Tedaldo in twist met zijn geliefde verlaat Florence. Hij komt na
eenigen tijd vermomd als pelgrim terug, spreekt met de donna, doet
haar haar dwaling kennen en bevrijdt haar echtgenoot van den dood,
dien men beschuldigt hem te hebben vermoord, verzoent hem met zijn
broeders en verheugt zich daarna listig met diens vrouw.
Reeds zweeg Fiammetta door allen geprezen, toen de koningin om geen
tijd te verliezen haastig aan Emilia opdroeg te spreken. Deze begon:
Het behaagt mij in onze stad terug te keeren, waaruit mijn twee
voorgangers wilden vertrekken om u te toonen, hoe een onzer burgers
zijn verloren donna herwon.
Er leefde dan eens in Florence een jonkman van adel, die Tedaldo degli
Elisei [56] heette en die vreeselijk verliefd was op een dame Monna
Ermellina genaamd en de vrouw van Aldobrandino Palermini en die voor
zijn lofwaardige manieren wel verdiende zijn verlangen te bevredigen.
Hiertegen verzette zich het Noodlot als de vijandin der gelukkigen; wat
de oorzaak er ook van zij, nadat de donna een tijd lang behagen had
gehad in Tedaldo, wilde zij hem in ’t geheel niet meer bekoren en niet
alleen geen boodschappen meer van hem ontvangen maar hem in ’t geheel
niet meer zien, zoodat hij zeer neerslachtig en ontstemd werd, doch
zijn liefde was zoo verborgen, dat niemand geloofde, dat dit de oorzaak
was van zijn droefheid. En sinds hij op verschillende wijzen zijn
uiterste best had gedaan de liefde te heroveren, die hij buiten zijn
schuld scheen verloren te hebben en hij alle moeite vergeefsch zag,
besloot hij zich uit de wereld terug te trekken om niet door het
aanschouwen van zijn dood háár te verheugen, die de oorzaak was van
zijn lijden. Nadat hij het geld medegenomen had, dat hij krijgen kon,
ging hij heimelijk zonder er een woord over te spreken met een vriend
of verwant weg, alleen wel met één metgezel, die alles wist en kwam te
Ancona, waar hij zich Filippo di Santodeccio liet noemen. Na daar met
een rijk koopman kennis te hebben gemaakt, trad hij bij hem in dienst
en ging met hem op een schip van deze naar Cyprus. Zijn gewoonten en
manieren bevielen den koopman zoo, dat hij hem niet alleen een goed
salaris gaf, maar hem ten deele tot zijn compagnon maakte en hem
bovendien een groot deel van zijn zaken in handen liet, welke hij zoo
goed en met zulk een ijver dreef, dat hij in enkele jaren een goed,
rijk en beroemd koopman werd. Zoo doende, hoewel hij zich dikwijls zijn
wreede donna herinnerde, hevig door de liefde was gekwetst en zeer
verlangde haar terug te zien, was hij zoo standvastig, dat hij zeven
jaren lang in dien strijd meester bleef.
Maar eens, toen hij op een goeden dag op Cyprus een lied hoorde zingen,
dat door hem zelf was gemaakt en waarin gesproken werd van de liefde,
die hij zijn donna toedroeg en zij hem, en hoe hij door haar was
bekoord en hij dacht, dat het niet kon zijn, dat zij hem had vergeten,
ontbrandde hij van zulk een verlangen haar weer te zien, dat hij het
niet langer kon uithouden en zich gereed maakte naar Florence terug te
keeren. Toen hij al zijn zaken in orde had gemaakt, kwam hij alleen met
een knecht te Ancona en toen daar zijn bagage was aangekomen, zond hij
die te Florence naar een vriend van zijn Ancoonschen compagnon en hij
kwam zelf daarna vermomd als pelgrim, die van het Heilige Graf
terugkeerde, met zijn knecht. In Florence aangekomen, begaf hij zich
naar een herberg van twee gebroeders, die dicht bij het huis was van
zijn donna. Hij ging het eerst naar haar huis om als het kon haar te
zien. Maar hij zag de ramen en de deuren en alles gesloten, zoodat hij
zeer twijfelde of ze niet dood was of vandaar was verhuisd. Hierover
zeer nadenkend begaf hij zich naar het huis van haar broeders, waarvan
hij vier van dezen alle in het zwart gekleed zag, en was daarover zeer
verwonderd. Daar hij wist, dat hij zóó was veranderd van kleed als van
de persoon, die hij was, toen hij vertrok, dat hij niet licht kon
herkend worden, sprak hij flinkweg een schoenmaker aan en vroeg hem,
waarom die lieden in het zwart gekleed waren. De schoenmaker
antwoordde: Die zijn in het zwart gekleed omdat nog geen veertien dagen
geleden een broeder van hen, die sinds lang niet hier was en Tedaldo
heette, vermoord werd en ik begrijp wel, dat zij voor het gerecht
hebben bewezen, dat een zekere Aldobrandino Palermini, die gevangen is
genomen, hem vermoord heeft, omdat hij diens vrouw welgezind was en
niet herkend was teruggekomen om met haar te zijn.
