Don Felice leert aan broeder Puccio [50], hoe die gelukzalig kan
worden door een zeker soort boete. Terwijl broeder Puccio [51] dit
doet, maakt don Felice met diens vrouw van de gelegenheid gebruik.
Toen Filomena na haar verhaal geëindigd te hebben, zweeg en Dioneo met
zoete woorden de slimheid van de donna geprezen had en vooral het gebed
aan het slot door Filomena gedaan, keerde de koningin zich lachend tot
Pamfilo en zeide: Welnu Pamfilo, zet met een of ander aardig verhaal
ons vermaak voort. Pamfilo antwoordde haastig, dat hij het gaarne deed
en begon: Madonna er zijn genoeg menschen, die, terwijl ze zich
beijveren in het Paradijs te komen, zonder het te merken er anderen
heen sturen, wat een onzer buurvrouwen nog niet lang geleden overkwam,
gelijk gij zult kunnen vernemen.
Naar wat ik heb hooren zeggen, leefde er vroeger bij San Brancazio [52]
een goed en rijk man, die Puccio de Rinieri heette, en, geheel opgegaan
in het geestelijke, een leekebroeder werd van de orde van Sint
Franciscus en broeder Puccio genoemd werd. Daar hij dit geestelijk
leven volgde en geen andere familie had dan een vrouw en een
dienstmaagd, en bijgevolg niet noodig had een beroep uit te oefenen,
ging hij veel naar de kerk. Omdat hij een onnoozel man was en van grof
maaksel, prevelde hij zijn paternoster, liep naar de preeken, woonde de
missen bij en ontbrak nooit bij de lofzangen, die de leekebroeders
zongen en hij vastte, geeselde zich zelf en trompette, daar hij tot de
flagellanten [53] behoorde. De ega, die vrouw Isabella heette, nog
jeugdig, tusschen de twintig en dertig jaar, frisch, mooi en rond als
een granaatappel, moest veel te lang door de heiligheid en misschien
door den leeftijd van haar man zich veel meer genietingen ontzeggen dan
haar lief was. Wanneer zij had willen slagen of misschien zich met hem
had willen verheugen, vertelde hij haar het leven van Christus, en de
preeken van broeder Nastagio of de klacht van Magdalena en zoo meer. In
dien tijd kwam er van Parijs een monnik, sinjeur Félix genaamd, een
kloosterbroeder van San Brancazio, jong en knap, met een scherpe kop en
van groote geleerdheid, die met broeder Puccio een enge vriendschap
sloot. En omdat deze hem elken twijfel ophelderde en bovendien met zijn
toestand bekend, zich als een zeer heilig man voordeed, nam broeder
Puccio de gewoonte aan, hem dikwijls thuis te brengen en hem voor het
avondeten te verzoeken, zoodra hij er gelegenheid toe had en de donna
van haar kant uit liefde voor broeder Puccio was zijn vriendin geworden
en deed hem gaarne eer aan.
