TIENDE VERTELLING.

Alibek wordt kluizenaarster. De monnik Rustico leert haar den

duivel naar de hel te sturen; dan vandaar geroofd, wordt zij de

vrouw van Neerbal. [62]

Dioneo, die ijverig bij het verhaal van de koningin had toegeluisterd,

zag, dat het geëindigd was en dat aan hem alleen de beurt bleef om te

vertellen. Zonder bevel af te wachten begon hij lachend: Genadige

donna’s. Gij hebt misschien nooit gehoord, hoe men den duivel terug

jaagt naar de hel en daarom zonder af te wijken van het onderwerp,

waarover gij allen gesproken hebt, ga ik u dit verhalen. Misschien kunt

gij, als gij het verneemt, er de ziel bij winnen en erkennen, dat,

hoezeer Amor veel liever de vreugdevolle paleizen en de fluweelige

salons bewoont dan de armelijke hutten, hij niettemin tusschen de

dichte bosschen, de wilde bergen en de verlaten spelonken zijn kracht

doet gevoelen, waaruit men kan begrijpen, dat alles aan zijn macht

onderworpen is.

Dus om tot het feit te komen, zeg ik, dat in de stad Capsa [63] in

Barbarije vroeger een zeer rijk man leefde, die behalve eenige zoons

een schoone en lieve dochter had, die Alibek heette. Deze was geen

Christin en daar zij van vele Christenen, die in de stad waren, het

christelijk geloof en het dienen van God hoorde roemen, vroeg zij op

een goeden dag aan een er van op welke wijze en hoe men het

gemakkelijkst God kon dienen. Deze antwoordde haar, dat diegenen God

het best dienden, die vooral de wereldsche zaken ontvluchtten gelijk

zij deden, welke zich in de eenzaamheid der woestijnen van Thebaïda

hadden terug getrokken. Het meisje, dat hoogst eenvoudig was en

misschien veertien jaar oud, ging niet door een zelfbewust maar door

een kinderlijk verlangen zonder er iemand iets van te laten merken, den

volgenden morgen naar de woestijn van Thebaïda [64] geheel alleen in ’t

geheim en met groote inspanning den honger verdurend bereikte zij na

eenige dagen die eenzame oorden. Zij zag van verre een huisje, ging er

heen en vond op den drempel een heiligen man, die verwonderd haar te

zien haar vroeg wat zij daar kwam zoeken. Zij antwoordde, dat zij door

een ingeving van God in Zijn dienst zocht te komen en dat hij haar zou

leeren, hoe het haar paste Hem te dienen. De waardige man, die haar

jong en zeer schoon vond en vreesde, dat hij, als hij haar hield, door

den duivel zou worden verleid, prees haar goede gezindheid en nadat hij

haar eenige wortels had te eten gegeven en wilde appels en dadels en

wat water om te drinken, zeide hij: Mijn dochter, niet ver van hier

woont een heilig man, die in de dingen, welke gij zoekt meer meester is

dan ik; gaat gij naar hem toe. Zij begaf zich op weg. Zij kwam bij hem

en nadat zij dezelfde woorden vernam en verder ging, kwam zij aan de

cel van een jongen kluizenaar, een zeer vroom en goed man, die Rustico

heette en zij vroeg hem, wat zij ook de anderen gevraagd had.

Deze om zijn standvastigheid op een groote proef te stellen, stuurde

haar niet als de anderen weg, maar hield haar in zijn cel en toen de

nacht kwam, maakte hij haar een bed van palmtakken en op dezen vroeg

hij haar zich uit te strekken. Toen dit gedaan was, kon hij de

verleiding niet langer weerstand bieden om slag te leveren. Hij weldra

hierdoor bedrogen, boog zonder te veel verzet het hoofd en gaf zich als

overwonnene over. En de heilige gedachten, de gebeden en de oefeningen

ter zijde latend, begon hij in zijn herinnering de jeugd en de

schoonheid van het jonge meisje terug te roepen en behalve dat te

peinzen over den weg en de manier, die hij moest volgen bij haar, opdat

zij niet bemerkte, hij als een besluiteloos man wilde bereiken, wat hij

van haar verlangde.

