Ricciardo Minutolo bemint de vrouw van Filipello Fighinolfi. Daar
hij bemerkt, dat zij jaloersch is, doet hij haar gelooven, dat
Filipello zijn eigen vrouw bij zich in een badhuis wil laten komen
en haalt haar over daarheen te gaan. Als zij echter meent, dat zij
haar man betrapt heeft, ontdekt zij, dat ze er met Minutolo geweest
is.
Er bleef voor Elisa niets meer over om te vertellen, toen de koningin,
nadat zij de slimheid van il Zima geprezen had, aan Fiammetta beval,
dat die met een verhaal voortging. Deze antwoordde nog lachende:
Gaarne, Madonna, en begon:
Wij moeten een oogenblik onze stad verlaten, die in alle opzichten
overvloed heeft en vol is van voorbeelden voor ieder onderwerp en
gelijk Elisa gedaan heeft, iets vertellen van de dingen, die in een
ander deel der wereld gebeurd zijn. Daarom zal ik naar Napels mij
verplaatsend verhalen, hoe een van die huichelaarsters, die veinzen van
de liefde niets te willen weten, er door de slimheid van haar minnaar
toe gebracht werd de vrucht der liefde te kennen voor haar bloemen, wat
u tevens voorzichtig zal maken voor die dingen, die kunnen gebeuren en
u genoegen zullen geven over hetgeen gebeurd is.
In Napels, die aloude stad, en misschien even bekoorlijk, zoo niet meer
dan iedere andere van Italië, leefde vroeger een jonge man, bekend door
den adel van zijn bloed en befaamd om zijn rijkdommen, die Ricciardo
Minutolo heette. [55] Deze, hoewel hij tot vrouw een zeer schoone en
zeer begeerenswaardige jonge donna had, werd op een ander verliefd, die
volgens de meening van allen verre in schoonheid alle andere schoone
napolitaanschen overtrof en die Catella heette, de vrouw van een jonge
man insgelijks van adel, Fillipello Fighinolfi genaamd, die hij als
zeer eerbare vrouw beminde en liefhad boven alles.
Daar nu Ricciardo Minutolo deze Catella beminde en alles in het werk
stelde om de gunst en de liefde van die donna deelachtig te worden en
hij door dit alles zijn begeerte niet kon voldoen, was hij bijna
wanhopig. Omdat hij zich van die liefde niet wist noch kon losmaken,
wou hij noch sterven noch leven. En in dien toestand werd hem door
dames, die met hem verwant waren, op een goeden dag geraden, dat hij
van die liefde afstand zou doen, omdat hij vergeefs moeite deed, want
Catella kende geen ander geluk dan haar Filippello met wien zij zoo
jaloersch leefde, dat zij geloofde, dat iedere vogel, welke door de
lucht vloog, dien aan haar zou ontrooven. Ricciardo, die van de
jaloerschheid van Catella had gehoord, maakte opeens een plan voor zijn
begeerten en deed of hij aan de liefde voor Catella wanhoopte en zijn
genegenheid naar een andere donna richtte en uit liefde tot haar begon
hij wapenspelen en tournooien te vertoonen en al die dingen te doen,
welke hij voor Catella pleegde te verrichten. Het duurde niet lang of
zoo goed als alle Napolitanen en ook Catella geloofden, dat hij niet
meer Catella maar die andere donna het meest lief had. Hij hield zoo
vol zich voor ieder gesloten te houden, dat niet de anderen slechts
maar ook Catella de terughoudendheid liet varen, die zij jegens hem
toonde om de liefde, die hij haar placht toe te dragen en zij begon hem
ais buurman vriendelijk te groeten en aan te zien, gelijk zij het
anderen deed. Toen het warm weer was en vele groepjes van dames en
heeren volgens Napolitaansche gewoonte aan den zeekant gingen verblijf
houden en daar ontbeten en avondmaalden, ging Ricciardo, die wist, dat
ook Catella daar met haar gezelschap heen gegaan was, er met het zijne
heen en werd in dat der donna’s van Catella ontvangen na zich eerst
lang te hebben laten bidden, alsof hij niet zeer verlangend was er in
te verblijven. Hier begonnen de donna’s en met hen Catella met hem te
schertsen over zijn nieuwe liefde, waardoor hij veinsde zeer ontbrand
te zijn en gaf hun ruim stof er over te babbelen. Toen op den langen
duur de donna’s, deze hier en gene daarheen waren gegaan, gelijk men op
die plaatsen doet, en Catella met weinigen achter gebleven was, waar
Ricciardo zich bevond, wierp Ricciardo haar een woord toe over een
zekere liefde van Filipello, haar man, waardoor zij plotseling zeer
jaloersch werd en innerlijk gansch van verlangen begon te branden te
weten, wat Ricciardo bedoelde. Na zich eenigen tijd te hebben
ingehouden, kon zij het niet langer verduren en vroeg Ricciardo, dat
hij bij de liefde van de donna, die hij het meest beminde, haar een
genoegen kon doen te verklaren, wat hij van Filippello gezegd had. Deze
zeide: Gij hebt mij bezworen in naam van iemand, wien ik niet durf te
weigeren, wat gij mij vraagt en daarom haast ik mij het u te zeggen,
mits gij mij belooft, dat gij er nooit over zult spreken noch met hem
noch met anderen, voor gij er het bewijs van hebt, dat, wat ik zal
zeggen, waar is; dus, wanneer gij wilt, zal ik u onderrichten, hoe gij
het kunt te weten komen. Wat hij vroeg, stond de donna aan en deed haar
te meer gelooven, dat het waar was. Zij zwoer hem het nooit te zeggen.
