Masetto van Lamporecchio laat zich voor een doofstomme doorgaan,
wordt tuinman van een nonnenklooster en allen eindigen met met hem
te slapen. [44]
Zeer schoone donna’s. Er zijn heel wat mannen en vrouwen, die, dwaas
genoeg gelooven, dat, als aan een jong meisje de witte kap op het hoofd
is geplaatst en om haar lichaam de zwarte rok is gehangen, zij dan geen
vrouw meer is en niet meer de vrouwelijke begeerten gevoelt, alsof door
haar tot non te maken, men haar in steen veranderde. En als zij
misschien iets hooren tegen hun geloof, worden zij zoo kwaad, dat het
is of er een zeer groote en schelmsche misdaad tegen de Natuur is
bedreven, en ze bedenken niet, en willen er ook niet op letten, dat zij
zich zelf niet kunnen bevredigen, hoewel zij volle vrijheid hebben en
evenmin op den grooten invloed van het niets doen en van de
eenzaamheid. Zoo zijn er ook genoeg, die al te licht gelooven, dat het
houweel, de spade, het slechte voedsel en de vermoeienissen geheel aan
de landbouwers den lust tot den bijslaap ontnemen en hun verstand en
oordeel zeer verstompen. Maar hoe bedriegen zich al diegenen, welke dit
gelooven. Het behaagt mij, omdat de koningin het mij gelast, en omdat
het niet van het door haar voorgestelde afwijkt, u dit duidelijk te
maken met een kleine historie. In onze streek was en is nog een
nonnenklooster genoegzaam bekend wegens zijn heiligheid (wat ik niet
zal noemen om in geenen deele zijn roem te verminderen), waarin niet
lang geleden, daar er niet meer dan acht vrouwen waren met een abdis en
allen jong, een goed manneke was, gaardenier van hun zeer schoonen
tuin, die niet tevreden met zijn loon, zijn rekening vereffende met den
beheerder der donna’s en naar Lamporecchio, waar hij woonde, terug
ging. Hier, onder de anderen, die hem blijde ontvingen, was een jonge,
sterke en forsche boer en voor een dorper was hij een knappe kerel, die
Masetto heette. Hij vroeg hem, hoe lang hij daar was geweest. De goede
man, Nuto genaamd, vertelde het hem. Masetto vroeg hem, wat hij in het
klooster uitvoerde. Nuto antwoordde: Ik bewerkte den mooien en grooten
tuin en bovendien ging ik soms naar het bosch om hout te halen, putte
water en verrichtte meer zulke diensten; maar de donna’s gaven mij zoo
weinig loon, dat ik er ternauwernood mijn schoenen van betalen kon.
Bovendien zijn ze allen jong en het schijnt mij, dat zij den duivel in
het lijf hebben, omdat men ze niets naar den zin kan maken;
integendeel, wanneer ik op een keer in den tuin werkte, zei de een:
Breng dat hier en de ander: Breng dat daar; en een ander nam mij de
spade uit de handen en zeide: Dat is niet goed. En zij gaven mij
zooveel last, dat ik het werk er bij neer legde en uit den tuin
wegging, zoodat ik zoowel door het een als het ander er niet langer
wilde blijven en er vandaan ben gegaan. De beheerder vroeg mij, toen ik
vertrok, of ik, als ik iemand wist, die dat werk kon doen, hem dien zou
sturen en dat beloofde ik hem, maar God make hem sterk van ribben, als
ik er iemand heenzend of ik stuur er niemand naar toe. Bij Masetto
kwam, toen hij de woorden van Nuto hoorde zulk een groote begeerte op
om bij die nonnen te wezen, dat hij er geheel van brandde en begreep
door de woorden van Nuto, dat hij door hem moest bereiken, wat hij
verlangde. Maar hij overlegde, dat hij niet zou slagen, als hij er Nuto
niet van sprak, en zeide: Wel, daar hebt gij goed aan gedaan om hier te
komen! Hoe kan een man bij vrouwen blijven. Hij zou beter met duivels
kunnen samen zijn. Van de zeven keer weten ze zes maal niet, wat ze
zelf willen. Maar toen hun gesprek ophield, begon Masetto er over te
denken zich een middel te verschaffen om bij hen te kunnen zijn en daar
hij wist, dat hij wel de diensten kon bewijzen, waarvan Nuto sprak, was
hij er niet bang voor daarom niet te worden aangenomen, maar hij
vreesde niet te worden ontvangen, omdat hij te jong en van te goed
voorkomen was. Daarom na vele dingen in zich zelf te hebben overpeinsd,
dacht hij: De plaats is hier vrij ver vandaan en niemand kent mij daar;
indien ik net zal doen of ik stom ben, zal ik zeker welkom zijn.