Tedaldo was er zeer over verbaasd, dat iemand zoo op hem leek, dat men
dien voor hem aanzag en het ongeluk van Aldobrandini hinderde hem. Toen
hij gemerkt had, dat de donna leefde en gezond was en het reeds nacht
werd, keerde hij vol verschillende gedachten naar de herberg terug en
nadat hij het avondmaal had gebruikt met zijn knecht, werd hij naar de
hoogste verdieping van het huis gezonden om te slapen en daar zoowel
door de vele gedachten, die hem kwelden als door de slechtheid van het
bed en misschien door het schrale avondeten, was de helft van de nacht
al voorbij, toen Tedaldo nog niet kon insluimeren. Het scheen hem in
het midden van den nacht, dat hij iemand van het dak van het huis
daarin hoorde afdalen [57] en daarna zag hij door de spleten van de
kamerdeur een licht naderen. Daarom stilletjes tegen een spleet
geleund, begon hij af te loeren, wat dat beteekende en hij zag een zeer
schoon, jong meisje het licht vasthouden en drie mannen naar haar toe
komen, die van het dak daar waren afgedaald. Nadat zij elkaar hadden
verwelkomd, zeide een van hen tot het jonge meisje: Wij kunnen, God zij
geloofd, voortaan gerust zijn, omdat wij zeker weten, dat de dood van
Tedaldo Elisei is bewezen door zijn broeders ten laste van Aldobrandino
Palermini. Deze heeft het bekend en het doodvonnis is al geschreven.
Maar men moet niettemin goed zwijgen, omdat, wanneer men toch zou te
weten komen, dat wij het gedaan hebben, wij aan hetzelfde gevaar zouden
zijn blootgesteld, waarin Aldobrandino nu verkeert. Toen dit met de
donna besproken was, die zich hierover zeer verheugd toonde, gingen zij
naar beneden om te slapen.
Tedaldo hoorde dit en begon er over na te denken, hoevele en hoedanig
de dwalingen waren, welke de geesten der menschen kunnen bevangen, ten
eerste peinzend over de broeders, die een vreemde hadden beweend en in
zijn plaats begraven en die daarna den onschuldige door valsche
verdenking hadden beticht, die hem met onware getuigenissen hadden
gedoemd te sterven en behalve dat de blinde strengheid der wetten en
der rechters, die dikwijls genoeg als zoogenaamd ijverige zoekers naar
de waarheid door martelingen het valsche doen bewijzen en die zich
handlangers noemen der gerechtigheid en van God, terwijl zij de helpers
zijn van het onrecht en van den duivel. [58] Daarna keerde hij zijn
gedachte naar de redding van Aldobrandino en stelde vast, wat hij te
doen had. Toen hij ’s ochtends opstond, liet hij zijn knecht achter en
toen het hem tijd scheen, ging hij alleen naar het huis van zijn donna.
Toevallig vond hij de deur open, trad binnen en zag haar op den grond
zitten in een klein, gelijkvloersch zaaltje, dat daar was, vol tranen
en verdriet, waardoor hij uit medelijden schreide, haar naderde en
sprak: Madonna, kwel U zelve niet; Uw vrede is nabij. De donna, dit
hoorend, hief het hoofd op en zei weenend: Mijn goede man, gij schijnt
mij een buitenlandsch pelgrim, wat weet gij van vrede of van mijn
verdriet? Toen antwoordde de pelgrim: Madonna, ik ben van
Constantinopel en ik ben sinds kort hier gezonden door God om Uw tranen
in een lach te veranderen en Uw echtgenoot van den dood te bevrijden.
Hoe, zeide de dame, als gij van Constantinopel zijt en sinds kort toch
maar hier, weet gij wie mijn echtgenoot en ik zijn? De pelgrim,
beginnend bij het begin, vertelde de heele geschiedenis van het ongeluk
van Aldobrandino, zeide haar wie zij was, hoelang zij gehuwd was en
meer andere dingen, die hij zeer goed uit zijn zaken kende. De donna
was daarover zeer verwonderd, hield hem voor een profeet, knielde voor
hem en verzocht hem bij God, als hij voor het heil van Aldobrandino was
gekomen, voort te maken, daar de tijd kort was. De pelgrim, die voorgaf
een zeer heilig man te zijn, zeide: Mevrouw, sta op, ween niet, let wel
op hetgeen ik U zeggen zal en neemt U in acht dit nooit aan een ander
te vertellen: Door hetgeen God mij heeft geopenbaard, is de kwelling,
die gij thans ondervindt, het gevolg van een zonde, vroeger door U
bedreven, welke God ten deele heeft willen uitwisschen met dit verdriet
en Hij wil, dat gij U er geheel van bevrijdt, daar gij anders tot een
grooter leed zult vervallen.
Toen antwoordde de donna: Messire, ik heb genoeg gezondigd, maar ik
weet niet, waarom God de Heer wil, dat ik mij meer van de eene dan van
de andere zonde bevrijdt. Als gij het wel weet, zeg het mij dan en ik
zal doen, wat ik kan om mij er van te verlossen. Madonna, zei toen de
pelgrim, ik weet wel, welke zonde dat is en ik zal u niet ondervragen
om het nog beter te weten, maar opdat gij door het zelf te bekennen er
meer berouw over zult hebben. Doch laat ons tot het feit zelf komen.
