VIERDE VERTELLING.

Don Felice leert aan broeder Puccio [50], hoe die gelukzalig kan

worden door een zeker soort boete. Terwijl broeder Puccio [51] dit

doet, maakt don Felice met diens vrouw van de gelegenheid gebruik.

Toen Filomena na haar verhaal geëindigd te hebben, zweeg en Dioneo met

zoete woorden de slimheid van de donna geprezen had en vooral het gebed

aan het slot door Filomena gedaan, keerde de koningin zich lachend tot

Pamfilo en zeide: Welnu Pamfilo, zet met een of ander aardig verhaal

ons vermaak voort. Pamfilo antwoordde haastig, dat hij het gaarne deed

en begon: Madonna er zijn genoeg menschen, die, terwijl ze zich

beijveren in het Paradijs te komen, zonder het te merken er anderen

heen sturen, wat een onzer buurvrouwen nog niet lang geleden overkwam,

gelijk gij zult kunnen vernemen.

Naar wat ik heb hooren zeggen, leefde er vroeger bij San Brancazio [52]

een goed en rijk man, die Puccio de Rinieri heette, en, geheel opgegaan

in het geestelijke, een leekebroeder werd van de orde van Sint

Franciscus en broeder Puccio genoemd werd. Daar hij dit geestelijk

leven volgde en geen andere familie had dan een vrouw en een

dienstmaagd, en bijgevolg niet noodig had een beroep uit te oefenen,

ging hij veel naar de kerk. Omdat hij een onnoozel man was en van grof

maaksel, prevelde hij zijn paternoster, liep naar de preeken, woonde de

missen bij en ontbrak nooit bij de lofzangen, die de leekebroeders

zongen en hij vastte, geeselde zich zelf en trompette, daar hij tot de

flagellanten [53] behoorde. De ega, die vrouw Isabella heette, nog

jeugdig, tusschen de twintig en dertig jaar, frisch, mooi en rond als

een granaatappel, moest veel te lang door de heiligheid en misschien

door den leeftijd van haar man zich veel meer genietingen ontzeggen dan

haar lief was. Wanneer zij had willen slagen of misschien zich met hem

had willen verheugen, vertelde hij haar het leven van Christus, en de

preeken van broeder Nastagio of de klacht van Magdalena en zoo meer. In

dien tijd kwam er van Parijs een monnik, sinjeur Félix genaamd, een

kloosterbroeder van San Brancazio, jong en knap, met een scherpe kop en

van groote geleerdheid, die met broeder Puccio een enge vriendschap

sloot. En omdat deze hem elken twijfel ophelderde en bovendien met zijn

toestand bekend, zich als een zeer heilig man voordeed, nam broeder

Puccio de gewoonte aan, hem dikwijls thuis te brengen en hem voor het

avondeten te verzoeken, zoodra hij er gelegenheid toe had en de donna

van haar kant uit liefde voor broeder Puccio was zijn vriendin geworden

en deed hem gaarne eer aan.