En aan die list zich houdend, begaf hij zich met zijn bijl op den nek
zonder aan iemand te zeggen, waar hij heen ging, naar het klooster als
een arm man. Daar aangekomen trad hij binnen en vond bij toeval den
beheerder in den hof. Tegenover hem maakte hij gebaren als een stomme
en zette hem zoo uiteen, dat hij om eten vroeg uit barmhartigheid en
dat hij, als het noodig was, hout voor hem zou kloven. De beheerder gaf
hem gaarne te eten en gaf hem daarna zekere stammen, die Nuto niet had
kunnen kloven, welke hij, die heel sterk was in korten tijd geheel had
klein gehakt. De opzichter, die naar het bosch moest gaan, nam hem met
zich mede en liet hem daar hout hakken; toen, nadat hij den ezel voor
hem had gezet, beduidde hij hem door teekens, die naar zijn stal te
brengen. Dat deed hij heel goed, en omdat de opzichter hem
verschillende dingen wou laten verrichten, die hem te pas kwamen, hield
hij hem nog verscheidene dagen. Aldus zag hem de abdis en vroeg aan den
opzichter wie hij was. Hij zeide: Madonna, het is een arme, stomme man,
die hier op een goeden dag om een aalmoes kwam, zoo dat ik hem goed heb
gedaan en ik hem wat dingen heb laten verrichten, die noodig waren. Als
hij den tuin kan bewerken en hier wil blijven, geloof ik, dat wij
goeden dienst van hem kunnen hebben, omdat hij hier noodig is. Hij is
sterk en men kan hem laten doen, wat verlangd wordt en bovendien gij
behoeft niet te denken, dat hij tot Uw jonge nonnen zal spreken. Hierop
antwoordde de abdis: Bij mijn geloof in God, ge spreekt juist.
Onderzoek of hij kan werken en beproef hem hier te houden; geef hem een
paar schoenen, een oude pij, spreek hem vriendelijk toe, verzorg hem en
geef hem goed te eten. De opzichter zeide, dat hij het zou doen.
Masetto was niet ver af, maar deed of hij den hof schoon veegde,
terwiji hij dit alles hoorde en zeide verheugd tot zich zelf: Indien je
mij daar binnen brengt, zal ik den tuin voor je bewerken, zooals het
nog nooit gebeurd is. Toen nu de opzichter gezien had, dat hij heel
goed kon arbeiden, en hem door teekens had gevraagd of hij daar wou
blijven en deze aldus had geantwoord, dat hij zou doen, wat de ander
verlangde, nam hij hem aan, gelastte hem den tuin te onderhouden, gaf
hem nog meer in het klooster te doen en liet hem toen alleen. Terwijl
hij het eene na het andere deed, begonnen de nonnen het hem lastig te
maken en hem te bespotten gelijk anderen dikwijls doofstommen doen en
ze voegden hem de gemeenste woorden toe, daar zij geloofden, dat hij
het niet verstond. En de abdis, die misschien dacht, dat hij evenzeer
zonder bloed als zonder woord was, bekommerde zich daar weinig om. Nu
gebeurde het op een goeden dag, dat hij na hard gewerkt te hebben
uitrustte en dat twee jonge nonnen, die door den tuin gingen, naderden,
waar hij lag en welke hem, die deed of hij sliep, begonnen te bekijken.
