Gilette de Narbonne geneest den koning van Frankrijk van een zweer.
Zij vraagt tot echtgenoot Bertram de Roussillon, die haar tegen
zijn zin huwt en naar Florence gaat uit baloorigheid. Hij wordt er
verliefd op een jong meisje, onder wier naam Giletta met hem slaapt
en van hem een tweeling krijgt. Hierna begint hij haar te beminnen
en behoudt haar tot vrouw.
Daar de koningin het voorrecht van Dioneo niet wilde vernietigen, bleef
alleen aan haar te spreken over, toen hiermee de geschiedenis van
Lauretta ten einde was. Daarom begon deze, zonder te wachten, dat de
haren het haar verzochten en zeer verlangend te vertellen, aldus:
Wie zal een verhaal doen, dat mooi schijnt, na dit van Lauretta te
hebben gehoord? Zeker is het een voordeel voor ons geweest, dat zij
niet de eerste was, want alsdan zouden die van de anderen weinig hebben
bekoord, maar toch hoop ik, dat het nog zal gebeuren met die, welke nog
dezen dag verteld moeten worden. Maar hoe het ook zij, wat mij nu over
het voorgestelde onderwerp invalt, zal ik u verhalen.
Er leefde in het koninkrijk Frankrijk een edelman, dien men Isnard,
graaf de Roussillon noemde, die, omdat hij niet zeer gezond was, altijd
een dokter bij zich hield, meester Gérard de Narbonne genaamd. Genoemde
graaf had een eenigen, kleinen zoon Beltram [61] genaamd, die heel mooi
en aardig was en dien men met andere kinderen van zijn leeftijd
opvoedde, onder welken een kind was van dien dokter, dat Giletta
heette. Dit meisje voelde voor dien Beltram een eindelooze liefde en
heviger dan gewoonlijk op dien teederen leeftijd het geval is. Toen de
graaf dood was en hij in handen des konings werd gesteld, moest hij
naar Parijs gaan, waarover het jonge meisje ontroostbaar bleef. Toen
haar vader kort daarop insgelijks stierf, was zij, als zij maar een
gunstige gelegenheid had kunnen vinden, graag daarheen getogen om
Beltram te zien. Maar daar zij streng bewaakt werd, omdat zij rijk en
alleen was achtergebleven, zag zij er geen eerlijk middel toe. Daar zij
al op huwbaren leeftijd kwam en Beltram nooit had kunnen vergeten, had
zij al velen, aan wie haar verwanten haar wilden doen trouwen,
geweigerd zonder de reden te verklaren. Terwijl zij meer dan ooit van
liefde voor Beltram brandde, daar zij gehoord had, dat hij een zeer
schoon jonkman was geworden, kwam de tijding tot haar, dat de koning
van Frankrijk door een gezwel, dat hij op de borst had en dat slecht
was genezen, een zweer had overgehouden, die hem zeer veel pijn en
angst veroorzaakte. Er was nog geen geneesheer te vinden, hoewel velen
het beproefd hadden, die hem hiervan hadden kunnen bevrijden, maar
allen hadden het verergerd. Hierdoor wilde de koning daarover wanhopig
van geen enkele verdere raad of hulp weten. Maar ook was de jonge dame
nu zeer tevreden en dacht zij niet alleen een gewettigde reden te
hebben om naar Parijs te gaan, maar als het de kwaal was, welke zij
onderstelde, kon zij het licht gedaan krijgen om Beltram tot echtgenoot
te bezitten. Vandaar, dewijl zij vroeger van haar vader heel wat had
geleerd, dat zij haar poeder van zekere heilzame kruiden klaarmaakte,
voor de ziekte, welke zij het meende te zijn, te paard steeg en naar
Parijs ging.
Zij hield zich eerst met niets anders bezig dan Beltram te zien en
daarna voor den koning verschenen, vroeg zij hem als gunst haar zijn
kwaal te toonen. De koning, die haar een schoon en voorkomend jong
meisje vond, kon haar niet weigeren en toonde haar die. Zoodra zij die
zweer gezien had, maakte zij zich dadelijk sterk die te kunnen genezen
en zeide: Majesteit, als het u behaagt, heb ik hoop op God u zonder
eenige pijn of lijden in acht dagen van dit ongemak te hebben verlost.
