VIJFDE VERTELLING.

Il Zima geeft aan messire Francesco Vergellesi een paard voor het

verlof met zijn vrouw te mogen spreken. Daar zij echter zwijgt,

geeft hij zelf in haar naam antwoord en alles geschiedt volgens

zijn woorden. [54]

Pamfilo had niet zonder gelach van de donna, de geschiedenis van

broeder Puccio geëindigd, toen de koningin met vrouwelijke gratie Elisa

gelastte om te volgen. Deze op hooger toon dan gewoonlijk—niet uit

kwaadwilligheid maar oudergewoonte,—begon aldus te spreken:

Vele gelooven, doordat zij veel weten, dat anderen niets weten, zoodat

zij zeer dikwijls, terwijl ze anderen meenen voor den mal te houden,

zich later door anderen misleid zien. Daarom noem ik het een groote

dwaasheid van ieder noodeloos de slimheid van een ander op de proef te

stellen. Maar, omdat wellicht niet elkeen van mijn meening zal zijn,

heb ik lust u te vertellen wat een pistojaansch ridder overkwam,

terwijl ik den vastgestelden regel nakom.

Er leefde in Pistoja uit de familie der Vergellesi een ridder, messire

Francesco genaamd, een zeer rijk en wijs man, in alles behoedzaam, maar

buitengewoon gierig. Hij moest als gevolmachtigde naar Milaan gaan en

had zich van al het noodige voorzien om voornaam op reis te gaan

behalve van een paard, dat hij mooi vond. Daar hij er geen machtig

werd, dat hem beviel, bleef hij er over nadenken. Er was toen in

Pistoja een jonkman, die Ricciardo heette, van nederige afkomst maar

zeer rijk, die zoo netjes en verfijnd was, dat hij gewoonlijk door

iedereen il Zima (de fat) werd genoemd. Hij begeerde lang hopeloos

diens vrouw, welke zeer schoon en eerbaar was. Nu had hij een van de

mooiste sierpaarden van Toscane en hield er zeer veel van om zijn

schoonheid. Daar iedereen wist, dat hij de vrouw van messire Francesco

beminde, zeide iemand deze, dat, indien hij het hem vroeg, hij het zou

krijgen door de liefde, die il Zima zijn vrouw toedroeg.

Messire Francesco door gierigheid geprikkeld liet il Zima bij zich

roepen, en vroeg hem zijn paard te koop, opdat il Zima het hem ten

geschenke zou geven. Il Zima, die dit hoorde, beviel dit en antwoordde

den ridder: Heer, indien gij mij alles ter wereld gaaft, wat gij hebt,

zoudt gij door aankoop mijn paard niet kunnen verkrijgen, maar gij kunt

het ten geschenke ontvangen, wanneer het u belieft, onder deze

voorwaarde: dat ik, vóór gij het neemt, met uw goedvinden en in uw

tegenwoordigheid eenige woorden mag spreken met uw vrouw, maar zoo van

iedereen afgezonderd, dat ik door niemand dan door haar verstaan wordt.

De ridder aangespoord door hebzucht en die hoopte hem voor den gek te

houden, antwoordde, dat het hem aanstond. Wanneer hij zou willen, mocht

hij, toen hij hem in de zaal van zijn paleis had gelaten, naar de kamer

van zijn vrouw gaan en na haar gezegd te hebben, dat hij gemakkelijk

het sierpaard kon winnen, gebood hij haar il Zima aan te hooren, maar

dat zij wel moest oppassen, dat zij op niets, wat hij zeide, weinig of

veel zou antwoorden. De donna misprees dit zeer, maar daar zij zich er

in schikte den zin van haar echtgenoot te volgen, zeide zij het toch te

zullen doen. Daarop ging de man naar de zaal om te hooren, wat il Zima

zou zeggen. Daar deze met den ridder de overeenkomst hernieuwd had,

ging hij op een plaats in de zaal, ver genoeg verwijderd van elk ander

mensch met de donna zitten en begon aldus te spreken:

