Ferondo, door het slikken van zekere poeders, wordt voor dood
begraven. Door den abt, die met zijn vrouw zich verheugt, wordt hij
uit de kist gehaald en in een gewelf gezet, waar men hem doet
gelooven, dat hij in het vagevuur is. Daarna weder opgestaan neemt
hij een zoon van den abt, waarvan zijn vrouw beviel, als den zijne
aan.
Toen het lange verhaal van Emilia ten einde was, dat evenwel door zijn
lengte niemand verveelde, maar door alle erkend werd kort te zijn
verteld, daar men acht gaf op de hoeveelheid en de verscheidenheid der
daarin vermelde gebeurtenissen, schonk de koningin, die door een enkel
teeken aan Lauretta haar verlangen had te kennen gegeven, haar
gelegenheid om te beginnen: Zeer geliefde donna’s. Ik geloof, dat ik U
een waarheid moet zeggen, die veel meer dan op wat zij was, op een
leugen geleek en die ik mij herinnerde, toen ik hoorde, dat iemand in
plaats van een ander beweend en begraven werd. Ik zal U dan vertellen,
hoe een levende als doode begraven werd en hoe daarna hij zelf en vele
anderen geloofden, dat hij als een geest weer was opgestaan en door hen
als heilige vereerd werd, ofschoon hij veeleer verdiende als schuldige
te worden veroordeeld.
Er was dan en er is nog in Toscane een abdij gelegen, gelijk wij er
velen zien, op een plaats weinig door de menschen bezocht, waarin een
monnik abt werd gemaakt, die in alles zeer heilig was, behalve in den
omgang met vrouwen en hij wist dit zoo sluw aan te leggen, dat niemand
het vermoedde en men er ver van was het te weten, omdat hij in ieder
opzicht voor zeer heilig en eerlijk werd gehouden. Nu was de abt
bevriend met een zeer rijken boer, die Ferondo heette, een zeer
zinnelijk en grof man zonder opvoeding (wiens sympathie om geen andere
reden aan den abt beviel dan omdat hij er zich mee vermaakte hem met
zijn onnoozelheid vaak voor den mal te houden). Hierbij bemerkte de
abt, dat Ferondo een zeer schoone vrouw tot echtgenoote had, waarop hij
zoo vurig verliefd werd, dat hij dag en nacht aan niets anders meer
dacht. Maar daar hij hoorde, dat Ferondo—hoezeer in andere opzichten
onnoozel en dwaas—in het beminnen en bewaken van zijn vrouw zeer wijs
was, werd hij haast wanhopig. Maar toch, hoewel Ferondo zeer slim was,
slaagde hij er in hem met zijn vrouw soms een luchtje te laten scheppen
in den tuin van het klooster en hier sprak hij met hen bescheiden over
de zaligheid van het eeuwige leven en van de zeer heilige werken van
vele vroegere mannen en vrouwen, zoodat bij de donna de begeerte opkwam
bij hem te biechten. Zij vroeg en verkreeg daarvoor het verlof van
Ferondo. Toen de donna bij den abt kwam biechten tot zijn groot
genoegen en zij zich aan zijn voeten had gezet, begon zij voor iets
anders dit te zeggen: Mijn heer, als God mij den waren echtgenoot had
gegeven of niet, misschien zou het mij dan licht vallen op Uw
aansporingen den weg te betreden, waarvan gij mij hebt gesproken en die
naar het eeuwige leven leidt; maar wanneer ik Ferondo beschouw en zijn
dwaasheid, kan ik mij weduwe noemen en toch ben ik in zoover getrouwd,
dat ik, zoolang ik leef, geen ander tot echtgenoot mag hebben. En hij,
zoo dwaas als hij is, is zonder eenige reden zoo vreeselijk jaloersch
op mij, dat ik hierdoor niet anders dan in verdriet en ongeluk met hem
kan leven. Hierom, de eerste keer dat ik U weer biecht, bid ik nederig
zooveel ik kan, dat gij, wat dit aangaat, eenige raad zult geven, omdat
het biechten, als ik van af dien keer niet goed begin te handelen, mij
overigens weinig zal helpen.