Zeg mij: herinnert gij U ooit een minnaar gehad te hebben? Toen de
donna dit hoorde, slaakte zij een diepe zucht en verwonderde zich zeer,
dat ooit iemand dit wist, behalve hij die gedood was en welke, voor
Tedaldo gehouden, begraven werd, tenzij men er iets van verraden had
met zekere woorden onvoorzichtig geuit door den metgezel van Tedaldo,
die dit wist en zij antwoordde: Ik zie, dat God U al de geheimen der
menschen openbaart en daarom ben ik bereid U de mijnen te bekennen. Het
is waar, dat ik in mijn jeugd een ongelukkig jonkman zeer lief had,
wiens dood aan mijn man wordt toegeschreven, hetgeen ik evenzeer
betreur als dit mij verdriet deed, omdat, hoewel ik mij hard en barsch
jegens hem getoond heb voor zijn vertrek, noch zijn lange afwezigheid,
noch zijn treurige dood hem uit mijn hart konden rukken. Hierop
antwoordde de pelgrim: De ongelukkige jongeling, die gedood is, heeft U
nooit bemind, maar wel Tedaldo Elisei. Maar zeg mij: Wat was de reden
waarom gij boos op hem waart? Heeft hij U ooit beleedigd? Hierop
antwoordde de donna: Neen, dat bepaald nooit, maar de reden van mijn
toorn waren de woorden van een vervloekten monnik, waaraan ik eens
biechtte, omdat, toen ik hem eens sprak van de liefde, dien ik dezen
toedroeg en de vriendschap, die ik voor hem had, hij mij zulk een
spektakel maakte, dat ik er nog bang van ben, en hij beweerde, dat, als
ik niet ophield, ik in het diepst van de hel in den muil van den duivel
zou terecht komen en dat ik geworpen zou worden in het eeuwige vuur.
Hierdoor werd ik zoo bevreesd, dat ik besloot heelemaal geen
vriendschap met hem te onderhouden en om er geen aanleiding toe te
geven, wilde ik boodschap noch brief meer van hem ontvangen. Ik geloof,
dat als hij meer had doorgezet—maar naar ik vermoed, ging hij wanhopig
weg—ik, daar ik hem zag verteren als sneeuw voor de zon, mijn hard
voornemen had laten varen, omdat ik geen grooter verlangen had dan naar
hem.
Toen sprak de pelgrim: Madonna, dit is de eenige zonde, die U thans
kwelt. Ik weet zeker, dat die Tedaldo U geen geweld zou hebben
aangedaan; want toen gij verliefd op hem werd, hebt gij dit uit eigen
beweging gedaan, daar hij U beviel en omdat gij het zelf wilde, kwam
hij tot U en maakte van Uw vriendschap gebruik, waarin gij met woorden
en daden hem zooveel lieftalligheid toonde, dat gij, indien hij ook al
het eerst verliefd werd, zijn liefde wel duizend maal deed verdubbelen.
Indien dit zoo was (en ik weet, dat het zoo was), welke reden hadt gij
dan om U zoo streng van hem te vervreemden? Hieraan hadt gij eerst
moeten denken en indien gij meent er berouw over te moeten hebben als
van iets slechts, hadt gij het niet moeten doen. Gelijk hij de Uwe is
geworden, zijt gij het de zijne. Gij kondt voorgeven naar verkiezing te
doen of hij de Uwe niet was; maar U zelf aan hem te onttrekken, die de
Uwe was, dit was een diefstal en onbehoorlijk, daar dit tegen zijn wil
geschiedde. Nu moet gij weten, dat ik monnik ben en dus al hun
gewoonten ken en als ik wat vrij in Uw voordeel er van spreek, is mij
dat niet verboden gelijk aan een ander en het bevalt mij dit te doen,
opdat gij ze voortaan beter zult kennen dan gij tot nu toe schijnt te
hebben gedaan. Vroeger waren de monniken zeer heilige en eerbare mannen
maar wie zich thans broeders noemen en er voor willen worden gehouden,
hebben van het monnikschap niets anders dan de kap en zelfs die niet,
omdat, terwijl de stichters der orden bevalen, dat die nauw, armoedig
en van grof goed zouden zijn en van den geest getuigden, die de
wereldsche zaken minachtte, wanneer zij het lichaam in zulk een simpel
gewaad staken, zij thans rijk en dubbel en schitterend en van fijne
stof zijn en ze die in een sierlijken en priesterlijken vorm hebben
gebracht, zoodat zij zich niet schamen in de kerken en op de
wandelplaatsen, gelijk de leeken met hun gewaden doen, er als pauwen
mee te pronken. En gelijk de visscher met het net met één ruk in de
rivier veel visschen tracht te vangen, zoo in hun wijde dracht
rondgaande, doen zij hun best vele huichelaarsters, vele weduwen en tal
van andere dwaze vrouwen en mannen te vatten, wat meer dan eenige
andere godsdienstoefening hun voornaamste bezigheid is. Daarom, om U
oprechter toe te spreken, dragen zij niet de kap der monniken maar
alleen hun kleuren. En terwijl de vroegeren het heil der menschen
zochten, begeeren zij tegenwoordig de vrouwen en het geld en zij hebben
er al hun zinnen op gezet en zetten die er op met spektakel en hun
bangmakerij de geesten der dwazen te ontstellen en voor te geven, dat
zij met aalmoezen en missen hun zonden kunnen uitwisschen, opdat hun,
die uit luiheid en niet uit vroomheid monnik worden en om niet te
werken, deze brood geve, gene wijn verschaft en een ander zielemissen
voor zijn voorvaderen betaalt. En het is wel zeker, dat de aalmoezen en
de gebeden van zonden reinigen, maar indien zij, die de aalmoezen
geven, zagen aan wie zij dit doen, of ze zouden kennen, zouden zij die
even graag houden of ze liever voor evenveel andere zwijnen werpen.
