De derde Dag van de Decamerone eindigt; de vierde vangt aan, waarop
onder het bewind van Filostrato gesproken wordt van hen, wier
liefde een ongelukkig einde had.
Zeer geliefde donna’s. Zoowel door de woorden van wijze mannen, die ik
hoorde als door de vele dingen meermalen door mij gezien en gelezen,
meende ik, dat de hevige en brandende wind van de afgunst slechts de
hooge torens of de verhevenste toppen der boomen kon schudden, maar ik
vond mij in mijn meening bedrogen; daarom vluchtend en altijd mijn best
doende de wreede kracht van dien wind te ontvluchten, was ik er steeds
op uit niet alleen door de vlakten, maar ook door de diepste valleien
te gaan. Wat duidelijk genoeg kan blijken aan wien de hier gegeven
geschiedenissen beschouwt, welke door mij niet alleen zijn geschreven
in de florentijnsche volkstaal en in proza en zonder titel, [67] maar
ook in den meest gewonen en sobersten stijl, zooveel als maar mogelijk
is. Toch heb ik daardoor niet kunnen beletten, dat ik geheel door zulk
een wind wreed werd geschud en ook bijna ontworteld en geheel
verscheurd door de beten van den nijd. Daarom kan ik best begrijpen,
dat het waar is, wat de wijzen plegen te zeggen, dat alleen de ellende
in de tegenwoordige wereld zonder afgunst is.
Er zijn dan, bescheiden dames, enkele lieden geweest, die deze novellen
lezende, hebben gezegd, dat gij mij te veel behaagt en dat het geen
eerlijke zaak is, dat ik er zooveel behagen in schep u te willen
bekoren en u te troosten en anderen hebben het nog erger genoemd u te
prijzen gelijk ik deed. Anderen, die wilden voorgeven, bedachtzamer te
spreken, hebben gezegd, dat het op mijn leeftijd [68] niet past mij
voortaan met die dingen bezig te houden, namelijk met de donna’s te
spreken of hen te behagen. En velen zeggen, zeer twijfelend aan mijn
goeden naam, dat ik beter deed bij de Muzen op den Parnassus te blijven
dan mij met die dwaasheden onder u te mengen. En er zijn er ook, die
meer met teleurstelling dan met wijsheid spreken, en die gezegd hebben,
dat ik bescheidener deed er aan te denken, vanwaar ik brood kon krijgen
dan die fratsen voort te zetten en wind te happen. En zekere anderen
doen hun best aan te toonen, dat de dingen anders zijn gebeurd door mij
verhaald dan ik ze voorstel, tot nadeel van mijn arbeid. Aldus, waarde
dames, terwijl ik tot uw dienst strijd, is het door zulke vlagen van
nijd, door zulke wreede tanden, door zulke woorden, dat ik word
geslagen, beleedigd en levend doorboord, welke dingen ik met kalm
gemoed—God weet het—hoor en verneem. En voor zoover uw verdediging op
mij in dit alles rust, ben ik niet van plan mijn krachten te sparen;
integendeel zonder zooveel te antwoorden als noodig is, wil ik met een
kort antwoord mij er de ooren van bevrijden en dit zonder uitstel doen,
zoodat, terwijl ik nog niet tot het derde deel van mijn werk gekomen
ben, en zij al talrijk zijn en zich heel wat aanmatigen, ik meen, voor
ik aan het einde kom, dat zij zoo zich kunnen vermenigvuldigen, dat—zij
in het begin niet beantwoord—mij met weinig moeite er onder kunnen
werken, en dat uw krachten, hoe groot die ook zijn, er ook niet
voldoende tegen zouden wezen.
