NEGENDE VERTELLING.

Gilette de Narbonne geneest den koning van Frankrijk van een zweer.

Zij vraagt tot echtgenoot Bertram de Roussillon, die haar tegen

zijn zin huwt en naar Florence gaat uit baloorigheid. Hij wordt er

verliefd op een jong meisje, onder wier naam Giletta met hem slaapt

en van hem een tweeling krijgt. Hierna begint hij haar te beminnen

en behoudt haar tot vrouw.

Daar de koningin het voorrecht van Dioneo niet wilde vernietigen, bleef

alleen aan haar te spreken over, toen hiermee de geschiedenis van

Lauretta ten einde was. Daarom begon deze, zonder te wachten, dat de

haren het haar verzochten en zeer verlangend te vertellen, aldus:

Wie zal een verhaal doen, dat mooi schijnt, na dit van Lauretta te

hebben gehoord? Zeker is het een voordeel voor ons geweest, dat zij

niet de eerste was, want alsdan zouden die van de anderen weinig hebben

bekoord, maar toch hoop ik, dat het nog zal gebeuren met die, welke nog

dezen dag verteld moeten worden. Maar hoe het ook zij, wat mij nu over

het voorgestelde onderwerp invalt, zal ik u verhalen.

Er leefde in het koninkrijk Frankrijk een edelman, dien men Isnard,

graaf de Roussillon noemde, die, omdat hij niet zeer gezond was, altijd

een dokter bij zich hield, meester Gérard de Narbonne genaamd. Genoemde

graaf had een eenigen, kleinen zoon Beltram [61] genaamd, die heel mooi

en aardig was en dien men met andere kinderen van zijn leeftijd

opvoedde, onder welken een kind was van dien dokter, dat Giletta

heette. Dit meisje voelde voor dien Beltram een eindelooze liefde en

heviger dan gewoonlijk op dien teederen leeftijd het geval is. Toen de

graaf dood was en hij in handen des konings werd gesteld, moest hij

naar Parijs gaan, waarover het jonge meisje ontroostbaar bleef. Toen

haar vader kort daarop insgelijks stierf, was zij, als zij maar een

gunstige gelegenheid had kunnen vinden, graag daarheen getogen om

Beltram te zien. Maar daar zij streng bewaakt werd, omdat zij rijk en

alleen was achtergebleven, zag zij er geen eerlijk middel toe. Daar zij

al op huwbaren leeftijd kwam en Beltram nooit had kunnen vergeten, had

zij al velen, aan wie haar verwanten haar wilden doen trouwen,

geweigerd zonder de reden te verklaren. Terwijl zij meer dan ooit van

liefde voor Beltram brandde, daar zij gehoord had, dat hij een zeer

schoon jonkman was geworden, kwam de tijding tot haar, dat de koning

van Frankrijk door een gezwel, dat hij op de borst had en dat slecht

was genezen, een zweer had overgehouden, die hem zeer veel pijn en

angst veroorzaakte. Er was nog geen geneesheer te vinden, hoewel velen

het beproefd hadden, die hem hiervan hadden kunnen bevrijden, maar

allen hadden het verergerd. Hierdoor wilde de koning daarover wanhopig

van geen enkele verdere raad of hulp weten. Maar ook was de jonge dame

nu zeer tevreden en dacht zij niet alleen een gewettigde reden te

hebben om naar Parijs te gaan, maar als het de kwaal was, welke zij

onderstelde, kon zij het licht gedaan krijgen om Beltram tot echtgenoot

te bezitten. Vandaar, dewijl zij vroeger van haar vader heel wat had

geleerd, dat zij haar poeder van zekere heilzame kruiden klaarmaakte,

voor de ziekte, welke zij het meende te zijn, te paard steeg en naar

Parijs ging.

Zij hield zich eerst met niets anders bezig dan Beltram te zien en

daarna voor den koning verschenen, vroeg zij hem als gunst haar zijn

kwaal te toonen. De koning, die haar een schoon en voorkomend jong

meisje vond, kon haar niet weigeren en toonde haar die. Zoodra zij die

zweer gezien had, maakte zij zich dadelijk sterk die te kunnen genezen

en zeide: Majesteit, als het u behaagt, heb ik hoop op God u zonder

eenige pijn of lijden in acht dagen van dit ongemak te hebben verlost.

