TWEEDE VERTELLING.

Een stalknecht slaapt met de vrouw van koning Agilulf, wat deze in

stilte bemerkt. Hij vindt hem en knipt hem een lok haar af; de

geknipte doet het alle andere bedienden en ontkomt daardoor aan een

boos lot. [45]

Toen het einde der geschiedenis van Filostrato gekomen was, welke de

dames soms een weinig had doen blozen en die ze soms had doen lachen,

behaagde het aan de koningin, dat Pampinea met verhalen voortging. Deze

begon met lachend gelaat en zeide: Er zijn enkele menschen, die niet

bescheiden genoeg zijn om te verbergen wat zij weten en kennen, en wat

niet goed voor hen is te weten en dikwijls meenen zij, door de fouten

te berispen, die zij bij anderen hebben opgemerkt, de hunnen te

verminderen, waardoor zij die juist eindeloos vermeerderen. En dat dit

waar is, zal ik tot tegenstelling, verliefde dames, u bewijzen door u

in den geest van een dapper koning een sluwheid te toonen, die

misschien voor minder moet worden gehouden dan die van Masetto.

Agilulf, koning der Longobarden [46] gelijk zijn voorgangers plaatste

te Pavia, de hoofdstad van Lombardije, den zetel van zijn regeering na

Teudelinga [47] tot vrouw te hebben genomen, welke als weduwe was

achtergebleven van Autarius, insgelijks vroeger koning der Longobarden,

die een zeer schoone, wijze en eerlijke vrouw was maar ongelukkig in de

liefde. De zaken der Longobarden gingen dank zij de deugd en de

wijsheid van dien koning Agilulf eenigen tijd goed en voorspoedig, tot

een stalknecht van genoemde koningin, een man wat zijn afkomst betreft

van gemeenen oorsprong, maar overigens veel slimmer dan zijn laag

baantje eischte en even groot en knap als de koning, mateloos op de

koningin verliefd werd. En daar zijn lagen rang hem niet had belet te

begrijpen, dat zijn liefde zeer onwelvoegelijk was, bekende hij, dit

wetend, die aan niemand noch had hij den moed die met zijn blikken aan

de koningin te doen bemerken.

Hoewel hij zonder eenige hoop leefde haar ooit te kunnen behagen,

beroemde hij er zich in zich zelf op zijn gedachten zoo hoogte hebben

verheven en gelijk iemand, die geheel van liefdevuur gloeide, deed hij

ijverig behalve bij zijn geleide, al wat aan de koningin behagen kon.