Na eerst eenige vragen gesteld te hebben als proef, bemerkte hij

spoedig, dat zij nooit een man gekend had en dat zij even eenvoudig

was, als zij er uit zag. Daarom maakte hij het plan om onder het

voorwendsel van God te dienen haar tot zijn bevrediging over te halen.

Voor alles toonde hij haar met vele woorden aan, hoezeer de duivel een

vijand is van God den Heer en daarna gaf hij haar te verstaan, dat men

hiermee den grootsten dienst deed aan God den duivel naar de hel terug

te jagen, waartoe God hem verdoemd had. Het meisje vroeg hem, hoe hij

dit deed. Rustico antwoordde hierop: Gij zult het spoedig weten en

daartoe zult gij doen, wat gij mij ook zult zien verrichten. Hij begon

zich van de weinige kleeren te ontdoen, die hij aanhad en bleef geheel

naakt en zoo deed ook het kind; hij deed haar op de knieën liggen,

alsof zij wilde bidden en plaatste haar recht tegenover hem. In die

houding, toen Rustico meer dan ooit in begeerte ontbrand was door haar

zoo schoon te zien, kwam de prikkel des vleesches, wat Alibek zag en

verwonderd deed zeggen: Rustico, wat is dat, wat ik bij u zie, dat bij

u zoo uitsteekt en wat ik niet heb? O mijn dochter, zeide Rustico, dat

is de duivel, waarvan ik je gesproken heb. En ziet gij: hij kwelt mij

nu in de hoogste mate, zoodat ik het ternauwernood kan uithouden. Toen

zeide het jonge meisje: O God zij geloofd, dat ik beter af ben dan gij,

omdat ik dien duivel niet heb. Rustico antwoordde: Gij zegt de

waarheid, maar gij bezit iets anders wat ik niet heb en dat hebt gij

daarvoor in ruil. Alibek hernam: Wat dan? Hierop antwoordde Rustico:

Gij hebt de hel en ik verzeker u, dat ik geloof, dat God u hierheen

heeft gezonden voor het heil van mijn ziel, opdat, terwijl die duivel

mij zooveel kwelling veroorzaakt, gij zooveel medelijden moet hebben om

toe te staan, dat ik hem in die hel breng, waardoor gij mij een zeer

groote verlichting zult schenken en aan God een zeer groot welgevallen

en dienst bewijzen, indien gij hier gekomen zijt om te doen, wat gij

zegt. Het meisje antwoordde te goeder trouw: Mijn vader, daar ik die

hel heb, mag dit gebeuren, wanneer het u zal behagen. Rustico sprak:

Mijn dochter, wees gezegend, laten wij dan beginnen en laten wij hem er

brengen, opdat hij mij dan met rust laat. Na die woorden legde hij het

meisje op een van hun twee bedden en toonde haar, hoe zij zich moest

houden om dien door God vervloekte gevangen te houden. Het meisje, dat

nog nooit een duivel naar de hel had gestuurd, voelde eerst een weinig

pijn, waarom zij tot Rustico zeide: Zeker, mijn vader, die duivel moet

een kwade wezen, en werkelijk een vijand des Heeren, want zelfs in de

hel doet hij anderen lijden, als hij er in is gestuurd. Rustico ging

voort: Mijn dochter, hij zal er niet altijd zoo blijven. En om te

zorgen, dat dit niet gebeurde, stuurden zij zes keer achter elkaar,

voor zij van het bed opstonden den duivel naar de hel, zoodat zij hem

eindelijk het hoofd deden buigen en hij zich stil hield. Maar daarna

toen zij hem meermalen deden terugkeeren en het gehoorzame, jonge

meisje zich er steeds toe leende, begon het spelletje haar te behagen

en zeide zij tot Rustico: Ik zie wel, dat de waarde mannen in Capsa

waarheid spraken, dat den Heer te dienen zulk een aangename zaak was.