De koning spotte in zich zelf eerst om haar woorden en zeide: Wat de
beste doktoren van de wereld niet hebben gekund of geweten, zou een
jonge vrouw dat vermogen? Hij bedankte haar dus voor haar goeden wil en
antwoordde, dat hij zich had voorgenomen niet meer den raad van een
dokter te volgen. Het meisje sprak: Heer, gij minacht mijn kunde, omdat
ik jong en vrouw ben, maar ik herinner u er aan, dat ik niet met mijn
wetenschap genees, maar met Gods hulp en de kennis van meester Gérard
de Narbonnees, die mijn vader was en een zeer beroemd arts, toen hij
leefde. Toen dacht de koning bij zich zelf: Misschien is zij mij van
God gezonden; waarom beproef ik niet, wat zij kan doen, daar zij zegt
mij in korten tijd te zullen genezen? En na besloten te hebben het te
beproeven, zeide hij: En als u mij niet geneest, mejuffrouw, na mij van
mijn besluit te hebben afgebracht, wat wilt gij, dat er uit volgt?
Heer, antwoordde de jonge dame, laat mij bewaken en als ik u in acht
dagen niet genees, laat mij dan verbranden; maar als ik u wel herstel,
wat zal ik dan voor belooning krijgen? De koning hernam: Gij schijnt
mij nog ongetrouwd; indien gij dit doet, zullen wij u goed en voornaam
uithuwen, Het jonge meisje zeide: Neen, het doet mij waarlijk genoegen,
dat gij mij uithuwt, maar ik wil een echtgenoot gelijk ik u zal vragen
zonder een van uw zonen of een prins van het vorstelijk Huis te
verlangen. De koning beloofde haar dadelijk dit te doen. Het meisje
begon onverwijld haar kuur en voor den vastgestelden termijn maakte zij
hem beter. Hierdoor zeide de koning, toen hij zich genezen gevoelde:
Mejuffrouw, u hebt uw echtgenoot gewonnen. Zij antwoordde: Dan, heer,
heb ik Beltram de Roussillon gewonnen, welke ik van af mijn kindsheid
begon te beminnen en die ik altijd zeer lief heb gehad. Het scheen den
koning een lastig ding om haar dien te schenken, maar omdat hij het
beloofd had en zijn woord niet wilde breken, liet hij hem tot zich
roepen en zeide tot hem: Beltram gij zijt nu een groot, volwassen man;
wij willen, dat gij terugkeert om uw graafschap te besturen en gij zult
een jonge dame met u mede voeren, die wij u tot echtgenoote hebben
gegeven.
Beltram vroeg: En wie is die jonge dame, heer? De koning antwoordde:
Het is degene, die mij met haar geneesmiddelen de gezondheid heeft
terug geschonken. Beltram, die haar kende en gezien had, zeide, hoewel
zij hem zeer schoon leek maar wist, dat zij niet van een afkomst was,
die met zijn adel overeenstemde, zeer verontwaardigd: Heer, waarom wilt
gij mij een doktores tot vrouw geven? God verhoede, dat ik ooit zoo’n
vrouw neem. De koning antwoordde: Wilt gij dan, dat wij ons woord niet
nakomen, wat wij om onze gezondheid te herwinnen aan die jonge dame
gaven, die u als loon hiervoor tot man vroeg? Heer, hernam Beltram, gij
kunt mij alles ontnemen, wat ik bezit en mij geven als uw onderdaan aan
wien het u behaagt. Maar wees er zeker van, dat ik nooit over dit
huwelijk tevreden zal wezen. Toch—sprak de koning—zult gij het zijn,
omdat de jonge dame mooi en wijs is en veel van u houdt; daarom hopen
wij, dat gij een veel aangenamer leven met haar zult hebben dan met een
edelvrouw van hooger geboorte. Beltram zweeg en de koning liet groote
toebereidselen maken voor het bruiloftsfeest. Toen de hiervoor bestemde
dag gekomen was, huwde Beltram, hoe ongaarne hij het ook deed, de
juffrouw, die hem meer dan zichzelf liefhad. Hierop als iemand, die
reeds bij zichzelf heeft bedacht, wat hem te doen staat, zeide hij, dat
hij naar zijn graafschap wilde terugkeeren en er het huwelijk wilde
voltrekken en vroeg verlof aan den koning. Hij steeg te paard en ging
niet naar zijn graafschap, maar begaf zich naar Toscane. Hij wist, dat
de Florentijnen oorlog voerden met de Sienneezen en hij koos voor de
eersten partij. Hij werd bij hen met vreugde en eer ontvangen en tot
kapitein gemaakt van een zeker aantal manschappen. Toen hij van hen
goeden voorraad had ontvangen, bleef hij een langen tijd in hun dienst.