Waarde donna, het schijnt mij zeker, dat gij zoo wijs zijt, dat gij

reeds langen tijd wel hebt kunnen begrijpen, tot welk een liefde mij uw

schoonheid heeft kunnen voeren, welke zonder twijfel die van ieder

andere vrouw overtreft, die mij ooit verscheen. Ik laat nu de

lofwaardige manieren en de bijzondere deugden terzijde, die gij bezit,

en die de kracht hebben het trotsche hart van elk man te stelen en

daarom is het niet noodig, dat ik u met woorden bewijs, dat mijn liefde

de grootste en de hevigste is, die ooit een man een vrouw toedroeg. En

zonder twijfel zal ik dit doen, zoolang mijn ellendig leven deze

ledematen zal dragen en nog langer, want als men daarboven lief heeft

als hier, zal ik u eeuwig beminnen. Daarom kunt gij er zeker van zijn,

dat gij niets hebt, hetzij het kostbaar is of gewoon, dat gij zóó als

het uwe kunt beschouwen en waarop gij in alles zóó kunt rekenen als op

mij en evenzoo op al wat ik bezit. Opdat gij hiervan een zeker bewijs

hebt, zeg ik u, dat ik het mijn grootste gunst zou noemen, als gij mij

iets zoudt gelasten, dat ik om u te behagen, zou mogen doen en ik zou

daar meer op gesteld zijn dan dat de geheele wereld mij zou

gehoorzamen, als ik te bevelen had. En nu ik zóó de uwe ben als gij

gehoord hebt, zal ik mij niet zonder reden beijveren mijn beden naar uw

heerlijkheid te richten, waar alleen al mijn vrede, al mijn geluk en al

mijn heil van kan komen en niet van elders. En wanneer ik u als uw

nederigste dienaar smeek, mijn dierbaarst goed en eenige hoop van mijn

ziel, die leeft voor het liefdevuur, waarin hij op u vertrouwt, laat

dan uw welwillendheid zoodanig zijn en de hardheid, die gij jegens mij

getoond hebt, zoo verzacht worden, dat ik door uw medelijden gesterkt

kan zeggen, aan uw schoonheid, waardoor ik verliefd ben, het leven te

danken te hebben, zoodat ik, als uw trotsche geest zich niet voor mij

buigt, zonder twijfel zal verzwakken en sterven en dat gij dan mijn

moordenaarster kunt genoemd worden. Daar latend, dat mijn dood u geen

eer zou verschaffen, geloof ik niettemin, dat uw geweten u soms zou

kwellen, omdat gij dit niet hadt moeten doen en gij zoudt soms, beter

gestemd, tot u zelf zeggen: Helaas, wat een kwaad heb ik gedaan,

doordat ik geen medelijden had met mijn il Zima en daar dit berouw u

niet zou baten, zou het voor u de oorzaak zijn van nog grooter

verdriet. Opdat dit niet gebeurt, nu gij aan mij denken kunt, denk er

daarom nu aan, en wordt, voor ik sterf, door medelijden bewogen, omdat

het van u alleen afhangt mij den gelukkigsten zoowel als den

ongelukkigsten man te maken, die er leeft. Ik hoop, dat uw

welwillendheid zoo groot zal zijn niet te zullen dulden, dat ik door

zulk een en door zoodanige liefde den dood als loon ontvang, maar dat

gij met een blijmoedig antwoord en vol gratie mijn geest zult

versterken, welke geheel verschrikt siddert bij uw aanblik. En toen

zwijgend kwamen hem na zeer diepe zuchten eenige tranen in de oogen en

begon hij te wachten op wat de donna hem zou antwoorden.

De donna, die het lange zuchten, zijn wapenspelen, zijn aubaden, en

andere gelijksoortige liefdebetuigingen van il Zima niet hadden kunnen

bewegen, roerden de liefdevolle woorden van den zeer vurigen minnaar en

zij begon te gevoelen, wat zij nooit van te voren had gevoeld namelijk,

wat liefde is. En hoewel zij, om het bevel van den echtgenoot te

volgen, zweeg, kon daarom echter niet een zucht dat verbergen, wat zij,

als zij il Zima had kunnen antwoorden, getoond had. Il Zima, die een

wijle gewacht had en die zag, dat geen antwoord volgde, verbaasde zich

en begon daarna de list te bemerken door den cavaliere gebruikt, maar

toch zag hij haar aan en merkte, dat zij hem soms blikken toewierp en

bespeurde bovendien, dat zij zuchten slaakte, welke zij haar best deed

niet met al hun kracht uit haar borst te doen ontsnappen. Hij vatte

toen goeden moed en met behulp daarvan vormde hij een nieuw plan en

begon, of hij de donna was, en zij naar hem hoorde, zich zelf op deze

wijze te antwoorden:

Mijn Zima, zonder twijfel heb ik al lang gemerkt, dat Uw liefde jegens

mij zeer groot en volmaakt was en ik ken haar nu nog beter door Uw

woorden en ben hier gelukkig mee gelijk ik moet. Evenwel, zoo ik U hard

heb moeten schijnen en wreed, wil ik niet, dat gij gelooft, dat ik in

mijn ziel geweest ben, wat ik met het gelaat heb geveinsd; integendeel,

heb ik U steeds lief gehad en zijt gij mij boven ieder ander man

dierbaar geweest, maar zoo moest ik doen zoowel uit vrees voor anderen

als om den naam van mijn eerbaarheid te dienen. Maar thans komt de

tijd, waarin ik U klaar kan toonen, dat ik U lief heb en U als loon van

die liefde wat kan terug geven, die gij mij toe hebt gedragen en nog

toedraagt. Houdt daarom moed en blijf hopen, daar messire Francesco

binnen enkele dagen naar Milaan moet gaan als gezant, gelijk gij weet,

omdat gij uit liefde tot mij hem het sierpaard hebt geschonken. Zoodra

hij heen zal zijn gegaan, beloof ik U zonder twijfel bij mijn geloof in

God en bij de goede liefde, die ik U toedraag, dat gij in enkele dagen

bij mij zult zijn en dan zullen wij onze liefde heerlijk en geheel

bevredigen. En opdat ik U niet weer noodig heb hierover te spreken,

zult gij binnen weinige dagen twee mutsen aan het venster van mijn

kamer zien hangen, welke zich boven onzen tuin bevindt, en de avond van

dien nacht moet gij oppassen, dat gij niet gezien wordt, opdat gij mij

bij de tuindeur komt zoeken. Daar zult gij mij vinden, waar ik U zal

wachten en wij zullen den ganschen nacht verheugd zijn en van elkaar

genieten, gelijk wij verlangen.