En zeker herinner ik mij niet, dat ik ooit iets anders deed, wat mij

zooveel genoegen en behagen verschafte als den duivel naar de hel te

jagen. Daarom meen ik, dat ieder, die zich met iets anders bezighoudt

dan God te dienen een beest is. Hierdoor ging zij dikwijls Rustico

opzoeken en zeide tot hem: Mijn vader, ik ben hier gekomen om God te

dienen en niet om rust te houden; laten wij weer den duivel in de hel

doen. Bij zoo’n gelegenheid zeide zij eens: Rustico, ik weet niet,

waarom de duivel uit de hel vlucht, want als hij er zoo graag bleef,

wanneer de hel hem ontvangt en gevangen houdt, zou hij er nooit uit

komen.

Doordat het meisje dikwijls Rustico uitnoodigde en tot den dienst des

Heeren hem opwekte, trok zij hem zoo het katoen uit het hemd, dat hij

zich koud voelde, wanneer een ander zou hebben gezweet. Daarom begon

hij aan het meisje te zeggen, dat de duivel niet gekastijd en naar de

hel gestuurd moest worden dan, wanneer hij trotsch het hoofd ophief. En

wij hebben hem, Goddank, zoo getuchtigd dat hij den hemel bidt om

rustig te blijven, en zoo legde hij aan het meisje het zwijgen op.

Deze, toen zij zag, dat Rustico haar niet terug riep om den duivel naar

de hel te sturen, zeide hem eens: Rustico, als uw duivel geranseld is

en u geen last meer veroorzaakt, laat mijn hel mij geen rust, daarom

zult gij goed doen, dat gij met uw duivel helpt om de razernij in mijn

hel te stillen, gelijk ik u geholpen heb om met mijn hel den trots van

uw duivel te buigen. Rustico, die van kruidwortelen en water leefde,

kon moeilijk op de uitnoodigingen ingaan en zeide haar, dat er te veel

duivels noodig zouden zijn om de hel tot bedaren te brengen, maar dat

hij zou doen, wat hij kon. Zoo voldeed hij haar enkele malen maar zoo

weinig, dat dit niet meer was dan een boon te werpen in den muil van

een leeuw. Hierover was het jonge meisje zeer ontstemd wien hij God

niet zoo scheen te dienen, als zij wilde.

Terwijl tusschen den duivel van Rustico en de hel van Alibek dit door

te veel begeerte en te weinig macht gaande was, brak er in Capsa een

brand uit, die in het eigen huis den vader van Alibek, al zijn kinderen

en dienaars verbrandde, zoodat Alibek de erfgename werd van al diens

goederen. Dadelijk begon een jonkman Neerbal genaamd, die in

bandeloosheid al zijn bezittingen verkwist had en vernam, dat zij nog

leefde, haar te zoeken en vond haar terug, eer het gerecht beslag had

gelegd op de goederen van haar vader als van een man gestorven zonder

erfgenaam. Tot groot genoegen van Rustico en tegen den wil van haar

bracht hij haar terug naar Capsa en nam haar tot vrouw en werd met haar

te samen erfgenaam van het groote, ouderlijke goed. Doch toen haar

gevraagd werd door de vrouwen, voor zij met Neerbal had geslapen, met

wat zij God in de woestijn had gediend, antwoordde zij, dat zij Hem

diende door den duivel naar de hel te jagen en dat Neerbal een groote

zonde had bedreven door haar aan dien dienst te onttrekken. De vrouwen

vroegen: Hoe jaagt men den duivel daarin? Het meisje toonde het hun met

woorden en met gebaren. Zij moesten daar zoo om lachen, dat zij het nog

doen en zeiden: Wordt maar niet neerslachtig kind, neen, want men doet

dat hier ook en Neerbal zal God den Heer ook goed met u dienen. Toen

daarna de een na de ander het door de stad verspreidden, werd het daar

een algemeen gezegde, dat men God geen meer welgevalligen dienst kon

bewijzen dan door de duivel in de hel te doen. Dit gezegde vandaar over

zee gekomen bestaat nog. Daarom, jonge dames, die Gods genade noodig

hebt, leer den duivel in de hel sturen, omdat dit den Heere welgevallig

is en aan hen, die het doen en omdat er veel goeds uit kan geboren

worden en volgen.