Daar de monnik voortging het huis van fra Puccio te bezoeken en hij
zag, dat de vrouw zoo frisch en rond was, begreep hij, waaraan zij het
grootste gebrek had en hij had plan, indien hij kon om broeder Puccio
van die moeite te ontslaan door hem te vervangen. Hij wierp haar
meermalen een heimelijken lonk toe en deed dit, tot hij in haar geest
hetzelfde verlangen had opgewekt. Toen de monnik dit had gezien, sprak
hij bij de eerste gelegenheid met haar over zijn genegenheid. Maar
hoewel hij haar geneigd vond om de zaak tot een goed einde te voeren,
wist hij geen middel te vinden, omdat zij op geen plaats ter wereld
zich aan den monnik wilde toevertrouwen dan in haar huis en daar kon
het niet, omdat fra Puccio nooit uit de stad ging, waarover de monnik
zeer bedroefd was. En na veel gepeins kwam hij op een middel om met de
donna in haar huis te zijn zonder argwaan, hoewel broeder Puccio er ook
was. Op een dag was hij bij deze en sprak aldus: Ik heb al meermalen
begrepen, broeder Puccio, dat Uw geheele verlangen is een heilige te
worden, en mij schijnt het, dat gij dit zult bereiken langs een langen
weg, terwijl er een zeer korte bestaat, welken de Paus en de andere
hooge prelaten kennen. Maar zij maken er gebruik van en houden dien
geheim, omdat de geestelijkheid, die vooral van aalmoezen leeft,
dadelijk zou geruïneerd zijn, wanneer de leeken ze niet meer met
aalmoezen of met iets anders hielpen. Maar daar gij mijn vriend zijt en
mij dikwijls goed hebt ontvangen en ik daarom geloof, dat gij het aan
geen mensch ter wereld zult vertellen en dien weg wilt volgen, zal ik U
dien wijzen. Broeder Puccio verlangend dit te weten, begon eerst met de
grootste standvastigheid te bidden, dat hij hem dien leerde en hem te
zweren, dat hij, tenzij de ander het wilde, nooit het aan iemand zou
zeggen en beweerde, dat, als hij dien kon volgen, hij het zou doen. Nu
gij mij dat belooft, zeide de monnik, zal ik U dien ook wijzen. Gij
moet weten, dat de heilige Kerkvaders volhouden, dat het noodig is voor
wie zalig wil worden om de boete te doen, die gij zult vernemen, maar
luister wel: ik zeg niet, dat gij na de boete geen zondaar zult zijn
als thans, maar de zonden, die gij hebt bedreven tot op het oogenblik
der boete, zullen allen uitgewischt worden en zullen U daardoor
vergeven worden en die, welke gij later zult bedrijven, zullen niet
opgeschreven worden tot Uw verderf, maar zullen daarentegen met
wijwater verdwijnen als licht kwaad. Men moet dus vooral met grooten
ijver beginnen zijn zonden te bekennen, wanneer men de boete begint en
daarna vasten en zich zeer onthouden, wat veertig dagen moet duren,
waarin gij niet slechts geen andere vrouw, maar ook Uw eigen vrouw niet
moogt aanraken. Bovendien moet gij in Uw eigen huis een plaats kiezen,
waar gij ’s nachts den hemel kunt zien, op het uur van de lofzangen na
den vesper daarheen gaan en gij moet daar een zeer breede tafel
plaatsen, zoo gezet, dat gij, als gij overeind staat, er de ribben op
kunt steunen en de voeten uitstrekkend naar de aarde de armen kunt
uitbreiden in de gedaante van een kruis. Als gij de handen aan een paar
palen wilt vasthouden, kunt gij dit ook doen. Op die manier moet gij
naar den hemel staren en stil blijven zonder u te bewegen tot aan den
morgen. Indien gij geletterd waart, zou het goed zijn, dat gij
onderwijl zekere woorden zoudt spreken, die ik u zou opgeven, maar daar
dit niet zoo is, past het u driehonderd paternosters te prevelen met
drie honderd ave maria’s ter eere van de Drie-Eenheid, en terwijl gij
naar den hemel ziet, moet gij er steeds aan denken, dat God de schepper
was van hemel en aarde en aan het lijden van Christus, zoo staande als
hij aan het kruis. Dan als de vroegmetten luiden, kunt gij als gij
wilt, gaan en u zoo gekleed te bed werpen en slapen en den ochtend
daarna moet gij naar de kerk gaan en daar op zijn minst drie missen
hooren, vijftig paternosters opzeggen en evenveel ave’s. Daarna kunt
gij in eenvoud des harten zaken doen, indien gij dezen hebt, dan
middagmalen en vervolgens tijdens den vesper in de kerk zijn Dan zult
gij eenige gebeden opzeggen, die ik u geschreven zal geven, zonder
welke het anders niet lukt en eindelijk weer op dezelfde wijze
voortgaan. Als gij zoo zult handelen gelijk ik reeds vroeger, hoop ik,
dat gij, voor het einde van uwe boete komt, de wonderbaarlijke
gewaarwording der eeuwige zaligheid zult gevoelen, indien gij die boete
vroom hebt gedaan.