Daar de monnik voortging het huis van fra Puccio te bezoeken en hij

zag, dat de vrouw zoo frisch en rond was, begreep hij, waaraan zij het

grootste gebrek had en hij had plan, indien hij kon om broeder Puccio

van die moeite te ontslaan door hem te vervangen. Hij wierp haar

meermalen een heimelijken lonk toe en deed dit, tot hij in haar geest

hetzelfde verlangen had opgewekt. Toen de monnik dit had gezien, sprak

hij bij de eerste gelegenheid met haar over zijn genegenheid. Maar

hoewel hij haar geneigd vond om de zaak tot een goed einde te voeren,

wist hij geen middel te vinden, omdat zij op geen plaats ter wereld

zich aan den monnik wilde toevertrouwen dan in haar huis en daar kon

het niet, omdat fra Puccio nooit uit de stad ging, waarover de monnik

zeer bedroefd was. En na veel gepeins kwam hij op een middel om met de

donna in haar huis te zijn zonder argwaan, hoewel broeder Puccio er ook

was. Op een dag was hij bij deze en sprak aldus: Ik heb al meermalen

begrepen, broeder Puccio, dat Uw geheele verlangen is een heilige te

worden, en mij schijnt het, dat gij dit zult bereiken langs een langen

weg, terwijl er een zeer korte bestaat, welken de Paus en de andere

hooge prelaten kennen. Maar zij maken er gebruik van en houden dien

geheim, omdat de geestelijkheid, die vooral van aalmoezen leeft,

dadelijk zou geruïneerd zijn, wanneer de leeken ze niet meer met

aalmoezen of met iets anders hielpen. Maar daar gij mijn vriend zijt en

mij dikwijls goed hebt ontvangen en ik daarom geloof, dat gij het aan

geen mensch ter wereld zult vertellen en dien weg wilt volgen, zal ik U

dien wijzen. Broeder Puccio verlangend dit te weten, begon eerst met de

grootste standvastigheid te bidden, dat hij hem dien leerde en hem te

zweren, dat hij, tenzij de ander het wilde, nooit het aan iemand zou

zeggen en beweerde, dat, als hij dien kon volgen, hij het zou doen. Nu

gij mij dat belooft, zeide de monnik, zal ik U dien ook wijzen. Gij

moet weten, dat de heilige Kerkvaders volhouden, dat het noodig is voor

wie zalig wil worden om de boete te doen, die gij zult vernemen, maar

luister wel: ik zeg niet, dat gij na de boete geen zondaar zult zijn

als thans, maar de zonden, die gij hebt bedreven tot op het oogenblik

der boete, zullen allen uitgewischt worden en zullen U daardoor

vergeven worden en die, welke gij later zult bedrijven, zullen niet

opgeschreven worden tot Uw verderf, maar zullen daarentegen met

wijwater verdwijnen als licht kwaad. Men moet dus vooral met grooten

ijver beginnen zijn zonden te bekennen, wanneer men de boete begint en

daarna vasten en zich zeer onthouden, wat veertig dagen moet duren,

waarin gij niet slechts geen andere vrouw, maar ook Uw eigen vrouw niet

moogt aanraken. Bovendien moet gij in Uw eigen huis een plaats kiezen,

waar gij ’s nachts den hemel kunt zien, op het uur van de lofzangen na

den vesper daarheen gaan en gij moet daar een zeer breede tafel

plaatsen, zoo gezet, dat gij, als gij overeind staat, er de ribben op

kunt steunen en de voeten uitstrekkend naar de aarde de armen kunt

uitbreiden in de gedaante van een kruis. Als gij de handen aan een paar

palen wilt vasthouden, kunt gij dit ook doen. Op die manier moet gij

naar den hemel staren en stil blijven zonder u te bewegen tot aan den

morgen. Indien gij geletterd waart, zou het goed zijn, dat gij

onderwijl zekere woorden zoudt spreken, die ik u zou opgeven, maar daar

dit niet zoo is, past het u driehonderd paternosters te prevelen met

drie honderd ave maria’s ter eere van de Drie-Eenheid, en terwijl gij

naar den hemel ziet, moet gij er steeds aan denken, dat God de schepper

was van hemel en aarde en aan het lijden van Christus, zoo staande als

hij aan het kruis. Dan als de vroegmetten luiden, kunt gij als gij

wilt, gaan en u zoo gekleed te bed werpen en slapen en den ochtend

daarna moet gij naar de kerk gaan en daar op zijn minst drie missen

hooren, vijftig paternosters opzeggen en evenveel ave’s. Daarna kunt

gij in eenvoud des harten zaken doen, indien gij dezen hebt, dan

middagmalen en vervolgens tijdens den vesper in de kerk zijn Dan zult

gij eenige gebeden opzeggen, die ik u geschreven zal geven, zonder

welke het anders niet lukt en eindelijk weer op dezelfde wijze

voortgaan. Als gij zoo zult handelen gelijk ik reeds vroeger, hoop ik,

dat gij, voor het einde van uwe boete komt, de wonderbaarlijke

gewaarwording der eeuwige zaligheid zult gevoelen, indien gij die boete

vroom hebt gedaan.