Wel duizend malen had het verhaal van Dioneo de eerbare donna’s doen

lachen, zoo komiek schenen hun zijn woorden. Toen de historie ten einde

was, en de koningin zag, dat de termijn van haar heerschappij was

verstreken, hief zij daarom den lauwer van het hoofd, welke zij zeer

lieftallig zette op dat van Filostrato en zeide: Wij zullen spoedig

zien of de wolf beter de schapen weet te leiden dan de schapen het de

wolven deden. Toen Filostrato dit hoorde zeide hij lachend: Als ik dat

geloofd had, zouden de wolven aan de schapen geleerd hebben den duivel

in de hel te jagen niet erger dan Rustico bij Alibek deed en spreekt

daarom niet van de wolven, waar gij nog geen schapen zijt geweest. In

ieder geval naar het mij gegeven zal zijn, zal ik de mij opgedragen

regeering aanvaarden. Hierop antwoordde Neifile: Luister, Filostrato,

gij hadt, terwijl gij ons wilde onderrichten, wijsheid kunnen opdoen,

gelijk Masetto van Lamporecchio van de nonnen en zoo dikwijls hebben te

spreken, dat uw beenderen zonder meester geleerd hadden te toeteren.

[65]

Filostrato ziende, dat zij net zooveel schichten hadden als hij pijlen,

hield op met schertsen en begon zich te wijden aan het bestuur des

rijks. Hij liet den hofmeester roepen, van wien hij wilde weten hoe de

zaken stonden en behalve aan deze, gaf hij naar hetgeen hij meende, dat

goed was en het gezelschap zou voldoen, in stilte bevelen, voor zoolang

zijn heerschappij zou duren. Daarna keerde hij zich tot de donna’s en

zeide: Verliefde donna’s. Sinds mijn ongeluk, weet ik wel uit mijn

lijden, dat ik steeds door de schoonheid van een uwer ben onderworpen

geweest aan Amor en noch mijn nederigheid, noch mijn gehoorzaamheid,

noch hem te volgen daarin, wat mij bekend is tot hulp bij al zijn

gewoonten hebben mij iets geholpen, daar ik eerst voor een ander

verlaten en daarna steeds van kwaad tot erger ben vervallen, en zoo

geloof ik, dat ik van hier den dood tegemoet ga. Daarom wil ik, dat men

morgen van niets anders spreekt dan van wat met mijn lotgevallen

overeenstemt, namelijk van hem, wier liefde een ongelukkig einde had,

omdat ik op den duur verwacht, dat het mij zeer ongelukkig zal gaan,

ware het slechts door den naam, waarmee gij mij noemt, vanwege haar,

die wel weet, dat ik gedwongen werd mij zoo te noemen [66]. En bij die

woorden stond hij op om aan elk tot het avondmaal vrij te geven. De

tuin was zoo schoon en bekoorlijk, dat niemand er uit wilde gaan om

elders grooter genoegen te scheppen. Integendeel, daar de hitte al zoo

was afgenomen, dat men niet vermoeid werd door de geiten, de konijnen

en de andere dieren te volgen, die zich daar bevonden en die, terwijl

men gezeten was, meer dan honderd maal de aanwezigen in de war brachten

door tusschen hen in te springen, gingen zij die na. Dioneo en la

Fiammetta begonnen te zingen van Messire Guiglielmo en van de Dame del

Vergiù; Philomena en Pamfilo gingen zitten schaken, en zoo, deze dit en

gene dat doende, vloog de tijd om en verraste het ternauwernood

verwachte uur van het avondmaal. Toen de tafels bij de schoone fontein