De jonge vrouw weinig tevreden met dit voorval, hoopte door goed te
werk te gaan hem in zijn graafschap terug te roepen en ging naar
Roussillon, waar zij door allen als hun gebiedster werd ontvangen. Daar
vond zij, gedurende den langen tijd, dat zij zonder den graaf was,
alles verwaarloosd en in verwarring en als een verstandige vrouw bracht
zij alles weer in orde. Haar onderhoorigen waren hierover zeer
tevreden, stelden haar zeer hoog, droegen haar groote liefde toe en
laakten den graaf zeer, dat hij met haar niet tevreden was. Toen de
dame in het land alles in orde had gebracht, deed zij dit aan den graaf
door twee ridders weten en verzocht hem, indien het om haar was, dat
hij niet in het graafschap kwam, het haar te berichten en dat zij dan
om hem genoegen te doen, zou vertrekken. Hierop antwoordde deze zeer
hard: Laat zij daarin haar zin volgen, ik voor mij zal bij haar komen,
wanneer zij dezen ring aan den vinger heeft en een zoon van mij
gewonnen op den arm. Hij stelde dien ring zoo op prijs, dat hij er
nooit van scheidde wegens de kracht, die men hem had verteld, dat deze
bezat. De twee ridders begrepen de hardheid van de voorwaarde gesteld
in die bijna onmogelijke dingen en ziende, dat zij door hun woorden hem
niet van zijn plan konden afbrengen, keerden zij naar de donna terug en
verhaalden haar zijn antwoord. Deze zeer bedroefd, overlegde na lang
nadenken of die twee dingen mogelijk konden worden, omdat zij dan haar
echtgenoot terug kreeg.
En na gedaan te hebben wat zij plicht dacht, verzamelde zij een deel
der grootste en voornaamste vazallen van haar graafschap, vertelde hun
geregeld en met zachte woorden, wat zij al gedaan had uit liefde voor
den graaf en toonde, wat er uit was voortgekomen. Ten slotte zeide zij,
dat haar plan niet was door haar verblijf aldaar den graaf in eeuwige
ballingschap te houden, maar dat zij integendeel de rest van haar leven
met pelgrimstochten wilde doorbrengen en met diensten van
barmhartigheid tot heil van haar ziel. Zij verzocht hun, dat zij de
bewaking en de regeering van het graafschap overnamen en aan den graaf
zouden berichten, dat zij het gebied vrij en verzorgd gelaten en er
zich uit verwijderd had om nooit meer in Roussillon terug te keeren.
Toen zij zoo sprak, werden er heel wat tranen door de goede vazallen
geschreid en veel beden tot haar gericht, opdat het haar zou behagen
van plan te veranderen en te blijven, maar zij bereikten niets. Zij, na
hen aan God te hebben aanbevolen, ging vergezeld van een neef en een
kamervrouw in pelgrimskleederen, goed voorzien van geld en dure
edelsteenen op weg zonder te weten, waar zij heen ging en zij hield
geen rust voor zij binnen Florence was. Bij toeval daar aangekomen,
trok zij zich terug in eene kleine herberg, welke een goede weduwe
hield en bleef daar geheel als een arme pelgrimsvrouw verlangend iets
van haar heer te hooren. Toevallig zag zij aldus den volgenden dag
Beltram te paard met zijn compagnie de herberg voorbijgaan en zij
vroeg, hoe goed zij hem ook kende, wie hij was. De herbergierster
antwoordde: Dat is een aardig en hoffelijk, vreemd edelman, die graaf
Beltram heet en die in deze stad zeer bemind is. Het is de verliefdste
man ter wereld op een van onze buren, een edelvrouw maar arm. Ze is
zeer fatsoenlijk en huwt nog niet uit armoede, maar blijft bij haar
moeder, een zeer wijze en goede donna. En misschien, als die haar
moeder niet was, had zij al gedaan wat aan den graaf zou hebben
behaagd. Toen de gravin die woorden hoorde, onthield ze die goed en na
alles nauwkeurig te hebben onderzocht en elke bijzonderheid te hebben
gezien, vormde zij haar plan. Nadat haar het huis was aangewezen en de
naam van de donna en van haar dochter, bemind door den graaf, ging zij
er op een dag in pelgrimskleed stil heen. Zij vond de donna en haar
dochter in armoede, groette hen en zeide aan de donna, dat zij, wanneer
het haar schikte, haar wilde spreken. Nadat de edelvrouw was opgestaan,
zeide zij bereid te zijn haar aan te hooren en toen zij alleen in een
kamer getreden waren en zich neerzetten, begon de gravin: Madonna, het
schijnt mij, dat de fortuin u als mij vijandig is, maar als gij wilt,
zult gij toevallig ons beiden, u en mij, tevreden kunnen stellen. De
donna antwoordde, dat zij niets anders verlangde dan zich op eerzame
wijze te troosten. De gravin vervolgde: Ik heb uw woord noodig, maar
als ik er op vertrouw en gij bedriegt mij, zult gij uw eigen zaken en
de mijnen bederven. Zeker, zei de edelvrouw, zeg mij al, wat u bevalt,
want nooit zult gij u door mij bedrogen vinden. Toen vertelde haar de
gravin, die begon over haar eerste liefde, wie zij was, en wat er
geschied was tot op dien dag van haar bezoek zóó, dat de edelvrouw
vertrouwde op haar woorden, ook omdat zij die al ten deele van anderen
gehoord had en kreeg medelijden met haar. De gravin vertelde haar
lotgevallen en ging voort: Gij hebt bij mijn andere ongelukken die twee
dingen gehoord, die ik noodig heb om mijn man terug te krijgen. Ik ken
niemand anders, die ze mij kan verschaffen dan gij, indien het waar is,
wat ik verneem, dat de graaf, mijn echtgenoot, ten zeerste uw dochter
bemint.