Broeder Puccio zeide toen: Dat is zoo moeilijk niet en niet zoo erg
langdurig en is best uit te voeren. Daartoe wil ik in Gods naam Zondag
beginnen. Hij vertrok, ging naar huis en vertelde met zijn verlof alles
stipt aan zijn vrouw. De echtgenoote begreep maar al te wel, wat de
monnik er mee voor had, dat hij tot den morgen zonder zich te verroeren
op een plaats zou blijven. Zij zeide, dat het middel haar zeer goed
scheen, dat zij tevreden was, als hij op alle manieren zijn zin zou
volgen en dat, opdat God zijn boete voordeelig zou maken, zij met hem
zou vasten, maar meer niet. Zij werden het dus eens en toen het Zondag
was, begon broeder Puccio zijn boete en de heer monnik kwam met de
donna samen, op een uur, dat hij niet kon gezien worden, gebruikte
meestentijds ’s avonds met haar het maal, zorgde er steeds voor goed te
eten en te drinken en legde zich dan met haar te slapen, waarna hij,
als hij was opgestaan, heenging en broeder Puccio zich te bed begaf. De
plaats, die broeder Puccio voor zijn boete had uitgekozen, terzijde van
die, waar de donna sliep, was hiervan slechts door een dunnen muur
gescheiden. Terwijl nu de monnik bij zijn geestelijke oefeningen met de
donna en zij met hem wat al te heftig te werk ging, scheen het broeder
Puccio, dat de planken vloer van het huis door beweging schudde.
Derhalve, nadat hij honderd van zijn paternosters had opgezegd, hield
hij op, riep de donna zonder zich te bewegen en vroeg haar, wat zij
deed. De donna, die vroolijk geluimd was en misschien het paard van San
Benedetto bereed of dat van San Giovanni Gualberto, antwoordde: Bij
God, man, ik beweeg mij zoo hard ik kan. Toen zeide broeder Puccio:
Waarom beweegt gij u? Wat wil dat bewegen bij u beduiden? De donna
lachend en in vroolijke stemming, daar zij een schelmsche vrouw was en
ze zeker reden had om te lachen, hernam: Waarom weet gij niet, wat ik
wil zeggen? Ik heb het al duizend keer van u gehoord: Wie ’s avonds
niet eet, woelt den ganschen nacht.
Broeder Puccio geloofde, dat het vasten de reden was, dat zij niet kon
slapen; daarom zeide hij goedgeloovig: Vrouw, ik heb het U wel gezegd,
niet vasten; maar daar gij het toch hebt willen doen, denk daar dan
niet aan, maar tracht rust te nemen. Gij geeft zulke schokken aan het
bed, dat gij alles doet schudden. De donna antwoordde: Maak U niet
ongerust; ik weet wel wat ik doe. Gaat gij Uw gang maar, ik zal wel
goed doen, wat ik kan. Broeder Puccio hield zich stil en begon weer met
zijn paternosters. Vanaf dien nacht lieten de donna en mijnheer de
monnik in een ander deel van het huis een bed opmaken, waarin, zoolang
de boete van broeder Puccio duurde, zij met het grootste genoegen samen
waren. Op een bepaald uur ging de monnik weg en keerde de donna naar
haar eigen bed terug en kort daarop kwam broeder Puccio van de boete
daarheen. Terwijl aldus de broeder de boete volhield en de donna met
den monnik haar genoegen voortzette, zeide zij meermalen schertsend tot
hem: Gij laat broeder Puccio een boete doen, waardoor wij het paradijs
hebben gewonnen. En daar dit heel goed scheen te bevallen aan de vrouw,
raakte zij zoo gewend aan de verboden vrucht van den monnik, terwijl
zij door haar echtgenoot lang op dieet was gehouden, dat, toen eenmaal
de boete van broeder Puccio eindigde, zij een middel zocht om aldus met
dezen daarvan te eten en zij maakte er in stilte nog veel gebruik van.
Daarom, opdat mijn laatste woorden niet in strijd zijn met de eerste,
meende broeder Puccio, dat hij zich het paradijs zou winnen en bracht
den monnik er in, die hem daarheen den weg had gewezen en aan zijn
vrouw, die met hem in groot gebrek leefde aan datgene, waarvan de
monnik haar barmhartig voorzag.