waren geplaatst, aten zij met het grootste genoegen. Filostrato om niet

af te wijken van den weg, die de koninginnen voor hem gegaan waren,

beval, toen de tafels werden weggezet, dat Lauretta een dans zou vormen

en een lied zou zingen. Zij zeide: Mijnheer, ik weet niets van de

zorgen der anderen, maar ik heb er geen onder de mijnen, dat geschikt

is voor den geest van een zoo blijmoedig gezelschap. Indien gij er, van

die ik heb, een wilt hooren, zal ik U dit gaarne voordragen. Daarop zei

de koning: Al wat van U komt, kan niet anders dan schoon en bekoorlijk

zijn, daarom zing het gelijk gij het hebt. Lauretta met een zeer

liefelijke stem maar op een ietwat klagelijke wijze begon aldus,

terwijl de anderen antwoordden:

Geen troostelooze

Heeft zich zoo te beklagen als ik,

Want, helaas, ik zucht vergeefs in liefde.

Hij, die den hemel beweegt en elke ster

Maakte mij naar zijn welbehagen

Lief, bekoorlijk, gracieus en schoon

Om hier omlaag aan elk hoog verstand

Eenig teeken te geven

Van de schoonheid, die Hem altijd voor oogen staat,

En de menschelijke onvolmaaktheid,

Die mij slecht heeft gekend,

Viert mij niet maar heelt mij zelfs geminacht.

Vroeger was er een, die mij lief had en die gaarne

Als jong meisje mij nam

In zijn armen en daarna in al zijn gedachten

En voor mijn oogen geheel ontvlamde.

En de tijd, die licht voorbij vliegt

Verkwiste hij geheel met mij te beminnen,

En ik, die hoffelijk ben,

Maakte hem mijner waardig,

Maar nu tot mijn droefenis mis ik hem.

Toen kwam tot mij een trotsche

En fiere jonkman,

Die zich edel roemde en dapper

En mij nam en hield en met valsche gedachte

Jaloersch is geworden.

Daarover, helaas, ben ik wanhopig,

In waarheid wetend

Dat ik, voor het heil van velen ter wereld

Gekomen, door één geheel ben vermeesterd.

Ik verfoei mijn ongeluk,

Toen ik om vrouw te worden

Het ja! ooit uitsprak; zoo schoon en blijde

Zag ik mij vroeger in het donker onheil, waarin ik nu

Een hard leven leid,

Terwijl ik minder dan vroeger als eerbaar bekend ben.

O smartbrengende vreugde!

Waarom ben ik niet gestorven,

Voor ik dit en zoo heb beleefd!

O dierbare minnaar, waarover ik eerst

Meer dan over ieder ander blijmoedig was,

En die thans in den hemel is bij Hem,

Die ons schiep, zie heb medelijden

Met mij, die voor anderen

U niet kan vergeten: doe mij gevoelen,

Dat de vlam niet is uitgebluscht,

Die voor mij U verteerde,

En erlang daar voor mij het wederzien.

Hier eindigde Lauretta het lied, dat door allen geprezen op

verschillende wijze werd begrepen. Er waren er, die het op zijn

Milaneesch wilden verstaan en volhielden dat een goed varken beter is

dan een mooi meisje. Anderen waren van een meer verheven en beter en

waarder gedachte, maar het voegt niet er nu over uit te weiden. Hierna

liet de koning, die op het gras en tusschen de bloemen vele fakkels had

doen aansteken, verscheidene andere liederen zingen, tot elke ster

begon te dalen, die was opgegaan. Daarom beval hij, toen het hem tijd

scheen om te slapen, dat elk tot een goeden nacht naar zijn kamer

terugkeerde.

De Decamerone van Boccaccio · 第 35 / 116 题