Naarmate anderen minder grooten rijkdom bezitten, zijn zij daarentegen
meer tevreden en doen zij hun best met hun geschreeuw en hun
bedreigingen anderen geld te ontrooven, dat hun eenig verlangen
uitmaakt. Zij bulderen tegen de wellust der mannen, opdat zij, die
aldus overschreeuwd zijn, afstand doen van de vrouwen en de vrouwen
naar de bulderaars komen; zij vervloeken den woeker en de oneerlijke
winsten, opdat zij aangewezen om die terug te geven, hun kappen rijker
kunnen maken bij hun jacht op bisschopstitels en andere, hoogere
priester-waardigheden met dezelfde winsten, waarmee zij hebben beweerd,
dat die tot het verderf leidden van wie ze maakten.
Wanneer zij over deze dingen en vele andere schanddaden, die zij
bedrijven, onderhouden worden, hebben zij als antwoord klaar: Doe, wat
wij zeggen en niet wat wij doen en meenen, dat dit een waardige
verontschuldiging is voor elke zware zonde, alsof het eerder aan de
schapen mogelijk is om standvastig te zijn en van ijzer dan aan hun
zieleherders. En hoevelen er niet zijn aan wien zij zulk een antwoord
geven, dat die het niet begrijpen door de manier, waarop zij dit geven,
dat weet een groot deel van hen. De hedendaagsche monniken willen, dat
gij doet, wat zij zeggen, namelijk dat gij hun beurs vult met geld, dat
gij hun uwe geheimen toevertrouwt, dat gij de kuischheid bewaart,
geduldig zijt, de beleedigingen vergeeft, u er voor hoedt kwaad te
spreken, allemaal goede, eerlijke en heilige dingen. Maar waarom dit?
Opdat zij dat kunnen doen, wat, als de leeken het deden, zij niet
zouden kunnen. Wie weet niet, dat zonder geld hun luiheid niet kan
voortduren? Indien gij er geen plezier meer in hebt aan hen uw geld te
verkwisten, kan de broeder in de orde niet meer luieren. Indien men
buitenshuis niet naar de vrouwen gaat, zijn de broeders binnenshuis hun
plaats kwijt. Indien gij geduldig zijt en beleedigingen vergeeft, zal
de broeder niet in uw huis durven komen om uw huisgezin te
schandvlekken. Maar waarom zal ik mij bij alles ophouden? Zij
beschuldigen zich elken keer, dat zij in tegenwoordigheid van wie hen
hooren deze verontschuldigiging aanvoeren. Waarom blijven zij zelf niet
thuis, als zij niet gelooven kuisch en heilig te kunnen zijn? Of als
zij dit toch willen nakomen, waarom volgen zij dan niet dit andere
heilige woord van het Evangelium: Christus begon te doen, daarna te
spreken? Laten zij ook eerst handelen en dan de anderen les lezen. Ik
heb er onder de mijnen duizenden gezien, verliefd, minnaars, bezoekers,
niet alleen van de wereldlijke vrouwen maar ook van de nonnen en juist
onder degenen, die het meeste drukte maken op hun kansels. Waarom
zullen wij zulke lieden naloopen? Die het doet, doet wat hij wil, maar
God weet of hij wijs doet. Maar aangenomen, dat men toch moet toegeven,
wat de monnik, die U berispt, zegt, namelijk dat het een zeer ernstig
misdrijf is de echtelijke trouw te verbreken, is het dan niet erger een
mensch te bestelen? Is het niet veel erger hem te dooden of hem in
ballingschap te sturen om de wereld door te zwerven? Dat zal ieder
erkennen. Dat een vrouw van de genegenheid van een man gebruik maakt is
een natuurlijke zonde, maar hem te berooven, te verwonden of te
verjagen komt voort uit laagheid van aard. Dat gij Tedaldo bestolen
hebt door U aan hem te onttrekken, die uit eigen beweging de zijne
zoudt geworden zijn, heb ik U al vroeger aangetoond. Ik beweer ook,
dat, in zooverre het van U afhing, gij hem hebt getoond, omdat het van
U niet afhing, die steeds meer wreedheid voorgaaft, dat hij zich niet
eigenhandig van kant maakte en de wet zegt, dat hij, die de oorzaak is
van het kwaad, dat geschiedt, even schuldig is als hij, die het kwaad
doet. En dat gij van zijn ballingschap en van zijn zwerven door de
wereld gedurende zeven jaren de oorzaak zijt, kan men ook niet
ontkennen. Zoodat gij een veel grooter zonde hebt bedreven door een der
drie gezegde dingen dan door Uwe betrekking tot hem. Maar laat ons
zien. Verdiende Tedaldo dit misschien? Zeker niet; gij hebt het zelf al
erkend, ook zonder dat ik weet, dat hij U meer bemint dan gij hem.