Maar eer ik aan ieder ga antwoorden, staat het mij aan ten mijnen
gunste niet een heele novelle te verhalen, opdat het niet schijnt, dat
ik mijn verhalen met die van een zoo lofwaardig gezelschap wil
vermengen als dit was, waarvan ik u hier sprak, maar een deel er van,
opdat uit zijn gebrekkigheid zelf blijkt, dat het niet van u is en nu
aan mijn vijanden het verhalende, zeg ik: [69]
In onze stad leefde al lang geleden een burger, die Filippo Balducci
heette, een man van zeer nederige afkomst, maar rijk en zeer benijd en
ervaren in de zaken betreffende zijn beroep. Hij had een vrouw, die hij
zeer beminde en zij hem; zij leidden samen een rustig leven en deden
voor niets meer hun best dan om elkaar geheel te behagen. Nu gebeurde
het als met elkeen, dat de goede donna kwam te sterven en aan Filippo
niets anders van haar naliet dan een zoon door haar ter wereld
gebracht, die misschien twee jaar oud was. Hij bleef over den dood van
zijn donna zoo troosteloos als ooit iemand, wanneer die een geliefd
wezen verloor. En ziende, dat hij alleen was gebleven zonder de
gezellin, die hij het meest beminde, nam hij zich voor niet meer van
deze wereld te zijn maar zich te wijden aan den dienst van God en
hetzelfde te doen met zijn kleinen zoon. Nadat hij daarom alles aan de
armen gegeven had, ging hij zonder verwijl naar den berg Asinajo [70]
en daar trok hij zich met zijn zoon in een kleine hut terug, waarin zij
beide van aalmoezen in vasten en bidden leefden en hij zich ten
sterkste er voor hoedde met zijn zoon van eenige wereldlijke zaak te
spreken of hem er iets van te laten zien, opdat dit hem niet van dezen
dienst afleiden zouden, maar altijd van de glorie van het eeuwige leven
en van God en van de heiligen en leerde hem niets anders dan de heilige
gebeden en hij liet hem vele jaren zoo leven, en nooit uit de hut gaan
of hem ooit iets anders aanschouwen. De eerwaarde man placht soms naar
Florence te gaan en vandaar, geholpen naar zijn behoeften, keerde hij
naar zijn hut terug. Toen de jongen al achttien jaar was en Filippo al
oud, vroeg hij hem eens, waar hij heenging. Filippo zeide het hem. De
jongen antwoordde: Vader, gij zijt nu oud en kunt slecht vermoeienis
verdragen; waarom brengt gij mij niet een keer naar Florence, opdat,
wanneer gij mij de vrienden en vromen van God en van u doet kennen, ik
die jong ben en mij beter kan inspannen, voor onze behoeften later naar
Florence kan gaan, wanneer het u bevalt? En gij kunt dan hier blijven.
De eerwaarde man, die bedacht, dat zijn zoon al groot was en zoo gewoon
was aan den dienst van God, dat de dingen der wereld hem moeilijk
voortaan daaraan konden onttrekken, zeide tot zich zelf: Hij redeneert
goed. Daarom, toen hij er heen moest gaan, nam hij hem mee. Toen de
jonkman daar de paleizen zag, de huizen, de kerken en al de andere
zaken, waarvan de heele stad vol was, begon hij, omdat hem nooit uit
zijn herinnering zoo iets voorstond, zich zeer te verbazen en vroeg van
velen aan zijn vader, wat dat waren en hoe zij heetten. De vader
vertelde hem dit. En hij, die dit vernam, bleef voldaan en vroeg nu
iets anders. Terwijl de zoon zoo vroeg en de vader zoo antwoordde,
ontmoetten zij toevallig een gezelschap schoone en getooide jonge
meisjes, die van een bruiloft kwamen. Toen de jongeling die zag, vroeg
hij ook wat dat voor een ding was. De vader sprak dan: Mijn zoon, sla
de oogen ter aarde neder; kijk er niet naar, dat is een kwaad ding. De
zoon ging voort: O hoe heeten die? De vader, om niet in den zinnelijken
geest des jongelings een schadelijke, zondige begeerte op te wekken,
wilde ze niet bij hun eigen naam noemen, maar zeide: Het zijn ganzen.
Het is wonderbaar om te hooren! Hij, die er nooit een gezien had,
bekommerde zich niet meer om de paleizen, om os, paard noch ezel, noch
om geld, noch om wat hij ook had aanschouwd, maar zei onmiddellijk:
Vader, ik bid u, dat gij zorgt, dat ik zulk een gans krijg. Wee mij,
mijn zoon, sprak de vader, zwijg, zij zijn een boos ding. De zoon vroeg
hem toen: Ik weet niet, wat gij zegt, noch waarom die wezens slecht
zijn; wat mij betreft, mij heeft nog nooit iets zoo schoon of
bekoorlijk geschenen als dezen zijn. Zij zijn schooner dan de
geschilderde engelen, die gij mij meermalen hebt doen aanschouwen.