Als de koningin moest paardrijden, ging zij liever door dien palfrenier

bewaakt uit dan met eenig ander, wat hij, wanneer het gebeurde, als een

zeer groote gunst beschouwde en nooit liet hij de teugels los, gelukkig

als hij soms toch maar haar kleederen kon aanraken. Maar gelijk wij

dikwijls elders zien, wanneer het verminderen van de hoop de liefde

grooter doet worden, geschiedde het ook bij dien armen palfrenier,

waarbij het voor hem zeer moeilijk was dit groote verlangen zoo

verborgen te houden, daar hij door geen enkele hoop gesterkt werd. En

meermalen besloot hij in stilte, daar hij zich van die liefde niet kon

genezen, om te sterven. Terwijl hij dacht aan het middel, nam hij het

besluit dien dood zoo te doen plaats hebben, dat men zou bemerken, dat

hij gestorven was door de liefde, die hij de koningin had toegedragen

en toedroeg. Hij stelde zich voor het zoo te doen, dat hij hiermee zijn

fortuin beproefde om geheel of half zijn verlangen te bevredigen. Hij

wilde er de koningin geen woord van zeggen noch door een brief zijn

liefde doen gevoelen, daar hij wist dat het vergeefs was haar dit te

zeggen of te schrijven, maar hij wilde door list beproeven met de

koningin te slapen. Er was geen andere list noch een andere weg, als

middel dan de persoon des konings zelf, van wien hij wist, dat die

steeds bij haar sliep, om tot haar door te dringen en haar kamer binnen

te treden. Daartoe, opdat hij zou zien op welke wijze en in welk kleed

de koning liep, als hij zich tot haar begaf, verborg hij zich meermalen

’s nachts in een groote zaal van het paleis, welke in het midden was

tusschen de kamer des konings en die van de koningin. En onder anderen

zag hij op een nacht den koning uit zijn kamer komen gewikkeld in een

grooten mantel, in de hand een aangestoken toorts houdend en in de

andere een ring en naar het vertrek van de koningin gaan. Daar klopte

hij zonder een woord te spreken een of twee keer aan de kamerdeur met

dien ring en dadelijk werd hem open gedaan en de toorts uit de hand

genomen. Toen hij dit gezien had en hij hem op dezelfde wijze had zien

terugkeeren, dacht hij insgelijks zoo te moeten handelen. Nadat hij een

middel had gevonden om een mantel te krijgen gelijk hij bij den koning

had gezien en een toorts en een kleinen ring en na zich eerst in een

warm bad goed te hebben gewasschen, opdat de reuk van den stal

misschien de koningin niet zou hinderen of haar de list zou doen gewaar

worden, verborg hij zich hiermee, gelijk hij gewoon was, in de groote

zaal. En toen hij gewaar werd, dat men overal sliep en het hem tijd

scheen aan zijn begeerte te voldoen, of stoutmoedig om die reden den

weg te banen naar den verlangden dood, maakte hij met een steen en met

een zwam, die hij bij zich droeg, wat vuur, stak zijn toorts aan en

gehuld in en omwikkeld van zijn mantel, begaf hij zich naar de

kamerdeur en klopte tweemaal met den ring. De kamer werd door een zeer

slaperige kamenier geopend en hem het licht uit de handen genomen en

gedoofd, waarop hij zonder een woord te spreken door het gordijn ging,

den mantel aflegde en in het bed kwam, waar de koningin sliep. Hij

sloot haar verlangend in zijn armen en deed of hij een kwade bui had

(omdat hij de gewoonte des konings kende, die, als hij boos was, geen

woord sprak) zonder een woord te uiten en zonder zich iets te laten

zeggen en leerde meermalen de koningin kennen. Daar het heengaan hem

zwaar viel, maar hij toch vreesde, dat een lang verblijf de oorzaak zou

zijn, dat het ondervonden genoegen in verdriet zou veranderen, stond

hij op en na zijn mantel te hebben opgezocht en het licht, ging hij

zonder eenige reden weg en zoo gauw hij kon, sloop hij naar zijn bed

terug. Hij kon er ternauwernood wezen, toen de koning opstond en naar

de kamer der koningin ging, waarover zij zich zeer verwonderde. Toen

hij in het bed was gekomen en haar blijmoedig had gegroet, vatte zij

door zijn opgeruimdheid moed om hem te zeggen: Mijn heer, wat is dat

vannacht voor nieuwigheid? Gij hebt mij ternauwernood verlaten en

buiten Uw gewoonte hebt gij van mij genoten en gij komt zoo gauw terug?

Let op wat gij doet. Toen de koning die woorden hoorde, vermoedde hij

dadelijk, dat de koningin door gelijkenis van gewoonte en persoon

bedrogen was geworden, maar als verstandig man vatte hij dadelijk het

plan op, daar hij zag, dat de koningin er niets van gemerkt had, om

haar niets daarvan te doen bespeuren. Vele dwazen zouden dit niet

hebben gedaan, maar zouden gezegd hebben: Ik, ik was niet hier! Wie was

het, die hier kwam? Hoe kwam hij? Wie is het? Waaruit verschillende

dingen zouden ontstaan zijn, waardoor hij nutteloos de koningin

verdriet zou hebben gedaan, en haar ten tweeden male zou hebben doen

verlangen, wat zij al ondervonden had. Als hij er over zweeg, kon dit

geen schande over hem brengen, maar als hij sprak, zou hij er oneer mee

hebben behaald. De koning antwoordde haar dan ook meer innerlijk dan

door gelaat en met woorden vertoornd: Vrouw, schijn ik U niet een man,

die hier kan geweest zijn en die weer kort daarop kan terugkeeren?