Niemand was zoo geëerd, zoo verheven, zoo verheerlijkt als gij boven
iedere andere donna door hem, indien hij zich bevond op een plaats,
waar hij eerlijk en zonder argwaan op te wekken, van U kon spreken. Al
zijn rijkdom, al zijn eer, al zijn vrijheid, alles van hem gaf hij U in
handen. Was hij niet van adel en jong? Was hij niet schoon vergeleken
bij zijn andere medeburgers? Was hij niet uitmuntend in die dingen, die
aan de jongelingen eigen zijn? Was hij niet bemind? Werd hij niet op
prijs gesteld? Werd hij niet gaarne door iedereen gezien? Gij zult
hierop toch niet neen antwoorden? Dus, hoe hebt gij naar het woord van
een mallen, dommen en jaloerschen broeder zulk een wreed besluit tegen
hem kunnen nemen? Ik begrijp niet wat die dwaling is van de vrouwen,
die de mannen ontwijken en ze weinig achten, wanneer zij bedenken wat
zij zelf zijn en hoe groot en hoedanig de adel is, die God aan den man
boven elk ander wezen heeft geschonken en zij er zich op moesten
beroemen, wanneer zij door een van hen bemind worden en hem boven alles
moesten liefhebben en alles moesten doen om hem te behagen, opdat hij
nooit zou ophouden hen te beminnen. Wat gij gedaan hebt, bewogen door
het woord van een monnik, die zeker een of andere vraat is, een
liefhebber van taarten, dat weet gij. En misschien zou hij verlangen
zich op dezelfde plaats te stellen, waaruit hij zijn best doet anderen
te verdrijven. Dit is de zonde, welke de goddelijke gerechtigheid, die
met juiste balans al haar werken ten uitvoer brengt, niet ongestraft
heeft willen laten en gelijk gij U zelf aan Tedaldo hebt willen
onttrekken, zoo was en is nog Uw man zonder reden door Tedaldo in
gevaar en gij in tegenspoed. Wanneer gij daarvan bevrijd wilt worden,
dan is wat U past te beloven en het best om te doen, dat gij, indien
ooit Tedaldo uit zijn lange ballingschap hier terug komt, hem Uw gunst,
Uw liefde, Uw welwillendheid en vriendschap terug geeft en in dien
toestand hem terug brengt, waarin hij was, voordat gij, dwaas genoeg,
den mallen broeder geloofde.
Toen de pelgrim zijn woorden geëindigd had, zeide de donna, die zeer
aandachtig ze opving, omdat die redeneeringen haar zeer waar schenen en
omdat zij zich werkelijk om die zonde, hiernaar hoorend, bezocht
achtte: Vriend van God, ik weet genoeg, dat de dingen die gij zegt,
waar zijn en ik erken voor een groot deel door Uwe verklaring wat de
monniken waard zijn, die ik tot nu toe allen voor heiligen heb gehouden
en zonder twijfel beaam ik, dat mijn misstap groot is geweest in
hetgeen ik tegen Tedaldo deed en als het mij mogelijk is, zal ik het
gaarne vergoeden op de wijze door U gezegd. Maar hoe kan dit! Tedaldo
zal nooit kunnen terugkeeren; hij is dood en omdat het dus niet kan,
weet ik niet waarom ik noodig heb het te beloven. Hierop antwoordde de
pelgrim: Madonna, Tedaldo is heelemaal niet dood naar hetgeen God mij
bewijst, maar levend, gezond en wel, mits hij Uwe gunst heeft. Toen
zeide de donna: Pas op hetgeen gij zegt; ik zag hem dood voor mijn deur
getroffen door verscheidene messteken, ik hield hem in mijn armen en
heb zijn dood gelaat met vele tranen besproeid, welke misschien de
oorzaak waren, dat men er zooveel over sprak, als men er op lasterlijke
wijze over gepraat heeft. Toen zeide de pelgrim: Madonna, wat gij ook
beweert, ik verzeker U, dat Tedaldo leeft en als gij wilt beloven hem
te behandelen, gelijk ik gezegd heb, hoop ik, dat gij hem spoedig zult
zien. Toen hernam de donna: Dat doe ik gaarne en zal ik gaarne doen en
niets zou mij zoo tot vreugde kunnen strekken dan mijn man vrij te zien
buiten gevaar en Tedaldo levend. Nu scheen het Tedaldo tijd zich bekend
te maken en de donna met de zekerste hoop omtrent haar echtgenoot te
sterken en sprak hij: Mevrouw, opdat ik U betreffende Uw man gerust
stel, moet ik U een geheim openbaren, dat gij moet bewaren zonder ooit
in Uw gansche leven er iets van te verraden.