De koning spotte in zich zelf eerst om haar woorden en zeide: Wat de

beste doktoren van de wereld niet hebben gekund of geweten, zou een

jonge vrouw dat vermogen? Hij bedankte haar dus voor haar goeden wil en

antwoordde, dat hij zich had voorgenomen niet meer den raad van een

dokter te volgen. Het meisje sprak: Heer, gij minacht mijn kunde, omdat

ik jong en vrouw ben, maar ik herinner u er aan, dat ik niet met mijn

wetenschap genees, maar met Gods hulp en de kennis van meester Gérard

de Narbonnees, die mijn vader was en een zeer beroemd arts, toen hij

leefde. Toen dacht de koning bij zich zelf: Misschien is zij mij van

God gezonden; waarom beproef ik niet, wat zij kan doen, daar zij zegt

mij in korten tijd te zullen genezen? En na besloten te hebben het te

beproeven, zeide hij: En als u mij niet geneest, mejuffrouw, na mij van

mijn besluit te hebben afgebracht, wat wilt gij, dat er uit volgt?

Heer, antwoordde de jonge dame, laat mij bewaken en als ik u in acht

dagen niet genees, laat mij dan verbranden; maar als ik u wel herstel,

wat zal ik dan voor belooning krijgen? De koning hernam: Gij schijnt

mij nog ongetrouwd; indien gij dit doet, zullen wij u goed en voornaam

uithuwen, Het jonge meisje zeide: Neen, het doet mij waarlijk genoegen,

dat gij mij uithuwt, maar ik wil een echtgenoot gelijk ik u zal vragen

zonder een van uw zonen of een prins van het vorstelijk Huis te

verlangen. De koning beloofde haar dadelijk dit te doen. Het meisje

begon onverwijld haar kuur en voor den vastgestelden termijn maakte zij

hem beter. Hierdoor zeide de koning, toen hij zich genezen gevoelde:

Mejuffrouw, u hebt uw echtgenoot gewonnen. Zij antwoordde: Dan, heer,

heb ik Beltram de Roussillon gewonnen, welke ik van af mijn kindsheid

begon te beminnen en die ik altijd zeer lief heb gehad. Het scheen den

koning een lastig ding om haar dien te schenken, maar omdat hij het

beloofd had en zijn woord niet wilde breken, liet hij hem tot zich

roepen en zeide tot hem: Beltram gij zijt nu een groot, volwassen man;

wij willen, dat gij terugkeert om uw graafschap te besturen en gij zult

een jonge dame met u mede voeren, die wij u tot echtgenoote hebben

gegeven.

Beltram vroeg: En wie is die jonge dame, heer? De koning antwoordde:

Het is degene, die mij met haar geneesmiddelen de gezondheid heeft

terug geschonken. Beltram, die haar kende en gezien had, zeide, hoewel

zij hem zeer schoon leek maar wist, dat zij niet van een afkomst was,

die met zijn adel overeenstemde, zeer verontwaardigd: Heer, waarom wilt

gij mij een doktores tot vrouw geven? God verhoede, dat ik ooit zoo’n

vrouw neem. De koning antwoordde: Wilt gij dan, dat wij ons woord niet

nakomen, wat wij om onze gezondheid te herwinnen aan die jonge dame

gaven, die u als loon hiervoor tot man vroeg? Heer, hernam Beltram, gij

kunt mij alles ontnemen, wat ik bezit en mij geven als uw onderdaan aan

wien het u behaagt. Maar wees er zeker van, dat ik nooit over dit

huwelijk tevreden zal wezen. Toch—sprak de koning—zult gij het zijn,

omdat de jonge dame mooi en wijs is en veel van u houdt; daarom hopen

wij, dat gij een veel aangenamer leven met haar zult hebben dan met een

edelvrouw van hooger geboorte. Beltram zweeg en de koning liet groote

toebereidselen maken voor het bruiloftsfeest. Toen de hiervoor bestemde

dag gekomen was, huwde Beltram, hoe ongaarne hij het ook deed, de

juffrouw, die hem meer dan zichzelf liefhad. Hierop als iemand, die

reeds bij zichzelf heeft bedacht, wat hem te doen staat, zeide hij, dat

hij naar zijn graafschap wilde terugkeeren en er het huwelijk wilde

voltrekken en vroeg verlof aan den koning. Hij steeg te paard en ging

niet naar zijn graafschap, maar begaf zich naar Toscane. Hij wist, dat

de Florentijnen oorlog voerden met de Sienneezen en hij koos voor de

eersten partij. Hij werd bij hen met vreugde en eer ontvangen en tot

kapitein gemaakt van een zeker aantal manschappen. Toen hij van hen

goeden voorraad had ontvangen, bleef hij een langen tijd in hun dienst.