Daardoor zei er een, die brutaler was dan de andere: Als ik mag
gelooven, dat gij het geheim houdt, had ik u meermalen al een gedachte
toevertrouwd, die u ook misschien genoegen zou doen. De ander
antwoordde: Zeg het maar gerust aan mij, die het zeker nooit aan een
ander zal vertellen. Toen begon de stoutmoedige: Ik weet niet of gij er
over hebt nagedacht, hoe wij opgesloten zijn en dat nooit een man hier
durft binnen treden dan alleen die opzichter, die oud is en die
doofstomme, en ik heb dikwijls door vele vrouwen, die tot ons kwamen,
hooren zeggen, dat alle andere genietingen der wereld kinderspel zijn
bij die, welke de vrouw bij den man heeft. Daarom heb ik mij dikwijls
voorgenomen, omdat ik het met anderen niet kan, met dezen doofstomme te
beproeven, of dat zoo is. Hij is er de geschikste ter wereld voor, want
al zou hij het willen, hij zou het niet weten of kunnen over vertellen.
Gij ziet, dat het een jonge dwaas is veeleer sterk dan verstandig; ik
zou graag willen hooren, hoe u dat lijkt. Helaas! zei de ander, wat
zegt gij daar? Weet gij niet, dat wij onze maagdelijkheid aan God
hebben beloofd? O, hernam deze, men belooft den ganschen dag zooveel,
dat men niet houdt. Als wij het Hem beloofd hebben, vindt men wel de
een of de ander, die er zich aan zal houden. Daarop zeide de gezellin:
En als wij zwanger worden, hoe zal het dan gaan! Toen voegde de ander
er aan toe: Gij begint al gedachten te hebben over het kwaad, eer het u
bereikt. Mocht dit voorkomen, dan zullen we er aan gaan denken. Er zijn
duizend middelen om te maken, dat men het nooit zal weten, mits wij het
zelf niet vertellen. Toen gene dit hoorde, die nog meer lust had om te
ondervinden hoe dierlijk de mensch is, zeide zij: Welnu, hoe zullen wij
doen? Waarop de ander antwoordde: Gij ziet, dat het het uur is van den
noen, ik geloof, dat alle zusters goed slapen behalve wij; laten wij
door den tuin kijken of er niemand is en zoo ja, dan hebben wij niets
anders te doen dan hem bij de hand te nemen en hem in gindsche hut te
brengen, waar hij voor den regen schuilt en daar zal de eene met hem
zijn en de andere de wacht houden. Hij is zoo dwaas dat hij wel goed
zal vinden, wat wij willen.
Masetto hoorde dit heele gesprek en tot gehoorzamen bereid, verwachtte
hij niets anders dan door een van hen meegenomen te worden. Toen dezen
goed overal hadden opgelet en ziende, dat zij nergens opgemerkt konden
worden, naderde zij, die het woord had genomen, Masetto, riep hem op en
deze hief zich dadelijk van den grond. Daarop nam zij hem met vleiende
gebaren bij de hand; hij zette een dwaas lachend gezicht en zij leidde
hem naar de hut, waar Masetto zonder zich te veel te laten uitnoodigen,
dat deed, wat zij wilde. Deze, toen zij haar zin had, gaf als eerlijke
vriendin aan de ander gelegenheid en Masetto nog altijd den onnoozele
spelend, voldeed aan haar begeerte. Daarom eer zij er uit gingen,
wilden zij elk nog eens ondervinden, wat de doofstomme kon. Daarna
spraken zij er dikwijls over, en zeiden, dat het zulk een heerlijk
genot was en grooter dan zij gehoord hadden. Zij namen er voortaan op
het geschikte uur den tijd voor om met den doofstomme zich te
verheugen.