Zij waren op een vrij afgezonderde plaats en alleen en de donna had het
grootste vertrouwen gekregen in de heiligheid, welke de pelgrim scheen
te vertoonen. Daarom trok Tedaldo een ring, dien hij zorgvuldig bewaard
had en welke de donna hem den laatsten nacht had gegeven, dat zij samen
geweest waren, te voorschijn en zeide, terwijl hij dien vertoonde:
Madonna, kent gij dien? Toen de donna dien zag, herkende zij dien en
antwoordde: Zeker, heer, ik gaf dien aan Tedaldo. Daarop verhief zich
de pelgrim en de kap terugwerpend en den hoed van het hoofd, sprak hij
in het florentijnsch: En kent gij mij? Toen de donna hem zag en begreep
dat hij Tedaldo was en geheel ontzet, bevreesd voor hem als voor
dooden, die men als levenden ziet loopen, verschrikte zij en zij
ontving hem niet als Tedaldo teruggekeerd van Cyprus maar als Tedaldo
teruggekeerd uit het graf en wilde in angst vluchten. Tedaldo sprak tot
haar: Madonna, vrees niet, ik ben uw Tedaldo levend en gezond en ik
stierf niet, noch was ik dood, hoewel gij en mijn broeders het
gelooven. De vrouw een weinig gerust gesteld, met ontzag voor zijn stem
en hem wat langer beschouwend, werd er zekerder van, dat hij Tedaldo
was, wierp zich weenend om zijn hals, kuste hem en sprak: Mijn lieve
Tedaldo, gij zijt gelukkig teruggekeerd. Tedaldo omarmde en kuste haar
en zeide: Madonna het is nu nog geen tijd voor een inniger ontvangst,
ik wil te werk gaan, opdat Aldobrandino U gezond en veilig zal worden
teruggegeven. Wat dat betreft hoop ik, dat gij voor morgen tijdingen
zult vernemen, die u zullen bevallen. Indien ik werkelijk, gelijk ik
geloof, goede hoop heb omtrent zijn behoud, zal ik vannacht bij U
kunnen komen en het U meer op mijn gemak kunnen vertellen dan thans.
Hij wierp opnieuw de kap terug en den hoed, kuste de donna nog eens,
versterkte haar met goede hoop, nam afscheid van haar en ging daarheen,
waar Aldobrandino in de gevangenis zat en dacht meer aan de vrees voor
den naderenden dood dan aan de hoop op toekomstig behoud. Alsof hij er
heen was gegaan om hem te troosten, kwam hij er binnen met toestemming
van de bewaarders, zette zich naast hem en zeide: Aldobrandino, ik ben
een vriend van U door God tot U gezonden om U te verlossen, die wegens
Uw onschuld medelijden met U had. Daarom, indien gij uit eerbied voor
Hem mij een kleine gunst wilt toestaan, dien ik U zal vragen, zult gij
zonder twijfel voor morgenavond in plaats van het doodvonnis, dat U
wacht, dat van Uwe bevrijding vernemen. Aldobrandino antwoordde hem:
Beste man, daar gij U voor mijn behoud beijvert en ik U niet ken noch
mij herinner U ooit gezien te hebben, moet gij een vriend zijn gelijk
gij zegt. En werkelijk de zonde, waarvoor men zegt, dat ik ter dood
veroordeeld moet worden, heb ik nooit bedreven; ik heb genoeg anderen
gedaan, die mij er misschien toe gebracht hebben. Maar dit zeg ik U tot
Gods eere, indien Hij thans met mij erbarming heeft, zal ik gaarne een
groote daad doen liever dan een kleine en die liever doen dan beloven.
Daarom: vraag wat U behaagt, daar ik die belofte zonder twijfel, als ik
er aan ontsnap, zal nakomen. Toen zeide de pelgrim: Wat ik wil, is
niets anders dan dat gij de vier broeders van Tedaldo vergeeft, die U
zoover gebracht hebben, daar zij geloofden, dat gij aan diens dood
schuldig waart en dat gij hen als broeders en vrienden aanneemt, als
zij U hiervoor vergeving vragen. Aldobrandino antwoordde: Niemand weet,
hoe zoet de wraak is, noch hoezeer men die verlangt, behalve hij, die
de beleediging ontvangen heeft, maar ik zal ze gaarne, opdat God mijn
bevrijding wenscht, vergeven en vergeef hen thans en als ik hier levend
en ongedeerd uitkom, zal ik mij er aan houden zoo hierin te handelen,
dat het U aangenaam zal zijn.
Dit beviel den pelgrim en zonder hem iets anders te zeggen, vroeg hij
hem vooral goeden moed te houden, daar hij zeker, voor de volgende dag
zou eindigen, beslissende tijdingen zou hooren omtrent zijn bevrijding.