De edelvrouw antwoordde: Madonna, of de graaf mijn dochter bemint, weet
ik niet, maar hij geeft er zich zeer den schijn van. Maar wat kan ik
hierbij doen, dat gij verlangt? Madonna, antwoordde de gravin, ik zal
het u zeggen. Doch ten eerste wil ik u dat uiteenzetten, wat ik wil,
dat er voor u uit volgt, indien gij mij van dienst zijt. Ik zie, dat uw
dochter schoon en groot genoeg is voor een huwelijk en naar wat ik
vernomen heb en meen te begrijpen, is het gebrek aan geld om haar uit
te huwen, dat u haar thuis doet houden. Ik ben van plan tot loon voor
den dienst die gij mij zult bewijzen, haar van mijn geld spoedig een
bruidschat te schenken, die gij zelf voornaam genoeg zult achten en
voldoende om haar te laten trouwen. De donna, die het noodig had,
beviel dit, maar daar zij een adellijken geest had, zeide zij: Mevrouw,
zeg mij wat ik voor u kan verrichten en als dat mij fatsoenlijk
schijnt, zal ik het gaarne doen en gij zult daarna handelen gelijk gij
verkiest. De gravin zeide: Ik heb noodig, dat gij door iemand, dien gij
vertrouwt, aan den graaf mijn echtgenoot, laat zeggen, dat uw dochter
bereid is hem elk genoegen te doen, mits zij er zeker van kan zijn, dat
hij haar zoo bemint gelijk hij voorgeeft en dat zij het nooit moet
gelooven, indien hij haar niet den ring geeft, dien hij aan de hand
draagt en van welken zij gehoord heeft, dat hij daaraan zoo gehecht is.
Als hij u dien geeft, zult gij dien aan mij schenken en daarna zult gij
uw dochter opdragen te zeggen, dat zij gereed is zijn genoegen te doen.
Gij zult hem in ’t geheim hier laten komen en gij zult mij in plaats
van uw dochter aan zijn zijde doen liggen. Misschien zal God mij de
genade schenken zwanger te worden en zoo met zijn ring aan den vinger
en een kind door hem verwekt op den arm, zal ik hem heroveren en ik zal
bij hem blijven gelijk een vrouw met haar man leven moet, en daarvan
zult gij dan de oorzaak zijn. Dit scheen aan de edelvrouw een heel
ding, daar zij vreesde, dat er misschien voor haar dochter schande uit
volgen zou; maar daar zij toch vond, dat het een eerlijke zaak was, dat
de goede dame haar man terugkreeg en dat zij tot een eerbaar doel zich
er toe zetten om dit te doen, vertrouwde zij op haar goede en
fatsoenlijke gezindheid en beloofde het niet alleen aan de gravin maar
binnen weinige dagen met geheime voorzorg, volgens den last haar
opgedragen, had zij dien ring (hoe bezwaarlijk dit den graaf ook
scheen) en liet haar in plaats van de dochter op meesterlijke wijze met
hem samenslapen. Na de eerste samenkomsten zeer hartstochtelijk door
den graaf verlangd, werd de gravin naar het Gode behaagde zwanger van
twee knapen gelijk de tijdige bevalling deed blijken. En de edelvrouw
bevredigde niet slechts eens de gravin met omhelzingen van haar
echtgenoot maar vele malen, zoo heimelijk te werk gaande, dat hij er
nooit een woord van wist. De graaf geloofde altijd, dat hij niet bij
zijn vrouw was geweest maar bij degene, die hij beminde. Hij gaf haar,
toen hij ’s ochtends heenging, verscheidene schoone en dure geschenken,
welke de gravin alle met zorg bewaarde.