Kijk, als gij om mij geeft, zorg dan dat wij een van die ganzen naar
boven medenemen en ik zal die voeren. De vader sprak: Ik wil het niet;
gij weet niet, waarmee zij zich voeden. En hij bemerkte dadelijk, dat
de natuurdrift machtiger was dan zijn geest en had er berouw van zijn
zoon naar Florence te hebben gevoerd.
Maar dit is tot hiertoe van deze geschiedenis voldoende verteld en ik
wil mij weer wenden tot hen, die ik deze verhaald heb. Eenige van mijn
verbeteraars zeggen, dat ik kwaad doe, o jonge dames, doordat ik mij er
te veel op toeleg u te behagen en dat ge mij te veel bekoort. Dit beken
ik openlijk, namelijk, dat gij mij bekoort en dat ik mijn best doe u te
bevallen. En ik vraag hen, waarom zij er zich over verwonderen als zij
niet eens in aanmerking nemen, dat ik de verliefde kussen gekend heb en
de heerlijke omhelzingen en de zalige samenkomsten, welke men van u,
allerzoetste donna’s, dikwijls geniet. Zij schijnen er alleen op te
letten, dat ik gezien heb en voortdurend zie uw sierlijke manieren en
uw begeerenswaardige schoonheid en uw schoonen tooi en behalve dat uw
aristocratische eerbaarheid. Zou dan iemand die gevoed, opgegroeid en
volwassen is op een wilden en eenzamen berg binnen de muren van een
enge hut zonder ander gezelschap, dan zijn vader, zoodra hij u ziet,
niet u alleen begeeren, niet u alleen verlangen, niet u alleen met
hartstocht volgen? Laten zij, die mij misprijzen, mij maar bijten, mij
verscheuren, als ik, wiens lichaam de hemel geheel heeft geschapen om u
te beminnen en die van af mijn kindsheid u mijn ziel heb gegeven, de
kracht maar heb van het licht uwer oogen, de zachtheid van uwe
honingzoete woorden te gevoelen en ik ontbrand door uw medelijdende
zuchten, terwijl gij mij bekoort of als ik mijn best doe u te behagen
en zeker indien ik er op let, dat gij ook aan een kleinen kluizenaar,
aan een jonkman zonder gevoel, haast aan een wild beest hebt bekoord?
Voorzeker wie u niet bemint, en niet verlangt door u bemind te worden
als iemand, die noch de genoegens noch de kracht der natuurlijke
aandrift voelt noch kent, laat die mij maar hekelen; daar geef ik
weinig om. En zij, die tegen mijn leeftijd gaan spreken, toonen, dat
zij slecht weten, dat de prei, die een witten kop heeft, een groenen
staart bezit. Aan hen, scherts ter zijde latend, antwoord ik, dat ik
tot de uiterste grens van mijn leven mij niet zal schamen daarin
genoegen te vinden, waarin Guido Cavalcanti en Dante Alighieri al
bejaard en messire Cino van Pistoja al zeer oud een eer stelden, en het
hoog schatten hierin behagen te scheppen. En als het niet gaan was
buiten de gewone manier van vertellen, zou ik geschiedenissen ter
verdediging aanvoeren en ik zou toonen, dat die allen vol zijn met
voorbeelden van antieke en waardige mannen, die in hun rijpste jaren
hun best hebben gedaan aan de donna’s te behagen. En als die het niet
weten, laten zij dan maar gaan en het leeren.
Dat ik mij met de Muzen op den Parnassus moet bezighouden, ik beken,
dat dit een goede raad is, maar ik kan niet mijn heele leven bij de
Muzen blijven, noch zij bij mij, en wanneer de man van hen scheidt en
zich vermeit hen te aanschouwen, die op dezen gelijken, valt dat niet
te laken. De Muzen zijn donna’s en hoewel de donna’s niet verlangen,
wat de Muzen begeeren, hebben zij er op het eerste gezicht overeenkomst
mee, zoodat, als die mij om niets anders bekoorden, zij het daarom
moesten doen zonder te rekenen, dat vroeger voor mij de dames de
oorzaak waren, dat ik duizend verzen dichtte, wat de Muzen nooit van
mij verkregen. Wel hielpen zij mij en wezen mij, hoe die duizend te
maken en misschien, dat zij, bij het schrijven van deze
geschiedenissen, hoewel die zeer onbeduidend zijn, verscheidene malen
tot mij gekomen zijn om bij mij te blijven misschien ten dienste en ter
eere van de gelijkenis, die de donna’s met hen hebben. En daarom als ik
ze samen stel, verwijder ik mij noch van den berg Parnassus, noch van
de Muzen, wat ongelukkig velen meenen.