Hij nam afscheid van hem, ging naar het gerechtshof en sprak in het
geheim tot een ridder, die er zich bevond: Mijnheer, elkeen moet er
zich voor beijveren, dat de waarheid der dingen bekend wordt en het
meest diegenen, welke de plaats bekleeden, die gij inneemt, opdat niet
zij de straf dragen, welke de zonde niet hebben bedreven en opdat de
ware zondaars gestraft worden. Opdat dit geschiedt, ben ik tot Uw eer
en tot straf van degenen, die dit heeft verdiend, hier gekomen. Gelijk
gij weet, zijt gij streng tegen Aldobrandino Palermini te werk gegaan
en het schijnt als waar te zijn bevonden, dat hij het is, die Tedaldo
Elisei heeft vermoord en gij zijt op het punt hem ter dood te laten
brengen. Dit is zeker verkeerd, daar ik hoop, eer het middernacht is,
de moordenaars van den jongen man U in handen te stellen. De brave man,
dien het lot van Aldobrandino verontwaardigde, leende gaarne het oor
aan de woorden van den pelgrim en nadat hij verschillende dingen
hierover met hem besproken had, liet hij op diens aandringen in hun
eersten slaap de twee gebroeders herbergiers en hun knecht zonder
weerstand gevangen nemen. Toen hij hun om te weten, hoe de dingen
gebeurd waren, wou laten pijnigen, lieten zij dit niet toe, maar ieder
voor zich en daarna allen te zamen bekenden openlijk, dat zij het
geweest waren, die Tedaldo Elisei hadden gedood, terwijl zij hem niet
kenden. Men vroeg hen de reden en zij antwoordden: Omdat hij aan een
van hun vrouwen, terwijl zij niet in de herberg waren, veel last had
veroorzaakt en haar had willen dwingen zijn wil te doen. De pelgrim
ging, na dit te hebben vernomen met verlof van den edelman heen en in
stilte begaf hij zich naar het huis van madonna Ermellina en vond haar,
terwijl elk daar ter ruste was gegaan, hem alleen wachtend en eveneens
verlangend goede tijdingen van haar man te hooren en bereid zich geheel
met haar Tedaldo te verzoenen. Toen hij tot haar kwam, zeide hij met
een verheugd gelaat: Mijn zeer geliefde donna, verblijdt U, daar gij
zeker Uw Aldobrandino morgen gezond en ongedeerd hier zult terug
hebben. En om haar meer geloof te schenken verhaalde hij haar alles,
wat hij gedaan had. De donna door die zoo onverwachte gebeurtenissen,
namelijk Tedaldo levend te zien, dien zij werkelijk als dood had
beweend en Aldobrandino vrij van gevaar, dien zij voor enkele dagen als
overleden meende te moeten beweenen, zoo blijde als zij nog nooit was,
omhelsde en kuste haar Tedaldo innig en nadat zij samen naar bed waren
gegaan, hadden zij met goeden wil een heerlijke en aangename rust en
genoten ten zeerste van elkaar. Toen de dag naderde, stond Tedaldo op
na al voor de donna te hebben uiteengezet, wat hij doen wilde en na
haar opnieuw te hebben verzocht dit zeer stil te houden, ging hij weer
in pelgrimskleed uit haar huis om als het tijd was, zich met de zaken
van Aldobrandino bezig te houden.
De rechtbank, die, toen het dag werd, volkomen op de hoogte scheen
gesteld van de zaak, liet Aldobrandino spoedig vrij en liet een paar
dagen later de boosdoeners, die den moord hadden begaan, het hoofd
afslaan. Toen Aldobrandino aldus vrij was tot groote vreugde van hem en
zijn vrouw en al zijn vrienden en kennissen en daar hij zeker wist, dat
het door de bemoeiing van den pelgrim kwam, hielden zij hem in huis,
zoolang hij in de stad wou blijven. Daar konden zij niet genoeg te
zijner eere en vreugde doen en vooral de donna, die wel wist, voor wien
zij dit deed. Maar na eenigen tijd, toen hij meende, dat hij de
broeders moest verzoenen met Aldobrandino, en hij niet alleen wist, dat
zij door diens vrijspraak gekwetst waren maar uit vrees ook gewapend
herinnerde Aldobrandino aan de belofte dit in orde te maken.
Aldobrandino antwoordde edelmoedig, dat hij bereid was. De pelgrim liet
hem den volgenden dag een fraai gastmaal gereed maken, waarop hij
zeide, dat hij zijn verwanten en hun vrouwen, de vier broeders en hun
donna’s zou ontvangen en voegde er aan toe, dat hij zelf dadelijk ze
van zijn kant tot een feestmaal zou uitnoodigen ten teeken van vrede.