Nadat hij haar dus ter zijde had genomen, opdat zij niet door anderen
zouden gehoord worden, begon Ricciardo aldus te spreken: Madonna,
indien ik u zou beminnen, zooals ik u vroeger lief had, zou ik iets
durven zeggen, wat ik geloof, dat u verdriet zou doen, maar omdat die
liefde voorbij is, zal ik mij minder hoeden u de waarheid van alles te
openbaren. Ik weet niet of Filipello ooit zich boos heeft gemaakt over
de liefde, die ik u toedroeg of dat hij heeft geloofd, dat ik ooit door
U werd bemind. Maar of dit zoo zij of niet, ik toonde het nooit uit
mezelve, maar thans, misschien den tijd afwachtend, wanneer hij
geloofde, dat ik er minder argwaan in zou hebben, schijnt hij mij dat
te willen doen, wat ik vermoed, dat hij vreest door mij aan hem te zijn
gedaan, namelijk zijn genoegen er van te nemen met mijn vrouw en naar
wat ik bespeurde, heeft hij haar sinds korten tijd heimelijk met
meerdere boodschappen vervolgd, welke ik allen van haar heb vernomen en
zij heeft de antwoorden gezonden, gelijk ik haar beval. Maar toch van
morgen, voor ik hier kwam, heb ik in huis met mijn vrouw een andere in
druk gesprek gevonden, welke ik dadelijk beoordeeld heb naar wat zij
is, waarom ik de mijne riep en haar vroeg wat die verlangde. Zij zei
mij: Zij is de handlangster van Filippello, dien gij, door het geven
van antwoorden en van hoop, mij op den hals hebt geschoven en zij zegt,
dat hij, voor alles wil weten, wat ik van plan ben en dat hij, wanneer
ik mocht willen, zou maken, dat ik heimelijk hier in de stad in een
badhuis zou komen. Daarom bidt en smeekt hij mij. En was het niet, dat
gij mij er toe bracht, ik weet niet waarom, deze onderhandelingen vol
te houden, dan zou ik mij er op de een of andere manier aan onttrokken
hebben, zoo, dat hij nooit zou nagespoord hebben, waar ik was. Toen
scheen het mij, dat dit te ver ging en dat het niet meer was uit de
houden en ik het U moest zeggen, opdat gij zult weten, welk loon Uw
gansche vertrouwen kreeg en waardoor ik als op het punt was te sterven.