De jonge vrouw weinig tevreden met dit voorval, hoopte door goed te

werk te gaan hem in zijn graafschap terug te roepen en ging naar

Roussillon, waar zij door allen als hun gebiedster werd ontvangen. Daar

vond zij, gedurende den langen tijd, dat zij zonder den graaf was,

alles verwaarloosd en in verwarring en als een verstandige vrouw bracht

zij alles weer in orde. Haar onderhoorigen waren hierover zeer

tevreden, stelden haar zeer hoog, droegen haar groote liefde toe en

laakten den graaf zeer, dat hij met haar niet tevreden was. Toen de

dame in het land alles in orde had gebracht, deed zij dit aan den graaf

door twee ridders weten en verzocht hem, indien het om haar was, dat

hij niet in het graafschap kwam, het haar te berichten en dat zij dan

om hem genoegen te doen, zou vertrekken. Hierop antwoordde deze zeer

hard: Laat zij daarin haar zin volgen, ik voor mij zal bij haar komen,

wanneer zij dezen ring aan den vinger heeft en een zoon van mij

gewonnen op den arm. Hij stelde dien ring zoo op prijs, dat hij er

nooit van scheidde wegens de kracht, die men hem had verteld, dat deze

bezat. De twee ridders begrepen de hardheid van de voorwaarde gesteld

in die bijna onmogelijke dingen en ziende, dat zij door hun woorden hem

niet van zijn plan konden afbrengen, keerden zij naar de donna terug en

verhaalden haar zijn antwoord. Deze zeer bedroefd, overlegde na lang

nadenken of die twee dingen mogelijk konden worden, omdat zij dan haar

echtgenoot terug kreeg.

En na gedaan te hebben wat zij plicht dacht, verzamelde zij een deel

der grootste en voornaamste vazallen van haar graafschap, vertelde hun

geregeld en met zachte woorden, wat zij al gedaan had uit liefde voor

den graaf en toonde, wat er uit was voortgekomen. Ten slotte zeide zij,

dat haar plan niet was door haar verblijf aldaar den graaf in eeuwige

ballingschap te houden, maar dat zij integendeel de rest van haar leven

met pelgrimstochten wilde doorbrengen en met diensten van

barmhartigheid tot heil van haar ziel. Zij verzocht hun, dat zij de

bewaking en de regeering van het graafschap overnamen en aan den graaf

zouden berichten, dat zij het gebied vrij en verzorgd gelaten en er

zich uit verwijderd had om nooit meer in Roussillon terug te keeren.

