geschreid te hebben, hief zij het hoofd op, wischte haar oogen af en

sprak: O teer bemind hart, elke plicht jegens u heb ik volbracht, mij

rest niets anders om te doen dan om u met mijn ziel te begeleiden. En

bij die woorden liet zij zich het fleschje geven, waarin het water was,

dat zij den vorigen flag had klaar gezet, wat zij in den beker deed,

waarin het hart met haar tranen was gewasschen en zonder eenige vrees

hief zij het aan den mond en dronk het geheel leeg. Daarna legde zij

zich met den beker in de hand te bed en zich zoo eerbaar mogelijk in

haar kleeren wikkelend, strekte zij haar lichaam daarop uit; dicht bij

haar hart bracht zij dat van den vermoorden minnaar en wachtte zonder

iets meer te zeggen op den dood. Haar kamervrouwen, die deze dingen

hadden gezien en gehoord, maar die niet wisten, wat voor water het was,

dat zij had gedronken, lieten alles aan Tancredi melden. Deze bevreesd

voor wat zou gebeuren, daalde ijlings naar de kamer van zijn dochter

af, waar hij juist kwam, toen zij op het bed lag. En toen hij te laat

zich had opgeheven om haar met zoete woorden te troosten en zag in welk

een toestand zij was, begon hij smartelijk te schreien. Hierop sprak de

donna: Tancredi, laat die tranen dienen voor een voorval minder

gewenscht dan dit en wijdt ze niet aan mij, die ze niet verlang. Wie

zag ooit iemand, behalve u weenen over wat hij zelf heeft gewild! Maar

toch, indien er iets van de liefde, die gij mij vroeger hebt

toegedragen nog in u leeft, sta mij als laatste geschenk dan toe, daar

het niet naar uw zin was, dat ik zwijgend en in stilte met Guiscardo

leefde, dat mijn lichaam met het zijne, waar gij het hebt doen

neerwerpen, openlijk begraven wordt. De beklemming van zijn tranen

belette den vorst te antwoorden. Toen voelde de jonge vrouw haar einde

naderen, drukte het doode hart aan haar borst en sprak: Blijf achter

met God, want ik ga heen. En de oogen sluitend en zonder bewustzijn

verscheidde zij uit dit smartelijk leven. Zulk een treurig einde, als

gij nu hebt gehoord, had de liefde van Guiscardo en Ghismonda. Nadat

Tancredi hen zeer had beklaagd en te laat berouw had over zijn

wreedheid, liet hij hen onder de algemeene droefenis van alle Salerners

beide eervol in een zelfde tombe begraven.

De Decamerone van Boccaccio · 第 37 / 116 题