Die redeneering trof den abt met groot genoegen; het scheen hem, dat de
fortuin hem den weg naar zijn grootste verlangen geopenbaard had en hij
zeide: Mijn dochter, ik geloof, dat het een groote smart is voor een
mooie en teergevoelige vrouw als gij zijt tot man een gek te hebben,
maar ik geloof, dat het nog erger is, een jaloersche te hebben. Daarom,
daar gij allebei in hem bezit, geloof ik gaarne, wat gij van Uw
verdriet zegt. Maar om kort te gaan, ik zie er raad noch baat voor
behalve dit eene, dat Ferondo zich van dien naijver geneest. Het middel
om hem te verbeteren zou ik al te goed weten te bereiden, mits gij den
moed hebt geheim te houden, wat ik U zal zeggen. De donna zeide: Mijn
vader, twijfel daar niet aan, omdat ik liever zou sterven dan dat ik
aan anderen vertelde, wat gij mij zegt voor anderen te moeten
verzwijgen. Maar hoe kan dat gebeuren? De abt antwoordde: Indien wij
willen, dat hij beter wordt, is het noodig dat hij in het vagevuur
gaat. En hoe, vroeg de donna, zal hij daar levend in kunnen gaan. De
abt hernam: Hij moet sterven en zoo zal hij er in gaan, en wanneer hij
zooveel pijn zal doorstaan hebben, dat hij van zijn jaloerschheid zal
zijn genezen zullen wij met zekere gebeden God smeeken, dat hij in dit
leven terugkeert en Hij zal het doen. Dus, zei de donna, zal ik weduwe
moeten blijven? Ja, antwoordde de abt, gedurende een zekeren tijd,
waarin gij wel zult moeten oppassen niet met een ander te huwen, omdat
God het U kwalijk zou nemen, en als Ferondo hier terugkeert, zoudt gij
naar hem toe moeten gaan en hij jaloerscher zijn dan ooit. De donna
zeide: Mits hij geneest van die ziekte, zal ik tevreden zijn, daar het
mij niet behaagt altijd als in een gevangenis te leven; doe wat gij
wilt. Toen zeide de abt: Goed, ik zal het doen, maar welke belooning
zal ik krijgen voor dien dienst? Mijn vader, zeide de donna, dat wat
gij verkiest, mits ik het kan; maar wat kan een vrouw als ik doen voor
een man als gij, dat hem bevalt. Toen zeide de abt: Madonna, gij kunt
niet minder voor mij doen dan ik voor u, omdat, wanneer ik er toe
bereid ben te doen, wat uw welzijn en troost moet zijn, gij evenzoo dat
kunt doen, wat tot heil en geluk van mijn leven kan strekken. Toen
zeide de donna: Indien dit zoo is, ben ik bereid. Dan, zei de abt, zult
gij mij uw liefde geven en gij zult mij met u te goed doen, waarnaar ik
zoo vurig verlang en wat mij verteert. De donna antwoordde bij die
woorden geheel verschrikt: Wee mij, mijn vader, wat vraagt gij? Ik
geloofde, dat gij een heilige waart en gaat het nu voor heilige mannen
aan degenen, die tot hen komen om raad, zulke dingen te vragen? Hierop
hernam de abt: Mijn schoone ziel, verwonder u niet, omdat hierdoor de
heiligheid niet minder wordt, daar die in de ziel zetelt en wat ik u
vraag een zonde des lichaams is. Maar hoe dit ook zij, uw begeerlijke
schoonheid heeft zooveel geweld over mij gehad, dat de liefde mij
dwingt aldus te handelen. En ik zeg u, dat gij meer dan andere donna’s
op uw schoonheid u kunt beroemen, daar ik meen, dat zij aan de heiligen
behaagt, die gewoon zijn die des hemels te zien en bovendien hoewel ik
abt ben, ben ik een man als de anderen en gelijk gij ziet, ben ik nog
niet oud. Dat moet voor u niet moeilijk zijn om te doen; gij moet het
integendeel verlangen, omdat, terwijl Ferondo in het vagevuur zal
blijven, ik u, die u bij nacht gezelschap houdt, dien troost zal geven,
dien hij u moest schenken. Nooit zal iemand er iets van merken, daar
ieder van mij dit gelooft en meer dan wat gij kort geleden geloofde.