En opdat gij niet gelooft, dat dit woorden zijn en verzinsels, maar gij
het, wanneer de begeerte er U toe drijft, duidelijk zoowel kunt zien
als tasten, heb ik mijn vrouw voor de persoon, die haar wachtte, als
antwoord laten opstellen, dat zij bereid zou zijn morgen op het uur van
den noen, als iedereen slaapt, in dat badhuis te zijn. De vrouw vertrok
van haar hierover zeer voldaan. Nu meen ik niet, dat gij gelooft, dat
ik haar er heen zal zenden, maar als ik in Uw plaats was, zou ik maken,
dat hij mij vond in plaats van haar, die hij er gelooft te zullen
vinden en als ik eenigen tijd met hem samen zou geweest zijn, zou ik
hem laten bemerken, met wien hij geweest was en ik zou hem dan de eer
aandoen, die hem toe kwam. Als gij aldus handelt, zou hij zich zoo
schamen, dat tegelijkertijd de beleediging, die hij U wil aandoen en
mij, gewroken zal zijn. Toen Catella dit hoorde, begon zij zonder
eenigzins acht te geven wie het was, die het haar vertelde of op zijn
bedriegerijen naar de gewoonte der jaloersche menschen, dadelijk aan
zijn woorden geloof te slaan en zekere dingen, voor dien tijd gebeurd,
hiermede in verband te brengen. En in plotselingen toorn ontbrand
antwoordde zij, dat ze het dadelijk doen zou, dat het niet zoo moeilijk
was uit te voeren en dat zij zeker, als hij er kwam, hem zoo zou
beschamen elken keer, dat zij hem met een vrouw zag, dat zijn hoofd er
van zou draaien. Ricciardo was hierover tevreden, het scheen hem, dat
zijn overleg goed was geweest en gevolg had, hij versterkte haar daarin
nog met vele andere woorden en deed het haar nog meer gelooven, terwijl
hij haar verzocht het aan niemand te vertellen, dat zij het van hem had
gehoord, wat zij hem bij haar geloof in God toezegde.
Den volgenden morgen ging Ricciardo naar een goede vrouw, die het
badhuis, dat hij naar Catella genoemd had, hield, vertelde haar, wat
hij van plan was te doen en verzocht haar hem hierin zooveel zij kon
ter wille te zijn.
De goede vrouw, die hem zeer verplicht was, zeide hem, dat zij dit
gaarne deed en beschikte met hem, wat er noodig was om te doen of te
zeggen. Zij had in het huis, waar de badinrichting was, een zeer
donkere kamer, omdat er in deze geen enkel venster was, dat licht gaf.
Deze maakte de goede vrouw volgens de aanwijzingen van Ricciardo in
orde en plaatste er zoo goed zij kon een bad in, waarin Ricciardo
gelijk hij het had voorgeschreven zich neerlegde en Catella begon af te
wachten. De donna ging na de woorden van Ricciardo, waaraan zij meer
geloof hechtte dan noodig was, vol gramschap ’s avonds naar huis,
waarheen toevallig Filippello insgelijks vol andere gedachten thuis
kwam en haar misschien niet zooveel aandacht schonk als hij gewoon was
te doen. Toen zij dit zag, kreeg zij nog meer argwaan dan zij had en
sprak in zich zelf: Hij is zeker met zijn geest bij die donna, met
welke hij morgen gelooft genoegen en bevrediging te hebben, maar dat
zal bepaald niet gebeuren en met die gedachte en met het voornemen, hoe
zij het hem moest zeggen, als zij daar met hem geweest was, bleef zij
den ganschen nacht bezig. Maar wat er meer van te zeggen? Bij het begin
van den noen, nam Catella haar kamenier met zich mede en zonder haar
plan te veranderen, ging zij naar het badhuis, dat Ricciardo haar had
aangewezen en na hier de goede vrouw gevonden te hebben, vroeg zij haar
of Filippello er dien dag geweest was. Zij antwoordde daarop
voorgelicht door Ricciardo: Is u die donna, die hem moet komen spreken?
Catella antwoordde: Dat ben ik. Gaat u, zeide de goede vrouw, hem dan
opzoeken. Catella, die hem ging zoeken, welke zij niet had willen
vinden, liet zich naar de kamer leiden, waar Ricciardo was, kwam met
het hoofd gesluierd daar binnen en sloot er zich in op. Ricciardo zag
haar komen, stond verheugd op en na haar in zijn armen te hebben
gesloten, zeide hij langzaam: Wees welkom, mijn ziel. Catella om goed
te veinzen, dat zij een andere was dan zij voorgaf, omhelsde en kuste
hem en ontving hem blijde, zonder een woord te spreken, vreezend, als
zij sprak door hem herkend te worden. De kamer was zeer donker,
waarover elk der beide partijen tevreden was. Alleen door er lang te
blijven kregen de oogen er meer macht.