Maar wat zullen wij zeggen tot hen, die zooveel bezorgdheid over mijn
honger hebben, dat zij mij raden mij brood te verschaffen? Zeker, ik
weet het niet, wanneer ik er over denk, wat hun antwoord zou zijn; als
ik uit nood het hun zou vragen, dan meen ik, dat zij zouden zeggen: Ja,
zoek het met verdere vertelsels te verdienen. En vroeger hebben de
dichters er meer met hun fantasiën bij gevonden dan vele rijken onder
hun schatten. Velen zelfs door hun verhalen te verbeelden, deden hun
leven bloeien, terwijl integendeel velen bij het zoeken naar meer brood
dan ze noodig hadden, jong te gronde gingen. Wat meer? Dat zij mij
wegjagen, wanneer ik er hun om vraag? Neen, Goddank, heb ik het nog
niet noodig en mocht de nood toch nog komen, dan weet ik volgens den
Apostel, den overvloed te verdragen en de armoede en daarom dat niemand
zich meer met mij bemoeit dan ik het doe met een ander.
Voor hen, die zeggen, dat ik de dingen niet vertel zooals ze gebeurd
zijn, zou ik zeer op prijs stellen, dat zij de bronnen voor den dag
haalden, en dan, als ze met wat ik schrijf in strijd waren, zou ik
zeggen, dat hun aanmerkingen juist waren en ik zou mijn best doen ze
zelf te verbeteren. Maar zoolang mij niets anders voor de oogen komt
dan praatjes, zal ik ze in hun meening laten, de mijne volgen en van de
hunne zeggen, wat zij van de mijne beweren. En denkend, dat ik er voor
ditmaal genoeg op heb geantwoord, zeg ik, dat ik met Gods hulp en de
uwe, liefste donna’s, waarop ik hoop, gewapend en met veel geduld
hiermee zal voortgaan en het hoofd keer tegen dien wind in, welke ik
laat blazen. Omdat ik niet zie, dat er voor mij iets anders uit kan
voortvloeien dan wat er met het stof gebeurt, dat, wanneer een wind
blaast, of niet van de aarde opstuift of als het wordt opgeheven,
omhoog wordt gedragen en dikwijls op de hoofden der menschen, op de
kronen der koningen en keizers en dikwijls op de trotsche paleizen en
de verheven torens neerkomt, waarvan het, als het weer neerslaat, niet
lager kan dalen dan het reeds opgejaagd is. En als ik mij er ooit op
toelegde met al mijn kracht u te behagen, zou ik mij er nu meer dan
ooit aan wijden, want ik weet, dat men met recht niets anders zal
kunnen zeggen dan dat de anderen en ik, die u liefhebben, zeer
natuurlijk handelen. Tegen die wetten in te gaan, namelijk tegen de
natuurwetten, gebeurt niet alleen dikwijls tevergeefs, maar tot groote
schade van de daders. Ik beken, dat ik die krachten niet heb en dat ik
ze hiervoor niet begeer; en als ik ze had, zou ik ze liever anderen
leeren dan ze zelf te gebruiken. Laten daarom mijn vijanden zwijgen en
als zij niet kunnen in vuur raken, doordat zij zoo verstompt leven in
hun genoegens, of liever in hun verdorven begeerten, laten zij mij in
het korte leven mij gesteld, de mijnen gunnen. Maar om terug te keeren
tot hetgeen, waarvan wij zeer zijn afgeweken, o schoone donna’s, laten
wij daarvan weer uitgaan en de ingestelde orde volgen.
De zon had van den hemel elke ster en van de aarde den vochtigen nevel
van den nacht verdreven, toen Filostrato opstond, zijn geheele
gezelschap deed herrijzen en nadat zij zich in den schoonen tuin hadden
begeven, gingen zij daarin wandelen. Toen het etensuur gekomen was,
ontbeten zij daar, waar zij den vorigen avond gegeten hadden. En na
geslapen te hebben, toen de zon op zijn hoogste punt stond, verhieven
zij zich en volgens gewoonte zetten zij zich neer bij de schoone
fontein. Daar beval Filostrato aan Fiammetta, dat die met de
vertellingen zou beginnen, welke zonder verder te wachten, wat er
gelast werd, vol gratie aldus begon: