Een donna, verliefd op een jonge man, brengt onder den schijn van
vroomheid en van een zeer rein geweten, een eerzamen monnik er toe,
zonder dat die het merkt, haar de gelegenheid te geven haar
begeerte geheel te bevredigen. [48]
Reeds zweeg Pampinea en werden de vermetelheid en de sluwheid van den
stalknecht door het meerendeel van hun geprezen en evenzoo het verstand
van den koning toen de koningin, die zich naar Filomena gekeerd had,
haar gebood te vervolgen. Aldus begon Filomena vol gratie te spreken:
Ik ben van plan u een grap te vertellen, die werkelijk is uitgehaald
door een schoone dame met een ernstigen geestelijke, welke des te meer
aan elken leek moet bevallen, omdat de geestelijken meestal zeer dwaas
zijn en menschen van vreemde manieren en gewoonten, zich in alles van
veel meer waarde achten en van alles veel meer meenen te weten, terwijl
zij veel minder zijn dan de anderen. Want het zijn lieden, die door
lafheid van ziel geen middel hebben als de anderen om zich te
onderhouden en daar hun toevlucht zoeken, waar zij als het varken maar
te eten kunnen krijgen. Ik zal die geschiedenis vertellen, o
bekoorlijke dames, niet alleen om de ingestelde orde, maar ook om u te
doen opmerken, dat ook de geestelijken, welke wij, veel te licht
geloovig te veel vertrouwen verleenen, aardig voor den mal gehouden
kunnen worden en soms ook misleid zijn, niet alleen door ons mannen,
maar ook door een of andere vrouw uit ons midden.
In onze stad, waar meer misleiding voorkomt dan liefde en vertrouwen,
leefde, nog niet lang geleden, een edelvrouw, die zich onderscheidde
door haar bekoorlijkheden en manieren en die door de natuur met een
hoogen geest en een fijne opmerkingsgave was bedeeld, wier naam ik niet
wil openbaren als die van ieder ander, welke in deze vertelling
voorkomt, daar ik weet, dat er nog menschen leven, die zich daarover
zouden verontwaardigen, hoewel men er slechts met een lach zou moeten
over heengaan. Die dame, die haar hooge afkomst kende en gehuwd was met
een wolwever, kon evenwel het denkbeeld niet van zich afzetten, dat een
man van lagen stand, hoe rijk ook, een edelvrouw waardig was. En daar
zij zag, dat haar man met al zijn geld tot niets anders kon komen dan
tot het afhaspelen van een streng of het spannen van een doek of met
een weefster ruzie te maken over een weefsel, nam zij zich voor zich
geheel aan zijn omhelzingen te ontrukken, zoover zij die kon weigeren
en zij wilde om zich zelf te voldoen, iemand vinden, die meer dan de
wolwever haar dit waardig scheen. Zij werd verliefd op een flink man
van middelbaren leeftijd, zoodat, als zij hem zag, zij den volgenden
nacht niet zonder smart door kon brengen. Maar de waardige man bemerkte
het niet en bekommerde er zich dus niet om en zij, die zeer slim was,
liet het haar minnaar noch door een vrouwelijke gezant, noch door een
stoutmoedigen brief bemerken, vreezend voor mogelijke gevaren. Toen zij
bemerkt had, dat die minnaar veel omging met een geestelijke, die,
hoezeer hij ook kaalhoofdig en dom was, niettemin, daar hij zeer heilig
leefde, door ieder voor een zeer eerwaardig man werd gehouden, dacht
zij, dat die uitstekend tot bemiddelaar kon dienen tusschen haar en
dezen.
Na wel het middel overdacht te hebben, dat zij moest gebruiken, begaf
zij zich op het geschikte uur naar de kerk, waar hij woonde, liet hem
roepen en zei, dat ze, als het hem beviel, bij hem wilde biechten. De
broeder zag haar en daar hij meende, dat zij een edelvrouw was, hoorde
hij haar gaarne aan. Zij sprak tot hem na de biecht: Mijn vader, ik
moet tot U mijn toevlucht nemen en raad vragen voor hetgeen gij zult
hooren. Daar gij weet, omdat ik het U zelf gezegd heb, wie ik ben en
gij dus ook mijn ouders en mijn echtgenoot kent, die mij meer dan zijn
leven lief heeft, verlang ook ik niets van hem, die een rijk man is en
het wel doen kan, of ik heb het dadelijk, zoodat ik ook hem meer dan
mij zelf lief heb. Ik laat ter zijde wat ik doen zou, maar, ik beweer,
dat, als ik alleen maar zou denken aan iets wat tegen zijn eer of geluk
was, geen slechter vrouw meer dan ik het vuur zou verdienen. Nu is er
iemand, van wien ik den naam niet weet, maar die mij een goed mensch
schijnt en die, als ik mij niet bedrieg, veel met U omgaat, knap en
groot van stuk, zeer fatsoenlijk in ’t bruin gekleed, en die misschien
niet denkt, dat ik zoo standvastig ben en mij schijnt te willen
belagen, want ik kan mij niet aan deur of venster vertoonen, noch het
huis verlaten of hij verschijnt dadelijk voor mij. En ik verwonder mij,
dat hij thans niet hier is, waarover ik mij verheug, omdat die soort
dingen, vaak zonder de minste schuld gebeurd, een blaam werpen op
fatsoenlijke vrouwen. Ik heb mij eens voorgenomen het aan mijn broeders
te zeggen, maar later heb ik bedacht, dat de mannen dikwijls een
boodschap doen, zoo dat de antwoorden ongunstig zijn, waaruit twisten
geboren worden en uit twisten ontstaat strijd. Daarom, opdat er geen
kwaad en geen schandaal uit voortkomt, heb ik gezwegen en heb ik
besloten het liever aan U te zeggen dan aan anderen, zoowel omdat gij
zijn vriend schijnt te wezen als omdat het U past niet slechts vrienden
maar zelfs vreemden over zulke zaken te berispen. Daarom bid ik U bij
den eenigen God, dat gij hem hierover zult onderhouden en verzoeken,
dat hij verder niet meer zoo handelt. Er zijn genoeg andere vrouwen,
die gelukkig daartoe bereid zijn en het zal hun behagen door hem
bespied en begeerd te worden, terwijl het voor mij een zeer hinderlijke
last is, daar ik op geenerlei wijze in zoo iets zin heb. Nadat zij dit
gezegd had, deed ze of zij wilde huilen en boog zij het hoofd.
De heilige broeder dacht dadelijk, dat, wat zij zeide, waar was en
nadat hij de donna zeer over haar goed karakter had geprezen en hij
vast geloofde, dat zij oprecht sprak, beloofde hij haar, dat hij zoo
zou handelen, dat zij van hem geen last meer zou hebben. Daar hij wist,
dat zij zeer rijk was, prees hij haar zeer voor haar daden van
barmhartigheid en aalmoezen en vertelde haar zijn nooden. Hierop
antwoordde de donna: Ik bid U er God voor, indien hij zou ontkennen,
zeg hem dan bepaald, dat ik het geweest ben, die het U verteld heb en
mij er over heb beklaagd. Toen zij daarna gebiecht had en boete had
gedaan en zich de vertroostingen herinnerde haar door den broeder
geschonken wegens haar liefdadige werkzaamheid, vulde zij hem stil de
hand met geldstukken en verzocht hem missen te lezen voor de ziel en
van haar overleden familie. Zij stond op en begaf zich naar huis. Kort
daarop kwam de brave man als gewoonlijk bij den heiligen broeder, met
wien hij over een en ander sprak, tot deze hem ter zijde nam en hem op
zeer beleefde manier er over onderhield, dat hij de donna het hof
maakte en bespiedde, gelijk hij ook geloofde, en zooals zij hem had te
verstaan gegeven. De brave man verwonderde zich, daar hij haar nooit
nageloopen was en gewoon was zelden haar huis voorbij te gaan en begon
zich te verdedigen, doch de monnik liet hem niet uitspreken, maar zeide
hem: Doe nu niet of gij u verwondert en verlies geen woorden door het
te ontkennen, omdat gij het niet kunt; ik ben dat niet van buren te
weten gekomen, maar zij zelf heeft het mij verteld en zich zeer
beklaagd. Zoo weinig als die dingen u ooit passen, zoo zeker zeg ik u,
dat, als er eenige vrouw wars is van die dwaasheden, dan is het deze.
Daarom voor haar eer en om harentwil verzoek ik u, houdt op en laat
haar gaan in vrede. De brave man, slimmer dan de heilige broeder,
begreep zonder veel moeite de sluwheid van de donna, veinsde zich te
schamen en zeide zich voortaan niet meer met haar bezig te zullen
houden. Hij ging van den broeder weg en begaf zich naar het huis van de
donna, die stond op te letten aan een klein raampje om hem te zien, als
hij voorbijging. Toen zij hem zag aankomen, toonde zij zich zoo
vroolijk en lief, dat hij maar al te wel besefte, dat hij het ware van
de woorden des broeders gevat had. Van af dien dag placht hij voortaan
zeer voorzichtig met genoegen en tot zeer groot welgevallen en troost
van de donna, terwijl hij net deed of daar een andere reden voor was,
door die buurt te gaan. Maar toen de donna bemerkt had na eenigen tijd,
dat zij aan hem evenzeer behaagde als hij aan haar en zij verlangde hem
nog meer te ontvlammen en zich van de liefde te verzekeren, die zij hem
toedroeg, koos zij plaats en tijd, begaf zich naar den heiligen broeder
en na zich in de kerk aan zijn voeten te hebben geplaatst, begon zij
zich te beklagen. De broeder zag dit en vroeg haar medelijdend, welk
nieuws zij had. De donna antwoordde: Mijn vader, de tijdingen die ik
heb, zijn geen anderen dan van dien door God vervloekten vriend van U,
waarover ik mij vroeger heb beklaagd, zoodat ik geloof, dat hij tot een
zeer groote plaag voor mij geboren is en om mij iets aan te doen,
waardoor ik nooit meer rust zal hebben en waardoor ik mij nooit meer
aan uw voeten zal kunnen werpen. Hoe! sprak de monnik, heeft hij niet
opgehouden u nog meer verdriet te doen? Zeker niet, antwoordde de
donna, integendeel; nadat ik mij er bij u over had beklaagd, is hij,
alsof hij er een hekel aan had, daar hij mij zeker kwalijk nam, dat ik
mij er over uitte, tegen vroeger een, thans—geloof ik—wel zeven keer
voorbij gekomen. En dat het Gode maar behaagde, dat het voorbijgaan en
mij beloeren hem voldoende was, maar hij is zoo brutaal en onbeschaamd
geweest om mij niet later dan gisteren een vrouw te sturen om mij
bericht van hem te zenden en praatjes te verkoopen en alsof ik geen
beurzen en geen gordels had, zond hij mij een beurs en een gordel, wat
ik hem zoo kwalijk nam en nog neem, dat ik geloof, zoo ik niet vreesde
te zondigen, en dan nog uit genegenheid voor u, dat ik voor den duivel
zou hebben gespeeld. Maar ik heb mij toch ingehouden en ik heb niets
willen doen of aan iemand iets zeggen, voordat ik het u liet weten.
Bovendien heb ik de beurs en den gordel al terug gegeven aan de vrouw,
die dezen bracht, opdat ze die hem weerom gaf en ik heb haar barsch weg
gesnauwd, maar vreezend, dat zij die voor zich hield en hem zou
vertellen, dat ik die zou hebben aangenomen, gelijk ik meen, dat ze wel
eens doen, heb ik haar terug geroepen en ze die vol minachting uit de
handen gerukt en ze hier naar U gebracht, opdat gij ze hem terug brengt
en hem zeggen zult, dat ik zijn zaken niet noodig heb, omdat, dank zij
God en mijn man, ik zooveel beurzen en gordels heb, dat ik er in zou
kunnen wegzinken. Hierna vraag ik U als aan een vader mij te vergeven,
dat, als hij nu niet ophoud, ik het aan mijn man zal zeggen en aan mijn
broeders, er mag dan van komen wat wil. Want ik zie hem liever
beleedigd, als het moet, dan dat ik door hem wordt geschandvlekt.
Vaarwel, vader! Na deze woorden en zeer schreiend trok zij uit haar
gewaad een zeer schoone en rijke beurs met een fraaien en duren gordel
en wierp die den broeder in den schoot. Deze geloofde ten volle, wat de
donna zeide, nam haar hevig vertoornd ter zeide en sprak: Mijn dochter,
als gij U daarover kwelt, verwondert het mij niet en zou ik U er niet
over kunnen misprijzen, maar ik vind het zeer goed van U, dat gij
hierin mijn raad volgt. Ik nam hem voor kort onder handen en hij heeft
slecht gehouden, wat hij mij heeft beloofd, daarom om het een en het
ander, dat hij op nieuw heeft uitgehaald, ben ik van plan hem nu zoo de
ooren te wasschen, dat hij U geen hinder meer zal veroorzaken en laat U
met Gods zegen niet door toorn vervoeren over hetgeen hij U gezegd
heeft, waaruit slechts al te veel kwaad voor hem zou volgen. Vrees ook
niet, dat er voor U schande uit zal voortkomen, want ik zal altijd voor
God en alle menschen de zekerste getuige zijn van Uw eerbaarheid.
De donna wendde voor eenigzins gerust te zijn gesteld en na dit
onderwerp te hebben losgelaten, daar zij zijn hebzucht en die der
andere monniken kende, zeide zij: Heer, in de laatste nachten zijn mij
verscheidene van mijn verwanten verschenen en het schijnt mij, dat zij
in den grootsten nood zijn en niets anders dan aalmoezen vragen en in
het bijzonder mijn moeder, die mij zoo bedroefd en ongelukkig voorkomt,
dat het jammerlijk is om te zien. Ik geloof, dat zij zeer gepijnigd
wordt mij in die ongelegenheid te zien met dien vijand des Heeren en
daarom wensch ik, dat gij voor hun zielen de veertig missen van den
heiligen Gregorius [49] leest en eenige van Uw gebeden, opdat God ze
voert uit dit martelvuur en bij die woorden stopte zij hem een florijn
in de hand. De heilige broeder nam die opgeruimd aan, en versterkte met
goede woorden en met vele goede voorbeelden haar vroomheid en liet haar
gaan na haar zijn zegen te hebben gegeven. De donna ging heen, maar hij
merkte niet, dat hij voor den gek was gehouden en ontbood zijn vriend.
Toen die gekomen was en die hem boos vond, begreep hij dadelijk, wat
voor nieuws hem de donna verteld had en wachtte hij af, wat de broeder
zou zeggen. Hij herhaalde zijn vroegere woorden en sprak hem opnieuw
scherp en bitter toe, berispte hem zeer over hetgeen hem de donna
gezegd had, dat deze zou hebben misdreven. De brave man, die nog niet
zag, waartoe de broeder wilde komen, ontkende vrij zwakjes, dat hij een
beurs en een gordel gestuurd had, opdat hij den broeder het geloof niet
zou ontnemen, als de donna hem dit geschonken had. Maar de broeder
zeide zeer vertoornd: Hoe kan je dat ontkennen, booswicht? Daar zijn
ze, die zij mij zelf huilend heeft gebracht; zie of je ze kent? De
brave man, die veinsde zich zeer te schamen, zeide: Wel zeker, ken ik
ze; ik biecht u op, dat ik kwaad heb gedaan en ik zweer u, dat gij,
daar ik haar van zulk een karakter zie, er nooit meer een woord over
zult hooren. Zij spraken daarop veel, ten slotte gaf de malle broeder
aan zijn vriend de beurs en den gordel en na hem duchtig te hebben
onder handen genomen en verzocht, dat hij aan zoo iets niet meer zou
toegeven en deze hem dit had beloofd, liet hij hem gaan.
De brave man, zeer verheugd zoowel over de zekerheid, die hij meende te
hebben omtrent de liefde van de donna als over de schoone gift, ging,
zoodra hij den monnik verlaten had, naar een plaats, waar hij
voorzichtig aan zijn donna liet zien, dat hij zoowel het eene als het
andere voorwerp ontvangen had. Hierover was de donna zeer tevreden en
nog meer, omdat het haar scheen, dat haar list hoe langer hoe beter
slaagde. Zij wachtte op niets anders om haar werk te voltooien dan dat
haar echtgenoot elders heenging en om een of andere reden moest kort
daarop haar man zich naar Genua begeven. Denzelfden ochtend, dat hij te
paard steeg en vertrok, ging de donna naar den heiligen broeder en na
veel krokodillentranen te hebben geweend zeide zij: Mijn vader, ik zeg
U nu eens en vooral, dat ik het niet meer kan uithouden, maar omdat ik
vroeger U beloofd heb niets te doen zonder het U te hebben gezegd, ben
ik gekomen om mij te verontschuldigen en opdat gij gelooft, dat ik
reden heb om te schreien en te klagen, deel ik U mede, wat Uw vriend of
liever die duivel uit de hel mij vanmorgen leverde. Ik weet niet welk
noodlottig ongeval hem deed hooren, dat mijn man gisterochtend naar
Genua ging; in ieder geval, vanmorgen, op het uur, dat ik U zeide, kwam
hij in mijn tuin en klom hij langs een boom tot het venster van mijn
kamer, dat boven den tuin is en reeds had hij dit geopend en wilde hij
er binnen treden, toen ik ontwaakte en dadelijk opstond en begon te
schreeuwen en zou geroepen hebben, als hij, die nog niet binnen was,
mij niet om Gods wil en de Uwe genade gesmeekt had en mij zeide, wie
hij was. Daarop, toen ik hem hoorde, zweeg ik om Uwentwil en zoo naakt,
als ik geboren werd, liep ik naar het venster en sloot het voor hem en
ik geloof, dat hij met den Satan weer wegging, want ik hoorde niets
meer van hem. Nu, als dat behoorlijk is en uit te houden, probeer het
dan zelf maar eens; ik voor mij ben niet van plan het langer te dulden,
ik heb er veeleer terwille van U te veel door uitgestaan. Toen de
broeder dit hoorde, was hij de vertoorndste man ter wereld en wist niet
wat te zeggen; alleen vroeg hij haar meermalen of ze wel gezien had,
dat het geen ander was dan hij. Ik zeg U, dat hij het is en als hij het
ontkent, moet gij hem niet gelooven. Toen zeide de broeder: Mijn
dochter, hier is niets anders te zeggen dan dat dit een al te groote
vermetelheid en een al te groot kwaad is, en gij deed Uw plicht door
hem weg te sturen. Maar ik wil U verzoeken, opdat God U voor schande
behoedt, dat gij, daar gij twee keer mijn raad hebt gevolgd, het ook
ditmaal nog eens doet, namelijk door mij te laten begaan zonder U er
over te beklagen bij een bloedverwant, opdat ik zie of ik dien
losgebroken duivel kan vast leggen, dien ik voor een heiligen hield. En
als ik zooveel kan doen, dat ik hem dien dierlijken lust kan ontnemen,
zal het goed zijn en als ik het niet zou kunnen, geef ik U nu tegelijk
met mijn zegen mijn woord, dat gij zult kunnen doen, wat Uw ziel U
zegt, dat welgedaan zal zijn. Nu, ziedaar—zei de donna,—ditmaal wil ik
U niet boos maken noch U ongehoorzaam zijn, maar handelt U zoo, dat hij
zich er voor in acht neemt mij voortaan te kwellen, want ik verzeker U,
dat ik verder om die reden niet meer bij U kom. Zonder een woord meer
te spreken ging zij van den broeder weg of zij boos was.