Ricciardo bracht haar naar het bed zonder te spreken uit zeer groote
vrees, dat zij anders zijn stem zou herkennen en zij bleven daar tot
groot genoegen en voldoening van beide partijen. Maar toen het aan
Catella den tijd scheen haar opgevatte verontwaardiging te openbaren,
begon zij van hevigen toorn ontbrand aldus te spreken: Wat is het geluk
der vrouwen gering en hoe slecht wordt de liefde van velen door hun
echtgenooten beloond! Ik, ongelukkige, die ik ben, heb U al meer dan
acht jaar lief gehad, ik heb U meer dan mijn leven bemind en gij,
gelijk ik bemerkt heb, brandt en verteert U geheel door de liefde voor
een vreemde vrouw, schuldige en slechte man, die gij zijt. Met wie
denkt gij nu te zijn geweest? Gij zijt samen met degene, die gij al
genoeg met valsche liefkoozingen hebt bedrogen, en dien gij liefde
voorspiegelde, terwijl gij op een ander verliefd waart. Ik ben Catella
en niet de vrouw van Ricciardo, oneerlijke bedrieger, die je bent. Hoor
of je mijn stem herkent; ik ben het wel en het schijnt mij, dat wij wel
duizend jaar moeten leven, eer ik U kan beschaamd maken zooals gij het
verdient, gemeene, schandelijke hond, die je bent. Helaas! ongelukkige,
die ik ben, voor wien heb ik zooveel jaren liefde gekoesterd? Voor dien
bedriegelijken hond, die, meenend een vreemde vrouw in de armen te
hebben, mij meer liefkoozingen en liefdesbetuigingen heeft gegeven in
dien korten tijd, dat ik met hem geweest ben dan in al den anderen, dat
ik overigens met hem leefde. Gij zijt nu, verraderlijk beest, wel goed
geweest, die tehuis U zoo zwak, overwonnen en machteloos placht te
toonen. Maar geloofd zij God, dat gij Uw veld en niet dat van een ander
hebt bewerkt, gelijk gij geloofde. Ik verwonder mij er niet over, dat
gij mij vannacht niet zijt genaderd; gij dacht elders te zijn om Uw
last af te werpen en wilde als een kersversch ridder den veldslag
beginnen, maar dank zij God en mijn slimheid is het water toch daarheen
geloopen, waar het moest. Waarom antwoordt gij niet, trouwelooze kerel?
Waarom spreekt gij hier niet over? Ben je door mij te hooren stom
geworden? Bij God, ik weet niet wat mij weerhoudt, dat ik je niet de
handen in de oogen zet en ze uitruk. Je dacht, dat verraad heelemaal in
het geheim te kunnen doen. Bij God! De een weet er net zooveel als de
ander van; het is niet gelukt. Ik heb je beter speurhonden achter de
hielen gezet dan je geloofde.
Ricciardo moest in zich zelf om die woorden lachen en zonder iets te
antwoorden omhelsde en kuste hij haar en meer dan ooit gaf hij haar
hartstochtelijke liefkoozingen. Daarop ging zij door: Ja, dacht je mij
nog met je geveinsde liefkoozingen te bedriegen, vervelende kerel, die
je bent en mij te verzoenen en tevreden te stellen? Ge hebt gedwaald.
Ik zal er nooit over getroost worden, voordat ik je er over
geschandvlekt heb in tegenwoordigheid van al de familie en buren en
vrienden, die wij hebben. Of ben ik, gemeene vent, niet net zoo mooi
als die vrouw van Ricciardo Minutolo? Ben ik ook niet edelvrouw? Waarom
antwoordt je niet, vervloekte hond? Wat heeft zij meer dan ik? Ga weg,
raak mij niet aan, want je hebt nu al te veel wapenfeiten verricht. Ik
weet wel, dat thans, nu ge weet wie ik ben, je met geweld kunt doen,
wat je hebt gedaan, maar als God mij Zijn genade geeft, zal ik je de
begeerte er naar doen gevoelen. En ik weet niet, wat mij weerhoudt, dat
ik dien Ricciardo laat komen, die mij meer dan zich zelf heeft lief
gehad en die er zich nooit op kon beroemen, dat ik hem ook maar één
keer heb aangekeken en ik weet niet of het kwaad zou zijn het te doen.
Gij hebt geloofd uwe vrouw hier te hebben en het is of gij haar gehad
hebt: in zoover dat het niet van u afhing; zoo ook ik, als ik hem had
gehad, zou jij het mij niet met recht kunnen verwijten.