Weiger de genade niet, die God u schenkt, want de vrouwen zijn talrijk,
die zouden begeeren wat gij hebben kunt en zult hebben, indien gij wijs
naar mijn raad luistert. Behalve dat heb ik mooie juweelen en kostbare
steenen, die ik niet wil, dat aan een ander zullen behooren dan aan u.
Doe dus, mijn zoete hoop, voor mij, wat ik voor u gaarne doe. De donna
hield het gelaat omlaag en wist niet hoe hem te weigeren en het hem toe
te staan scheen haar ook niet goed; daardoor scheen de abt, die zag,
hoe zij had geluisterd en niet dadelijk antwoordde, dat hij haar al
half had overreed en ging met vele andere woorden na de laatsten voort,
eer hij ophield en omdat hij zich ingepraat had, dat dit wèl gedaan
was. Daardoor zeide zij heel verlegen, dat zij tot elk verzoek van hem
bereid was, maar niet te kunnen voor Ferondo in het vagevuur was
gegaan. Hierop antwoordde de abt zeer tevreden: Wel, wij zullen maken,
dat hij er dadelijk naar toegaat, zorg maar, dat hij morgen of
overmorgen mij komt opzoeken.
Na deze woorden en na haar heimelijk een zeer fraaien ring in handen te
hebben gegeven, liet hij haar gaan. De donna verheugd over het geschenk
en in afwachting van de anderen, keerde tot haar gezellinnen terug om
bijna wonderbare dingen te vertellen over de heiligheid van den abt en
ging met hen naar huis. Een paar dagen daarna ging Ferondo naar de
abdij, waar, zoodra de abt hem zag, deze zich voornam hem naar het
vagevuur te sturen en zocht naar een poeder van wonderbare kracht, dat
hij van een machtig Vorst had gekregen uit de streken van den Levant,
die beweerde, dat de Oude van den Berg [59] het gewoon was te
gebruiken, wanneer hij iemand slapend naar het paradijs wou sturen, of
hem er uit voeren, en dat het in meerdere of mindere dosis gegeven,
zonder eenige hindernis meer of minder hem deed slagen, die het nam, en
dat zoolang zijn kracht duurde, het voor drie dagen slapen voldoende
was. Hij gaf het in een beker wijn, die nog troebel was, aan Ferondo in
zijn cel te drinken zonder dat die het merkte en voerde hem vervolgens
in het klooster, waar hij met verschillende anderen van zijn monniken
zich over zijn dwaasheden begon te vermaken. Het duurde niet lang of
het poeder begon te werken en Ferondo werd door zulk een plotselingen
en zwaren slaap bevangen, dat hij nog staande insluimerde en zoo
neerviel. De abt, die net deed of hij ongerust werd over dit ongeval,
liet hem ontkleeden, koud water halen, het in zijn gezicht werpen en
vele andere middelen beproeven om hem tot het leven terug te voeren en
het bewustzijn te hergeven, alsof hij door een of andere maagaandoening
of iets anders was aangetast. Toen de abt en de monniken zagen, dat hij
van dit alles niets gewaar werd, men hem den pols voelde en geen gevoel
bespeurde, geloofden allen als zeker, dat hij dood was. Daarom lieten
zij aan zijn vrouw en aan zijn bloedverwanten zeggen, dat zij er allen
haastig heen zouden komen en toen de vrouw met haar familie hem eenigen
tijd hadden beweend, werd hij, gekleed als hij was, door den abt in een
doodkist gelegd.
De donna keerde naar huis terug en zeide, dat zij nooit van een klein
kind wilde scheiden, dat zij van hem had en aldus achtergebleven begon
zij het kind en den rijkdom te beheeren, die aan Ferondo behoord
hadden.
Gedurende den nacht stond de abt met een bologneeschen monnik in wien
hij veel vertrouwen stelde en welke dien dag van Bologna gekomen was,
heimelijk op; zij haalden Ferondo uit de kist en droegen hem in een
gewelf, waarin men in ’t geheel geen licht zag en dat tot gevangenis
was ingericht voor monniken, die iets misdreven hadden. Nadat zij hem
als monnik hadden aangekleed, zetten zij hem op een bos stroo en lieten
hem daar blijven, tot hij tot zich zelf zou komen. Ondertusschen begon
de bologneesche monnik, door den abt onderricht van wat hij te doen
had, zonder dat anderen er iets van wisten, op te letten, tot Ferondo
ontwaakte. De abt ging den volgenden dag met eenigen van zijn monniken
bij wijze van bezoek naar het huis van de donna, welke hij in het zwart
gekleed vond en bedroefd, en na haar wat getroost te hebben herinnerde
hij haar de belofte. De donna zag zich vrij en zonder belemmering van
Ferondo of anderen en bespeurde bovendien aan den vinger van den abt
een anderen schoonen ring, zeide, dat zij bereid was en stelde met hem
vast, dat hij den volgenden nacht kwam. Zoo ging de abt, toen de nacht
inviel, gekleed in het gewaad van Ferondo en door zijn monnik
vergezeld, sliep met haar tot den morgen met het grootste genot en
welbehagen en keerde toen naar de abdij terug, welken weg hij voor
denzelfden dienst vaak aflegde en ieder, zoowel bij het komen als bij
het gaan, als hij een keer ontmoet werd, geloofde, dat het Ferondo was,
die door die streek liep om een boete te doen en er werden heel wat
praatjes over verteld onder het grootste deel der dorpers en ook aan de
vrouw zelf, die wel wist, wat het beteekende.
Toen Ferondo ontwaakte en zich daar bevond zonder te weten waar hij
was, kwam de bologneesche monnik binnen met een vreeselijke stem en met
een roede in de hand, pakte hem beet en gaf hem een flink pak slaag.
Ferondo, klagend en schreeuwend deed niets dan vragen: Waar ben ik?
waarop de monnik antwoordde: Je bent in het vagevuur. Wat! zei Ferondo:
dus ik ben dood? De monnik hernam: Welzeker. Hierop begon Ferondo over
zich zelf te huilen en over zijn vrouw en zijn zoon en vertelde de
ongehoordste dingen van de wereld. Toen bracht de monnik hem te eten en
te drinken. Ferondo dit ziende zeide: O, eten de dooden? Ja, zei de
monnik, en wat ik u breng, is datgene, wat uw vrouw vanmorgen naar de
kerk bracht om missen te laten lezen voor uw ziel en God de Heer wil,
dat dit u hier wordt aangeboden. Toen sprak Ferondo: Heere, geef haar
een goed jaar, ik wenschte haar zeer veel goeds, voor ik stierf, zóó
dat ik haar den ganschen nacht in mijn armen hield en niets deed dan
haar kussen en meer, wanneer ik er lust in had. Daarop, omdat hij er
groote behoefte aan had, begon hij te eten en te drinken en zeide,
omdat de wijn hem niet goed genoeg scheen: God zal haar straffen, omdat
zij aan den priester geen wijn gaf uit het vat tegen den muur. Maar
toen hij had gegeten, pakte de monnik hem opnieuw beet en gaf hem met
dezelfde roede een groot pak ransel. Ferondo zei tot hem, na te hebben
geschreeuwd: Zeg, waarom doe jij mij dat? De monnik sprak: Omdat God de
Heer mij bevolen heeft, dat het u twee keer per dag gebeurt. En waarom?
vroeg Ferondo. De monnik voegde er bij: Omdat jij jaloersch bent
geweest, terwijl je de beste donna had, die er in jou streken als
echtgenoote te vinden was. Wee mij, klaagde Ferondo, gij zegt de
waarheid en zij was de zachtzinnigste, zij was zoeter dan suiker; maar
ik wist niet dat God het den man kwalijk nam jaloersch te wezen; anders
zou ik het niet geweest zijn. De monnik sprak: Gij had dit moeten
bemerken, toen gij daarboven leefde en er u van moeten zuiveren en als
het ooit gebeurt, dat gij er terug keert, zorg dan in gedachten te
houden, wat ik nu bij u maken zal, dat gij daar nooit meer jaloersch
zult zijn. Ferondo zeide: Och, keert daar wel iemand terug, die sterft?
Zeker, zei de monnik, als God het wil. O, antwoordde Ferondo, als ik er
ooit terugkeer, zal ik de beste echtgenoot ter wereld zijn, ik zal haar
nooit slaan, ik zal haar nooit beleedigen, behalve over den wijn, dien
zij mij vandaag heeft gestuurd, en ook omdat zij mij geen kandelaar
heeft gezonden en ik in het duister heb moeten eten. De monnik sprak:
Dat deed ze wel, maar zij branden bij de missen. O, zei Ferondo, gij
zegt de waarheid, en voorzeker, indien ik er terugkeer, zal ik haar
laten doen, wat zij wil. Maar zeg mij, wie zijt gij, dat gij mij dat
doet? De monnik antwoordde: Ik ben ook dood en kom van Sardinië en
omdat ik het vroeger zeer prees in mijn heer jaloersch te zijn, ben ik
door God tot dezelfde straf gedoemd, die ik u moet geven tot eten en
drinken en slaag, tot God over u en mij anders zal beschikken. Ferondo
vroeg: Zijn er geen anderen dan wij met ons beide? De monnik hervatte:
Zeker, duizenden, maar gij kunt ze zien noch hooren evenmin als zij u.
Ferondo vroeg: hoever zijn wij van onze landen? Hojo, antwoordde de
monnik: heel wat verder dan wij kunnen rijden. Duivels, dat is ver!
riep Ferondo en naar het mij schijnt, moeten wij buiten de wereld zijn,
zoo’n afstand als dat is. Aldus met zulke en gelijksoortige gesprekken,
met eten en slaag werd Ferondo tien maanden lang gevangen gehouden, in
welke de abt dikwijls genoeg zeer gelukkig de schoone donna bezocht en
vaak met haar de mooiste gelegenheid van de wereld had.
Maar zooals de ongelukken gebeuren, werd de donna zwanger en daar zij
het spoedig had bemerkt, zeide zij het aan den abt; daarom scheen het
beide goed, dat Ferondo dadelijk uit het vagevuur tot het leven zou
worden teruggeroepen en dat hij tot haar terugkeerde en zij vertelde,
dat ze van hem zwanger was.