Daar Aldobrandino, over al wat den pelgrim behaagde, tevreden was, ging
deze dadelijk naar de vier broeders en na met hen genoeg woorden te
hebben gewisseld, die met betrekking tot de zaak vereischt werden, wist
hij hen ten slotte met onweerlegbare redenen vrij gemakkelijk er toe
over te halen de vriendschap van Aldobrandino te herwinnen door hem
vergeving te vragen. Toen dit geschied was, noodigde hij ze den
volgenden morgen met hun donna’s tot een middagmaal uit en zij van zijn
goede trouw verzekerd namen de uitnoodiging aan. Den volgenden morgen
op het etensuur kwamen de vier broeders van Tedaldo, nog gekleed in het
zwart, met eenigen van hun vrienden naar het huis, waar Aldobrandino ze
wachtte. Daar, voor allen, die door Aldobrandino verzocht waren om hen
gezelschap te houden, wierpen zij de wapens ter aarde en stelden zich
ter beschikking van hem, dien zij vergeving vroegen, voor hetgeen zij
hem hadden gedaan. Aldobrandino ontving ze weenend met erbarmen en na
ze allen op den mond gekust te hebben en de zaak met weinig woorden te
hebben afgehandeld, vergaf hij elke ondergane beleediging. Daarna
kwamen al hun zusters en hun vrouwen, allen in het bruin gekleed
naderbij en zij werden door madonna Ermellina en door de andere dames
vriendelijk ontvangen. Toen de heeren zoowel als de dames bij het
feestmaal uitstekend bediend waren en daar niets bij was, wat men kon
misprijzen, behalve een stilzwijgen veroorzaakt door de pas geleden
smart, uitgedrukt in de donkere kleeren van de verwanten van Tedaldo,
(waardoor het denkbeeld en het gastmaal zelf van den pelgrim door
enkelen werd gelaakt, wat hij wel gemerkt had), stond hij, toen hij het
oogenblik gekomen achtte om dit te doen eindigen op en zeide, terwijl
men nog vruchten zat te eten: Niets heeft ontbroken om dit gastmaal
vroolijk te maken dan Tedaldo, dien ik, daar gij hem voortdurend bij U
hadt zonder hem te kennen, U wil toonen. Hij wierp de kap en het heele
pelgrimsgewaad achterwaarts, bleef in een rok van groene zijde staan en
werd niet zonder aller grootste verbazing beschouwd en lang duurde het
voor hij herkend was en voordat men het waagde te gelooven, dat hij het
was. Toen Tedaldo dit zag, begon hij veel gebeurtenissen te vertellen
die op hun verwantschap betrekking hadden. Hierdoor kwamen de broeders
en de andere mannen, alle de oogen vol vreugdetranen, tot hem om hem te
omhelzen en daarna deden zoo ook de donna’s, de vreemde zoowel als de
verwante, behalve mevrouw Ermellina. Toen Aldobrandino dit zag, zeide
hij: Wat beteekent dat, Ermellina? Waarom betuigt gij geen vreugde aan
Tedaldo als de andere donna’s? Waarop, terwijl allen het hoorden, de
donna antwoordde: Niets zou ik hem liever hebben betuigd en niemand wil
dit meer dan ik, die hem meer verplicht ben dan ieder ander, in
aanmerking genomen, dat ik U door zijn daden heb terug gekregen. Maar
de laster over mij gesproken op den dag, dat wij hem beklaagden, dien
wij geloofden, dat Tedaldo was, weerhouden mij. Hierop antwoordde
Aldobrandino: Ga Uw gang, gelooft gij, dat ik hecht aan de lasteraars?
Door naar mijn geluk te streven, heeft hij voldoende getoond, dat dit
onwaar is, zoodat ik het ook nooit gelooven zal. Sta gauw op, ga en
omhels hem. De donna, die niet anders wenschte, was niet langzaam in
het gehoorzamen van haar echtgenoot; daarom verhief zij zich gelijk de
anderen hadden gedaan en deed hem, door hem te omhelzen, groot
genoegen.
Deze edelmoedigheid van Aldobrandino beviel aan de broeders van Tedaldo
en aan elk man en vrouw, die er was en elke wrok, die had kunnen
ontstaan in de geest van enkelen door de gesproken woorden, werd
gebluscht. Toen aldus elk Tedaldo gevierd had, rukte hij zelf de zwarte
kleeren der broeders van het lijf en de bruinen van de zusters en de
schoonzusters en hij wenschte, dat men er andere kleeren liet komen.
Toen zij op nieuw gekleed waren, gaf men veel zangen en dansen en
andere genoegens ten beste. Hierdoor had het gastmaal, dat zoo stil
begon, een rumoerig einde. En zij gingen allen, zooals zij waren, naar
het huis van Tedaldo en daar hielden zij het avondmaal. En meerdere
dagen daarna zetten zij op die manier volhoudend het feest door. De
Florentijnen beschouwden Tedaldo langen tijd als een weder opgestaan
mensch en als een wonder, en bij velen, ook bij de broeders bleef er
nog een zwakke twijfel in de ziel of hij het was of niet, en zij wilden
het nog niet vast gelooven en zij hadden het misschien nooit geheel
geloofd, als er niet een feit gebeurd was, waardoor het hun klaar werd
wie gedood was en wie dit was geweest. Eens kwamen voetknechten van
Lunigiana langs hun huis en toen die Tedaldo zagen, gingen zij hem
tegemoet met de woorden: Goeden dag, Faziuolo! Hierop antwoordde
Tedaldo in tegenwoordigheid van de broeders: Gij hebt mij voor een
ander gehouden. Toen dezen dit hoorden, schaamden zij zich, vroegen hem
vergeving en zeiden: In waarheid gelijkt gij meer op onzen metgezel,
die zich Faziuolo van Pontremoli noemt dan wien wij ooit op iemand
zagen gelijken en die hier misschien voor veertien dagen of iets meer
kwam en waarvan wij nooit konden weten, wat er van hem geworden was.
Het is wel waar, dat wij verwonderd waren over het pak, dat gij draagt,
daar deze soldaat was als wij. De oudste broeder van Tedaldo kwam bij
die woorden nader en vroeg, hoe die Faziuolo gekleed was. Zij zeiden
dit en men vond, dat het juist was geweest gelijk zij beweerden.
Hierdoor, behalve door deze en andere teekens, werd herkend, dat wie
vermoord was geworden, Faziuolo was geweest en niet Tedaldo, zoodat
vandaar de argwaan bij de broeders en bij allen verdween. Tedaldo nu,
die zeer rijk was geworden, volhardde in zijn liefde en zonder dat de
donna zich weer vertoornde, ging hij stil te werk en genoten zij
hiervan langen tijd. God late ons genieten van de onze.