Toen il Zima aldus had gesproken in plaats van de donna, begon hij weer

voor zich te spreken en antwoordde: Zeer geliefde donna, de overmatige

vreugde, die uw antwoord mij veroorzaakte, heeft mijn kracht zoo in

beslag genomen, dat ik ternauwernood een antwoord kan schenken om de

door u gegeven gunsten te vergelden. Als ik kon spreken gelijk ik

wensch, zou ik geen lang genoeg antwoord kunnen vinden, dat mij voldoen

zou om u ganschelijk te bedanken en gelijk mij past te doen. Daarvoor

laat ik het aan uw kiesche zienswijze over te erkennen, wat ik, hoewel

ik het verlang, niet met woorden u kan zeggen. Alleen zeg ik u, dat ik

stellig denk niet anders te handelen dan op uw bevel en misschien meer

verzekerd van het zoo groote geschenk, dat gij mij hebt toegestaan zal

ik mijn best doen u mijn dank te toonen, zooveel mij dit mogelijk is.

Er blijft ons niets anders te zeggen voor het oogenblik en daarom mijn

allerliefste donna, geve God u die, blijmoedigheid en dat heil, dat gij

het meest verlangt en beveel ik u Gode aan.

De donna sprak bij dit alles geen woord, daarop stond il Zima op en

begon zich naar den ridder te wenden, die dit zag, hem tegemoet kwam en

lachend zeide: Hoe bevalt het je? Heb ik mijn belofte niet goed aan je

gehouden? Neen, heer, antwoordde il Zima, want gij hebt mij beloofd mij

met uw vrouw te laten spreken en gij hebt mij laten praten tegen een

marmer beeld. Dit woord beviel zeer aan den ridder, die daarbij een

goede meening over de vrouw had en een nog betere kreeg en zeide: Nu

behoort toch het sierpaard wel aan mij, dat het uwe was? Hierop

antwoordde il Zima: Ja, heer, maar als ik van die gunst het gevolg had

kunnen verkrijgen, dat ik er van verkregen heb, had ik het U gegeven

zonder het te vragen en had het God nu maar behaagd, dat gij het paard

van mij gekocht had voor geld, dan zou ik het U op die manier niet

verkocht hebben. De ridder lachte hierom en voorzien van het sierpaard

ging hij een paar dagen daarna op reis en begaf zich belast met de

volmacht naar Milaan. De donna, vrij achtergebleven in haar huis,

herinnerde zich de woorden van il Zima, dacht aan de liefde, die hij

haar toedroeg en zag hem dikwijls haar huis voorbijgaan. Ze zeide toen

tot zich zelf: Wat doe ik? Waarom verlies ik mijn jeugd? Hij is naar

Milaan gegaan en zal er in geen zes maanden vandaan komen en wanneer

zal ik mijn schade ooit kunnen inhalen? Wanneer ik oud ben? En

bovendien, wanneer zal ik ooit zulk een minnaar als il Zima

terugvinden? Ik ben alleen en ik heb angst voor niemand. Ik weet niet,

waarom ik van de goede gelegenheid geen gebruik zou maken, als ik kan.

Ik zal niet steeds tijd hebben gelijk nu en niemand zal dit ooit weten.

En als hij het later mocht weten, is het beter het te doen en er berouw

over te hebben dan er alleen berouw over te gevoelen en het te hebben

gelaten. En na aldus met zich zelf te hebben overlegd, plaatste zij op

een goeden dag twee mutsen aan het venster van den tuin, gelijk il Zima

gezegd had. Toen deze dit zag, ging hij, toen het nacht was geworden,

zeer verheugd heimelijk en alleen naar den uitgang van den tuin van de

donna en vond dien open en vervolgens trad hij door een andere deur het

huis in, waar hij de edelvrouw vond, die hem wachtte. Zij zag hem

komen, stond voor hem op en ontving hem met de grootste vreugde, en hij

omhelsde en kuste haar honderdduizend maal en volgde haar de trap op.

Zonder verwijl gingen zij naar bed en kenden zij de hoogste genietingen

der liefde. Evenwel was die eerste keer de laatste niet, omdat, terwijl

de ridder te Milaan was en nog na zijn terugkeer il Zima er vele van de

andere malen terugkwam tot groot genoegen van alle partijen.

De Decamerone van Boccaccio · 第 30 / 116 题