De abt liet aldus den volgenden nacht met een nagemaakte stem Ferondo
in de gevangenis roepen en hem zeggen: Ferondo, troost u, want het
behaagt God, dat gij ter wereld terugkeert; daar opgestegen zult gij
van uw vrouw een zoon krijgen, dien gij den naam moet geven van
Benedetto, omdat u die genade geschonken is door de gebeden van uw
heiligen abt en van uw vrouw en door de liefde van den heiligen
Benedictus. Toen Ferondo dit hoorde, was hij zeer blijde en zeide: Dat
bevalt mij zeer. Onze Lieve Heer geve aan mijnheer den goeden God een
goed jaar en aan den abt en aan Sint Benedictus en aan mijn goede,
zoete, lieve vrouw. De abt liet hem in den wijn, dien hij hem stuurde,
zooveel van het poeder sturen, dat hij hem misschien vier uur deed
slapen, hem zijn kleeren terug gaf en hem met zijn monnik samen stil
weer in de kist legde, waarin hij opgesloten was geweest, ’s Ochtends
bij het krieken van den dag kwam Ferondo bij zinnen, en zag door een
spleet van de kist licht, wat hij wel in geen tien maanden gezien had:
daarom, nu hij meende weer levend te worden, begon hij te roepen: Doe
mij open! doe mij open! en hij begon zelf hard met het hoofd tegen den
deksel van de kist te bonzen, zoo sterk, dat hij dien, omdat ze niet
zwaar was, ophief en bijna weg schoof. Toen de monniken de vroegmetten
hadden opgezegd, liepen zij daarheen, herkenden de stem van Ferondo en
zagen hem al uit de kist komen; zij door de vreemdheid van dit feit
ontzet, vluchtten en gingen naar den abt. Deze, die deed, alsof hij uit
het gebed zich verhief, zeide: Mijn zonen, weest niet bevreesd, neem
het kruis en het wijwater en kom bij mij, en laat ons dat aanschouwen
wat Gods macht wil openbaren, en zoo deed hij. Ferondo was geheel wit
als een man, die langen tijd den hemel niet had kunnen zien, uit de
kist te voorschijn gekomen. Toen hij den abt zag, viel hij dien te voet
en zeide: Mijn vader, uw gebeden, naar wat mij werd geopenbaard, en die
van Sint Benedictus en van mijn vrouw hebben mij uit de pijnen van het
vagevuur bevrijd en mij in het leven doen terugkeeren waarom ik God
bid, dat hij u een goed jaar zal geven en goede dagen, nu en het
geheele leven door. De abt zeide: Geprezen zij Gods macht, ga dan, mijn
zoon, nadat Hij u hier heeft teruggezonden en troost uw vrouw, die
steeds, sinds gij uit dit leven zijt gegaan, in tranen is gebleven, en
wees van nu af aan Gods vriend en dienaar. Ferondo zeide: Mijn heer,
dit is mij goed gezegd, laat mij maar gaan, want, zoodra ik haar zal
vinden, zal ik haar zoo kussen als ik haar liefheb. De abt, die met
zijn monniken was achtergebleven, veinsde over die gebeurtenis een
groote verbazing en liet er vroom het Miserere om zingen.
Ferondo keerde naar zijn dorp terug, waar ieder hem schuw aanzag,
gelijk men het vreeselijke schouwspelen pleegt te doen, maar hij riep
de menschen terug en hield vol, dat hij weer uit den doode was
opgestaan. Ook zijn vrouw was evenzeer bang voor hem. Maar toen men wat
meer gerust gesteld was, en men zag, dat hij levend was, en men hem
heel wat vroeg, die veilig uit het vagevuur was weer gekomen,
antwoordde hij allen en bracht hun tijdingen van de zielen van hun
verwanten en verzon uit zichzelf de schoonste fabels van de wereld over
de dingen uit het vagevuur en vertelde ook in aller aanwezigheid van de
openbaring hem gedaan bij monde van Ragnolo Braghiello [60], voor hij
weer opstond. Hierop naar zijn vrouw teruggekeerd, en weer in het bezit
gekomen van zijn goederen maakte hij haar zwanger, naar hij meende, en
toevallig gebeurd het, dat op den gewenschten tijd volgens de meening
van dwazen, die gelooven, dat de vrouw de kinderen negen maanden
dragen—de donna een zoon baarde, die Benedicto Ferondo werd genoemd. De
reis van Ferondo en zijn woorden, daar iedereen geloofde, dat hij weer
was opgestaan, deden de faam der heiligheid van den abt zonder einde
toenemen.
Ferondo, die wegens zijn minnenijd veel slaag had gehad, was er zoo van
genezen, dat hij volgens de belofte, voor den abt aan de donna gedaan,
voortaan nooit meer jaloersch was. De donna leefde hierdoor tevreden en
eerbaar met hem als vroeger, zoo eerbaar, dat, wanneer zij kans zag zij
gaarne met den heiligen abt samen kwam, die haar goed en ijverig in
haar grootste behoeften had gediend.