Nu was het genoeg en de verwijten van de donna waren groot; toch
besloot Ricciardo denkend, dat, als hij haar in dat geloof liet, er
veel kwaad uit zou volgen zich aan haar bekend te maken en haar uit den
waan te verlossen, waarin zij was. Nadat hij haar in zijn armen had
gesloten en zoo goed had beetgepakt, dat zij zich niet kon wegrukken,
zeide hij: Mijn zoete ziel, wat ik niet door eerlijk te beminnen
vermocht, heeft Amor mij geleerd met bedrog te verkrijgen, ik ben uw
Ricciardo. Toen Catella dit hoorde en zijn stem herkende, wilde zij
zich dadelijk uit het bed werpen maar kon niet; daarom wilde zij
schreeuwen, maar Ricciardo sloot haar met een hand den mond en zeide:
Madonna, het is niet mogelijk, dat wat geschiedde, toch niet heeft
plaats gehad, al zoudt u je heele leven blijven doorschreeuwen. En
indien gij het toch zoudt doen of iets zoudt uitrichten, waardoor
iemand dit ooit merkt, zullen er twee zaken uit voortkomen. De eene zal
wezen, (waarom gij niet weinig moet geven) dat uw eer en uw goede naam
verdwenen zullen zijn, omdat, zoodra gij zegt, dat ik het hier tot
bedrog heb laten komen, ik zal zeggen, dat het niet waar is, maar u
hier heb doen komen voor geld en voor geschenken, die ik u had beloofd,
waarover gij, omdat ik ze u niet zoo mild gegeven heb, als gij hoopte,
kwaad zijt en die woorden spreekt en dit rumoer maakt. En gij weet, dat
de wereld meer geneigd is het kwade dan het goede te gelooven en daarom
zal men mij eerder gelooven dan u. Daaruit zal tusschen Uw man en mij
doodelijke vijandschap volgen en het zou kunnen gebeuren, dat ik hem
eerder zou dooden dan hij mij. En daarom, hart van mijn lichaam,
schandvlek mij niet en breng niet gelijktijdig Uw man en mij in strijd.
Gij zijt de eerste niet en zult de laatste niet zijn, die bedrogen is
en ik heb dit ook niet gedaan om U Uw man te ontnemen, maar door de
overmatige liefde, die ik U toedraag en die ik bereid ben U steeds toe
te dragen om Uw nederigste dienaar te zijn. En daar het al lang geleden
is, dat ik en mijn goederen en al wat ik kan en begeer, de Uwen zouden
geweest zijn en tot Uw dienst, ben ik van plan, dat ze het van nu af
aan meer dan ooit zullen wezen. Nu zijt gij onderricht in de andere
zaken en ik ben er zeker van, dat gij het ook hierin zult zijn. Catella
weende bitter, terwijl Ricciardo die woorden sprak, en daar zij zeer
boos was en hem zeer sterke verwijten deed, gaf zij niettemin zooveel
toe aan de waarheid van Ricciardo’s woorden, dat zij het mogelijk dacht
te gebeuren, wat Ricciardo beweerde en daarom zeide zij: Ricciardo, ik
weet niet of God de Heer mij zal toestaan de beleediging en het bedrog
te verduren, die gij mij hebt aangedaan; ik wil hier niet schreeuwen,
waar mijn onnoozelheid en mijn bovenmatige jaloerschheid mij gebracht
hebben; maar wees van één ding zeker, dat ik nooit weer blijmoedig zou
zijn, eer ik mij op een of andere wijze zal hebben gewroken over
hetgeen gij mij hebt gedaan. En laat mij daarom los, houdt mij niet
langer vast. Gij hebt gehad, wat gij verlangd hebt en gij hebt mij
bedrogen gelijk U beviel. Het is nu tijd om te eindigen. Laat mij los,
bid ik U.
Ricciardo, die zag, dat haar geest nog veel te vertoornd was, had zich
voorgenomen haar nooit los te laten, voor hij van haar den vrede had
verkregen. Daarom begon hij haar met zeer zachte woorden te verzoenen
en zei haar zooveel en bad en bezwoer haar zoo, dat zij, overwonnen,
goed met hem werd. En met wederzijdsch goedvinden bleven zij langen
tijd daarna met het grootste genoegen bijeen. En toen de donna bevond,
hoeveel zoeter de kussen waren van den minnaar dan van den echtgenoot,
verkeerde haar hardheid jegens Ricciardo in teedere liefde en zij
beminde hem vanaf dien dag zeer innig en daar zij heel slim te werk
gingen, hadden zij menigmaal genoegen van hun liefde. God late ons van
de onze genieten.