De donna was nog niet buiten de kerk, of de brave man kwam aan en werd
door den broeder geroepen, wien deze, na hem terzijde te hebben
gevoerd, de grootste beleediging toevoegde, die ooit iemand was
toegeslingerd, en hem oneerlijk en meineedig en verrader noemde. De
ander, die al twee keer had ondervonden wat de verwijten van dien
monnik beteekenden, lette wel op en met verbaasde antwoorden zette hij
hem aan tot spreken en zeide voor alles: Waarom zoo boos, waarde heer?
Heb ik Christus gekruisigd? De broeder antwoordde: Wat een
schaamtelooze kerel! Hoort me eens aan, wat die durft te zeggen! Hij
spreekt niet meer of minder, alsof er al twee, drie jaar waren
verloopen en door lengte van den tijd zijn misdaden en oneerlijkheid
vergeten waren. Is het je dan van af van morgen pas uit het geheugen
gegaan, dat ge anderen beleedigd hebt? Waar was je gisterenmorgen vroeg
voor zonsopgang? De brave man antwoordde: Ik weet niet, waar ik was,
maar de boodschap is U wel heel vroeg gebracht. Het is waar, zeide de
broeder, dat het mij is bericht; ik denk, dat gij geloofde, nu de
echtgenoot er niet was, dat de edelvrouw u dadelijk met open armen zou
ontvangen. Ach, onschuldig lam, ach eerlijke vriend! Hij is nachtelijk
zwerver, tuin-inbreker en boomklimmer geworden. Dacht gij door uw
brutaliteit de eerbaarheid van die donna te overwinnen, omdat gij bij
nacht door de boomen tot haar vensters klimt? Er is niets ter wereld
wat haar meer mishaagt dan gij en toch beproeft gij het opnieuw.
Waarlijk, laten wij ter zijde, dat zij het u in vele opzichten getoond
heeft, maar gij zijt wel gebeterd door mijn vermaningen. Dit wil ik u
echter zeggen: tot hiertoe heeft zij niet om de liefde, die zij u
toedraagt maar op mijn aandringen verzwegen, wat gij haar gedaan hebt,
maar zij zal niet langer zwijgen. Ik heb haar de vrijheid gegeven om,
indien gij haar in wat ook nog mishaagt, te handelen naar haar
goeddunken. Wat zult gij doen, als zij het aan haar broeders zegt?
De brave man, die voldoende begrepen had, wat hij noodig had te weten,
deed den monnik, zoo goed hij wist en kon, bedaren. Toen hij vertrokken
was, ging hij den morgen na den volgenden nacht den tuin in, klom op
den boom, vond het venster open en wierp zich zoo gauw hij kon in de
armen van zijn schoone donna. Daar deze hem met het grootste verlangen
had gewacht, ontving zij hem verheugd en zei: Ik ben veel dank schuldig
aan den heer broeder, die u zoo goed den weg wees om hierheen te komen.
Vervolgens na van elkander te hebben genoten, spraken en lachten ze
veel over de onnoozelheid van den dommen monnik, versmaadden de
spinrokkens, de kammen en de koorden en verheugden zich met groot
welbehagen. Nadat hun plannen geregeld waren, zonder den heer monnik
meer noodig te hebben, vonden zij elkaar met gelijk genoegen vele
volgende nachten terug. En ik bid God, dat Hij door zijn heilige genade
mij spoedig hetzelfde schenkt en alle christenzielen, die het begeeren.