Broeder Puccio zeide toen: Dat is zoo moeilijk niet en niet zoo erg

langdurig en is best uit te voeren. Daartoe wil ik in Gods naam Zondag

beginnen. Hij vertrok, ging naar huis en vertelde met zijn verlof alles

stipt aan zijn vrouw. De echtgenoote begreep maar al te wel, wat de

monnik er mee voor had, dat hij tot den morgen zonder zich te verroeren

op een plaats zou blijven. Zij zeide, dat het middel haar zeer goed

scheen, dat zij tevreden was, als hij op alle manieren zijn zin zou

volgen en dat, opdat God zijn boete voordeelig zou maken, zij met hem

zou vasten, maar meer niet. Zij werden het dus eens en toen het Zondag

was, begon broeder Puccio zijn boete en de heer monnik kwam met de

donna samen, op een uur, dat hij niet kon gezien worden, gebruikte

meestentijds ’s avonds met haar het maal, zorgde er steeds voor goed te

eten en te drinken en legde zich dan met haar te slapen, waarna hij,

als hij was opgestaan, heenging en broeder Puccio zich te bed begaf. De

plaats, die broeder Puccio voor zijn boete had uitgekozen, terzijde van

die, waar de donna sliep, was hiervan slechts door een dunnen muur

gescheiden. Terwijl nu de monnik bij zijn geestelijke oefeningen met de

donna en zij met hem wat al te heftig te werk ging, scheen het broeder

Puccio, dat de planken vloer van het huis door beweging schudde.

Derhalve, nadat hij honderd van zijn paternosters had opgezegd, hield

hij op, riep de donna zonder zich te bewegen en vroeg haar, wat zij

deed. De donna, die vroolijk geluimd was en misschien het paard van San

Benedetto bereed of dat van San Giovanni Gualberto, antwoordde: Bij

God, man, ik beweeg mij zoo hard ik kan. Toen zeide broeder Puccio:

Waarom beweegt gij u? Wat wil dat bewegen bij u beduiden? De donna

lachend en in vroolijke stemming, daar zij een schelmsche vrouw was en

ze zeker reden had om te lachen, hernam: Waarom weet gij niet, wat ik

wil zeggen? Ik heb het al duizend keer van u gehoord: Wie ’s avonds

niet eet, woelt den ganschen nacht.

Broeder Puccio geloofde, dat het vasten de reden was, dat zij niet kon

slapen; daarom zeide hij goedgeloovig: Vrouw, ik heb het U wel gezegd,

niet vasten; maar daar gij het toch hebt willen doen, denk daar dan

niet aan, maar tracht rust te nemen. Gij geeft zulke schokken aan het

bed, dat gij alles doet schudden. De donna antwoordde: Maak U niet

ongerust; ik weet wel wat ik doe. Gaat gij Uw gang maar, ik zal wel

goed doen, wat ik kan. Broeder Puccio hield zich stil en begon weer met

zijn paternosters. Vanaf dien nacht lieten de donna en mijnheer de

monnik in een ander deel van het huis een bed opmaken, waarin, zoolang

de boete van broeder Puccio duurde, zij met het grootste genoegen samen

waren. Op een bepaald uur ging de monnik weg en keerde de donna naar

haar eigen bed terug en kort daarop kwam broeder Puccio van de boete

daarheen. Terwijl aldus de broeder de boete volhield en de donna met

den monnik haar genoegen voortzette, zeide zij meermalen schertsend tot

hem: Gij laat broeder Puccio een boete doen, waardoor wij het paradijs

hebben gewonnen. En daar dit heel goed scheen te bevallen aan de vrouw,

raakte zij zoo gewend aan de verboden vrucht van den monnik, terwijl

zij door haar echtgenoot lang op dieet was gehouden, dat, toen eenmaal

de boete van broeder Puccio eindigde, zij een middel zocht om aldus met

dezen daarvan te eten en zij maakte er in stilte nog veel gebruik van.

Daarom, opdat mijn laatste woorden niet in strijd zijn met de eerste,

meende broeder Puccio, dat hij zich het paradijs zou winnen en bracht

den monnik er in, die hem daarheen den weg had gewezen en aan zijn

vrouw, die met hem in groot gebrek leefde aan datgene, waarvan de

monnik haar barmhartig voorzag.

De Decamerone van Boccaccio · 第 29 / 116 题