Toen zij zwanger was, wilde zij de edelvrouw niet langer lastig vallen
met dien dienst, maar zij sprak tot haar: Mevrouw, God en u zij dank,
heb ik nu, wat ik verlangde, en daarom is het tijd, dat ik doe wat u
aangenaam zal zijn, opdat ik daarna vertrek. De edelvrouw zei haar,
dat, indien zij had, wat zij begeerde, dit haar genoegen deed, maar dat
zij het niet had gedaan met eenige hoop op belooning, doch omdat het
haar scheen, dat zij dit moest doen om goed te handelen. De gravin ging
voort: Madonna, dit bevalt mij zeer en van mijn kant ben ik niet van
plan u iets te geven als belooning, maar om goed te doen, wat mij
plicht schijnt. De edelvrouw toen door noodzakelijkheid gedwongen,
vroeg haar met groote verlegenheid honderd lire om haar dochter te doen
trouwen. De gravin, die haar verlegenheid zag en haar bescheiden vraag
hoorde, gaf er haar honderd vijftig en zooveel schoone en dure
juweelen, dat die evenveel waard waren, waarover de edelvrouw meer dan
tevreden zoo goed zij kon de gravin bedankte, welke afscheid van haar
nam en naar de herberg terugkeerde. De edelvrouw om aan Beltram elke
reden te ontnemen iets meer te gelasten of om verder in haar huis te
komen, ging met haar dochter te zamen in haar land naar de woning van
haar verwanten. Wat Beltram betreft, hij ging naar zijn verblijf daar
terug, toen hij eenigen tijd later door zijn vazallen werd geroepen en
hoorde, dat de gravin zich had verwijderd. De gravin wetend, dat hij
Florence had verlaten en naar zijn gebied was teruggekeerd, was zeer
tevreden en bleef zoolang in die stad, tot het oogenblik der bevalling
kwam en baarde twee jongens, die zeer op hun vader geleken en die zij
met zorg liet zoogen. Toen het tijd werd, begaf zij zich op weg zonder
door iemand gekend te worden, kwam te Montpellier en na eenige dagen te
hebben uitgerust en omtrent den graaf inlichtingen te hebben gekregen
en waar hij zich bevond en zij wist, dat hij op Allerheiligen te
Roussillon een groot feest moest geven van edelvrouwen en ridders, ging
zij weer in pelgrimskleed, gelijk zij gewoon was, daarheen. Zij vernam,
dat de dames en heeren in het paleis van den graaf bijeen waren om aan
tafel te gaan en zonder van kleederen te verwisselen klom zij met die
knaapjes op haar armen naar de zaal en ging van gast tot gast, tot waar
zij den graaf zag, wierp zich aan zijn voeten en zeide: Mijnheer, ik
ben uw ongelukkige echtgenoote, welke om u in huis te laten terugkeeren
en blijven, langen tijd rondgezworven heeft. Ik herwin u door God, zoo
gij u aan de voorwaarden houdt mij gesteld door de twee ridders, die ik
u toezond. Ziedaar op mijn armen niet slechts één zoon van u, maar twee
en ziehier uw ring. Het is dus tijd, dat ik door u ontvangen word als
uw vrouw volgens uw belofte. De graaf dit hoorende was geheel buiten
zichzelf en herkende den ring en ook de kinderen, die zoo op hem leken,
maar hij zeide: Hoe kan dit gebeurd zijn? De gravin tot groote
verbazing van den graaf en van alle aanwezigen vertelde
achtereenvolgens, wat er gebeurd was en hoe. De graaf, die zag, dat zij
de waarheid sprak en haar volharding en haar scherpzinnigheid
bewonderde en ook die zoo schoone knaapjes, wierp zoowel wegens de
belofte, die hij had gedaan als om aan al zijn vazallen en edelvrouwen
genoegen te doen, zijn wreede koppigheid van zich af, daar zij allen
hem vroegen haar als zijn wettige echtgenoote voortaan te ontvangen en
te eeren en deed de gravin opstaan. Hij omhelsde en kuste haar,
herkende haar als zijn wettige vrouw en de kinderen als de zijnen. Hij
liet haar met gewaden overeenkomstig haar rang kleeden en tot groote
blijdschap van allen, die er waren en van al zijn andere vazallen, die
dit vernamen, maakte hij niet alleen dien dag, maar vele anderen een
zeer groot feest en van af dien tijd eerde hij haar steeds als zijn
echtgenoote en vrouw, beminde haar en stelde haar zeer hoog.