Daarop antwoordde de donna: Ja, mijn heer; maar in ieder geval bid ik U

op Uw gezondheid te letten. Toen sprak de koning: Het behaagt mij Uw

raad te volgen en ditmaal wil ik zonder U verder te verontrusten

terugkeeren. Het hart vol toorn en van ongenoegen over hetgeen hem was

aangedaan, nam hij zijn mantel weer op, ging de kamer uit, dacht, dat

hij wel stil zou vinden, wie dat misdreven had en meende, dat die tot

het paleis moest behooren. Wie het ook was, hij zou er niet levend uit

komen. Hij zette een klein lichtje in een lantarentje en begaf zich in

een zeer lange slaapzaal in zijn paleis boven de paardenstallen, waarin

bijna zijn geheele personeel in verschillende bedden sliep. Hij dacht,

dat bij wien dat gedaan had, wat de donna zeide, noch de pols noch het

hart door de verduurde onrust alweer rustig kon slaan, en stil

beginnend bij een der uiteinden van het logies begon hij bij allen de

borst aan te raken, om te zien hoe die klopte. Hoewel ieder ander vast

sliep, was dit niet het geval bij dengeen, die bij de koningin was

geweest. Toen hij den koning zag naderen, en dacht, dat die aan het

zoeken was, begon hij evenzeer te vreezen voor zijn hartslag als voor

de doorgestane angst, zoodat hierdoor bij de benauwdheid een nog

grootere kwam en hij meende beslist, dat, als de koning het zou gewaar

worden, hij hem dadelijk zou doen sterven. Daar hem verschillende

gedachten door het hoofd gingen van wat hij moest doen, maar hij den

koning zonder wapens zag, had hij plan net te doen of hij sliep en af

te wachten, wat de koning zou aanvangen. Nadat de vorst zeer had

gezocht en niet dengeen vond, dien hij meende, dat de dader was, kwam

hij bij dezen en daar hij voelde, dat diens hart sterk sloeg, zei hij

tot zich zelf: Die is het. Maar omdat hij iemand was, die niets wilde

doen wat men zou kunnen merken, deed hij hem niets anders dan hem met

een schaar, die hij hij zich had, aan eenen kant de haren afsnijden,

welke men destijds zeer lang droeg, opdat hij door dit merk hem den

volgenden morgen zou herkennen. Toen dit gedaan was, ging hij heen en

keerde naar zijn kamer terug.

Hij, die dit had gemerkt, en die slim was, begreep al te wel, dat hij

daarmee geteekend was. Daarom stond hij zonder verwijl op, vond

toevallig een andere schaar, die in den stal diende voor de paarden,

ging zacht langs allen, die in het logies sliepen en knipte ze allen

boven de ooren het haar af op dezelfde manier en toen dit gedaan was,

ging hij, zonder te worden opgemerkt, slapen. Toen de koning ’s morgens

opstond, beval hij, dat, voor de poorten van het paleis opengingen, al

zijn bedienden voor hem kwamen en dat gebeurde. Daar deze allen

blootshoofds voor hem stonden, begon hij te kijken of hij den door hem

geknipten zou herkennen en toen hij het meerendeel van hen op dezelfde

wijze geknipt zag, verwonderde hij zich en zei in zich zelf: Hij, die

ik zoek, toont hoe laag zijn stand ook is, van groot verstand te zijn.

Daar hij toen zag, dat hij zonder gerucht niet dengeen kon vinden, dien

hij zocht, en hij niet van plan was voor een kleine wraak een groote

schande op te loopen, beperkte hij zich den schuldige met een enkel

bedekt woord te waarschuwen en hem te doen gewaar worden, dat hij het

gemerkt had. Hij keerde zich tot allen en sprak: Dat hij, die het deed,

het nooit meer doet, en gaat gij allen met God. Een ander zou hem

hebben laten blozen, pijnigen, onderzoeken en ondervragen, en dit

doende, zou hij ruchtbaar hebben gemaakt, wat elk getracht zou hebben

te verbergen. En als hij het geopenbaard had, had hij, al zou hij ook

volledige wraak hebben genomen, niet zijn schande hebben verminderd

maar vermeerderd en de eer van zijn vrouw geschonden. Zij, die deze

woorden hoorden, waren verwonderd, en onderzochten lang onder elkaar,

wat de koning hiermee had willen zeggen, maar niemand begreep dit,

behalve hij op wien dit sloeg. Deze als een wijs man, sprak er nooit

over zoolang de koning leefde en stelde nooit meer zijn leven door zulk

een daad aan gevaar bloot.

De Decamerone van Boccaccio · 第 27 / 116 题