Toen zij zoo sprak, werden er heel wat tranen door de goede vazallen

geschreid en veel beden tot haar gericht, opdat het haar zou behagen

van plan te veranderen en te blijven, maar zij bereikten niets. Zij, na

hen aan God te hebben aanbevolen, ging vergezeld van een neef en een

kamervrouw in pelgrimskleederen, goed voorzien van geld en dure

edelsteenen op weg zonder te weten, waar zij heen ging en zij hield

geen rust voor zij binnen Florence was. Bij toeval daar aangekomen,

trok zij zich terug in eene kleine herberg, welke een goede weduwe

hield en bleef daar geheel als een arme pelgrimsvrouw verlangend iets

van haar heer te hooren. Toevallig zag zij aldus den volgenden dag

Beltram te paard met zijn compagnie de herberg voorbijgaan en zij

vroeg, hoe goed zij hem ook kende, wie hij was. De herbergierster

antwoordde: Dat is een aardig en hoffelijk, vreemd edelman, die graaf

Beltram heet en die in deze stad zeer bemind is. Het is de verliefdste

man ter wereld op een van onze buren, een edelvrouw maar arm. Ze is

zeer fatsoenlijk en huwt nog niet uit armoede, maar blijft bij haar

moeder, een zeer wijze en goede donna. En misschien, als die haar

moeder niet was, had zij al gedaan wat aan den graaf zou hebben

behaagd. Toen de gravin die woorden hoorde, onthield ze die goed en na

alles nauwkeurig te hebben onderzocht en elke bijzonderheid te hebben

gezien, vormde zij haar plan. Nadat haar het huis was aangewezen en de

naam van de donna en van haar dochter, bemind door den graaf, ging zij

er op een dag in pelgrimskleed stil heen. Zij vond de donna en haar

dochter in armoede, groette hen en zeide aan de donna, dat zij, wanneer

het haar schikte, haar wilde spreken. Nadat de edelvrouw was opgestaan,

zeide zij bereid te zijn haar aan te hooren en toen zij alleen in een

kamer getreden waren en zich neerzetten, begon de gravin: Madonna, het

schijnt mij, dat de fortuin u als mij vijandig is, maar als gij wilt,

zult gij toevallig ons beiden, u en mij, tevreden kunnen stellen. De

donna antwoordde, dat zij niets anders verlangde dan zich op eerzame

wijze te troosten. De gravin vervolgde: Ik heb uw woord noodig, maar

als ik er op vertrouw en gij bedriegt mij, zult gij uw eigen zaken en

de mijnen bederven. Zeker, zei de edelvrouw, zeg mij al, wat u bevalt,

want nooit zult gij u door mij bedrogen vinden. Toen vertelde haar de

gravin, die begon over haar eerste liefde, wie zij was, en wat er

geschied was tot op dien dag van haar bezoek zóó, dat de edelvrouw

vertrouwde op haar woorden, ook omdat zij die al ten deele van anderen

gehoord had en kreeg medelijden met haar. De gravin vertelde haar

lotgevallen en ging voort: Gij hebt bij mijn andere ongelukken die twee

dingen gehoord, die ik noodig heb om mijn man terug te krijgen. Ik ken

niemand anders, die ze mij kan verschaffen dan gij, indien het waar is,

wat ik verneem, dat de graaf, mijn echtgenoot, ten zeerste uw dochter

bemint.

De edelvrouw antwoordde: Madonna, of de graaf mijn dochter bemint, weet

ik niet, maar hij geeft er zich zeer den schijn van. Maar wat kan ik

hierbij doen, dat gij verlangt? Madonna, antwoordde de gravin, ik zal

het u zeggen. Doch ten eerste wil ik u dat uiteenzetten, wat ik wil,

dat er voor u uit volgt, indien gij mij van dienst zijt. Ik zie, dat uw

dochter schoon en groot genoeg is voor een huwelijk en naar wat ik

vernomen heb en meen te begrijpen, is het gebrek aan geld om haar uit

te huwen, dat u haar thuis doet houden. Ik ben van plan tot loon voor

den dienst die gij mij zult bewijzen, haar van mijn geld spoedig een

bruidschat te schenken, die gij zelf voornaam genoeg zult achten en

voldoende om haar te laten trouwen. De donna, die het noodig had,

beviel dit, maar daar zij een adellijken geest had, zeide zij: Mevrouw,

zeg mij wat ik voor u kan verrichten en als dat mij fatsoenlijk

schijnt, zal ik het gaarne doen en gij zult daarna handelen gelijk gij

verkiest. De gravin zeide: Ik heb noodig, dat gij door iemand, dien gij

vertrouwt, aan den graaf mijn echtgenoot, laat zeggen, dat uw dochter

bereid is hem elk genoegen te doen, mits zij er zeker van kan zijn, dat

hij haar zoo bemint gelijk hij voorgeeft en dat zij het nooit moet

gelooven, indien hij haar niet den ring geeft, dien hij aan de hand

draagt en van welken zij gehoord heeft, dat hij daaraan zoo gehecht is.

Als hij u dien geeft, zult gij dien aan mij schenken en daarna zult gij

uw dochter opdragen te zeggen, dat zij gereed is zijn genoegen te doen.

Gij zult hem in ’t geheim hier laten komen en gij zult mij in plaats

van uw dochter aan zijn zijde doen liggen. Misschien zal God mij de

genade schenken zwanger te worden en zoo met zijn ring aan den vinger

en een kind door hem verwekt op den arm, zal ik hem heroveren en ik zal

bij hem blijven gelijk een vrouw met haar man leven moet, en daarvan

zult gij dan de oorzaak zijn. Dit scheen aan de edelvrouw een heel

ding, daar zij vreesde, dat er misschien voor haar dochter schande uit

volgen zou; maar daar zij toch vond, dat het een eerlijke zaak was, dat

de goede dame haar man terugkreeg en dat zij tot een eerbaar doel zich

er toe zetten om dit te doen, vertrouwde zij op haar goede en

fatsoenlijke gezindheid en beloofde het niet alleen aan de gravin maar

binnen weinige dagen met geheime voorzorg, volgens den last haar

opgedragen, had zij dien ring (hoe bezwaarlijk dit den graaf ook

scheen) en liet haar in plaats van de dochter op meesterlijke wijze met

hem samenslapen. Na de eerste samenkomsten zeer hartstochtelijk door

den graaf verlangd, werd de gravin naar het Gode behaagde zwanger van

twee knapen gelijk de tijdige bevalling deed blijken. En de edelvrouw

bevredigde niet slechts eens de gravin met omhelzingen van haar

echtgenoot maar vele malen, zoo heimelijk te werk gaande, dat hij er

nooit een woord van wist. De graaf geloofde altijd, dat hij niet bij

zijn vrouw was geweest maar bij degene, die hij beminde. Hij gaf haar,

toen hij ’s ochtends heenging, verscheidene schoone en dure geschenken,

welke de gravin alle met zorg bewaarde.

Toen zij zwanger was, wilde zij de edelvrouw niet langer lastig vallen

met dien dienst, maar zij sprak tot haar: Mevrouw, God en u zij dank,

heb ik nu, wat ik verlangde, en daarom is het tijd, dat ik doe wat u

aangenaam zal zijn, opdat ik daarna vertrek. De edelvrouw zei haar,

dat, indien zij had, wat zij begeerde, dit haar genoegen deed, maar dat

zij het niet had gedaan met eenige hoop op belooning, doch omdat het

haar scheen, dat zij dit moest doen om goed te handelen. De gravin ging

voort: Madonna, dit bevalt mij zeer en van mijn kant ben ik niet van

plan u iets te geven als belooning, maar om goed te doen, wat mij

plicht schijnt. De edelvrouw toen door noodzakelijkheid gedwongen,

vroeg haar met groote verlegenheid honderd lire om haar dochter te doen

trouwen. De gravin, die haar verlegenheid zag en haar bescheiden vraag

hoorde, gaf er haar honderd vijftig en zooveel schoone en dure

juweelen, dat die evenveel waard waren, waarover de edelvrouw meer dan

tevreden zoo goed zij kon de gravin bedankte, welke afscheid van haar

nam en naar de herberg terugkeerde. De edelvrouw om aan Beltram elke

reden te ontnemen iets meer te gelasten of om verder in haar huis te

komen, ging met haar dochter te zamen in haar land naar de woning van

haar verwanten. Wat Beltram betreft, hij ging naar zijn verblijf daar

terug, toen hij eenigen tijd later door zijn vazallen werd geroepen en

hoorde, dat de gravin zich had verwijderd. De gravin wetend, dat hij

Florence had verlaten en naar zijn gebied was teruggekeerd, was zeer

tevreden en bleef zoolang in die stad, tot het oogenblik der bevalling

kwam en baarde twee jongens, die zeer op hun vader geleken en die zij

met zorg liet zoogen. Toen het tijd werd, begaf zij zich op weg zonder

door iemand gekend te worden, kwam te Montpellier en na eenige dagen te

hebben uitgerust en omtrent den graaf inlichtingen te hebben gekregen

en waar hij zich bevond en zij wist, dat hij op Allerheiligen te

Roussillon een groot feest moest geven van edelvrouwen en ridders, ging

zij weer in pelgrimskleed, gelijk zij gewoon was, daarheen. Zij vernam,

dat de dames en heeren in het paleis van den graaf bijeen waren om aan

tafel te gaan en zonder van kleederen te verwisselen klom zij met die

knaapjes op haar armen naar de zaal en ging van gast tot gast, tot waar

zij den graaf zag, wierp zich aan zijn voeten en zeide: Mijnheer, ik

ben uw ongelukkige echtgenoote, welke om u in huis te laten terugkeeren

en blijven, langen tijd rondgezworven heeft. Ik herwin u door God, zoo

gij u aan de voorwaarden houdt mij gesteld door de twee ridders, die ik

u toezond. Ziedaar op mijn armen niet slechts één zoon van u, maar twee

en ziehier uw ring. Het is dus tijd, dat ik door u ontvangen word als

uw vrouw volgens uw belofte. De graaf dit hoorende was geheel buiten

zichzelf en herkende den ring en ook de kinderen, die zoo op hem leken,

maar hij zeide: Hoe kan dit gebeurd zijn? De gravin tot groote

verbazing van den graaf en van alle aanwezigen vertelde

achtereenvolgens, wat er gebeurd was en hoe. De graaf, die zag, dat zij

de waarheid sprak en haar volharding en haar scherpzinnigheid

bewonderde en ook die zoo schoone knaapjes, wierp zoowel wegens de

belofte, die hij had gedaan als om aan al zijn vazallen en edelvrouwen

genoegen te doen, zijn wreede koppigheid van zich af, daar zij allen

hem vroegen haar als zijn wettige echtgenoote voortaan te ontvangen en

te eeren en deed de gravin opstaan. Hij omhelsde en kuste haar,

herkende haar als zijn wettige vrouw en de kinderen als de zijnen. Hij

liet haar met gewaden overeenkomstig haar rang kleeden en tot groote

blijdschap van allen, die er waren en van al zijn andere vazallen, die

dit vernamen, maakte hij niet alleen dien dag, maar vele anderen een

zeer groot feest en van af dien tijd eerde hij haar steeds als zijn

echtgenoote en vrouw, beminde haar en stelde haar zeer hoog.

De Decamerone van Boccaccio · 第 34 / 116 题