Eens gebeurde het, dat een van hun gezellinnen, die het gemerkt had
door het raam van haar cel, het aan twee anderen vertelde. Alle drie
hadden eerst een onderhoud om het aan de abdis te gaan overbrengen,
maar daarop veranderden zij van meening, werden het onder elkaar eens
en werden deelgenooten van de kracht van Masetto. Door verschillende
toevallen werden ook de andere drie op verschillende tijden
gezellinnen. Ten slotte vond de abdis, die het nog niet gemerkt had,
door den tuin alleen gaande, toen het zeer warm was, Masetto (die van
weinig werk overdag maar te veel ruiterdienst bij nacht, vermoeid was)
geheel in den schaduw uitgestrekt van een amandelboom en slapende en
daar de wind de slip van zijn hemd naar voren oplichtte, lag hij geheel
naakt. Toen de donna dit zag en zich alleen bespeurde, verviel zij tot
dezelfde begeerte als hare kloosterlingen en na Masetto te hebben
opgewekt, leidde zij hem naar haar kamer, waar zij hem verscheidene
dagen tot groote teleurstelling van de nonnen, die den tuinman niet
meer in den tuin zagen werken, hield en waar zij die zaligheid genoot
en weer genoot, welke zij vroeger bij anderen gewoon was te misprijzen.
Daar zij hem eindelijk van haar kamer dikwijls uit zijn vertrek riep en
hem vaak weer zag en meer voor zich vroeg, dan Masetto bij zooveel
anderen kon geven, dacht hij er over, of zijn doofstomheid hem van
dienst kon zijn, als bij langer verblijf die hem te veel zou
verzwakken. Daarom verbrak hij op een nacht met de abdis alleen het
zwijgen en zeide: Madonna, ik heb gehoord, dat een haan voldoet voor
tien kippen, maar dat tien mannen slecht en met moeite een vrouw kunnen
voldoen, zoodat ik er geen negen kan bedienen, wat ik om alles ter
wereld niet uithouden, kan. Integendeel ben ik door hetgeen ik tot nu
toe heb gedaan, tot een toestand gekomen, waarin ik nog weinig nog veel
meer verrichten kan, en daarom laat mij weg gaan met God of verzin er
een ander middel op. Toen de donna hem hoorde spreken, dien zij voor
doofstom hield, was zij geheel verbluft en zeide: Wat is dat? Ik dacht
dat je doofstom was? Madonna, zei Masetto, ik ben dat, geweest maar
niet van nature, slechts door een ziekte is mij de spraak ontnomen en
pas hedennacht voel ik mij die voor het eerst terug gegeven, waarvoor
ik God prijs zooveel ik kan. De abdis geloofde hem en vroeg hem wat hij
met die negen vrouwen bedoelde, die hij had te bedienen. Masetto
vertelde haar de geschiedenis. Toen de abdis die hoorde, en dat er geen
non was wijzer dan zij, besloot zij daarom als stilzwijgende vrouw
zonder Masetto te laten vertrekken zich met haar nonnen te verstaan
over die gebeurtenissen, opdat het klooster niet door Masetto zou
worden geschandvlekt. Daar een dier dagen de opzichter stierf, kwamen
de nonnen wederkeerig dit overeen, nadat onderling ontdekt was, wat zij
gedaan hadden: zij spraken met toestemming van Masetto af, opdat de
omwonende lieden het zouden gelooven, dat door hun gebeden en dank zij
den heilige, waarnaar het klooster was genoemd, aan Masetto, die lang
stom was geweest, de spraak was terug geschonken en hem opzichter te
maken. En zij verdeelden zijn taak zoo, dat hij die kon dragen. Hoewel
hij heel wat nonnetjes had voortgebracht, bleef de zaak in ’t geheim
bij hen voortgaan, zoodat niemand er iets van merkte behalve na den
dood van de abdis, toen Masetto al oud was en verlangde rijk naar huis
terug te keeren. Toen dit bekend werd, viel dit hem te lichter. Aldus
kwam Masetto oud terug, rijk en als vader zonder de moeite te hebben
zijn kinderen te voeden en ze te onderhouden en nadat hij door zijn
overleg zijn jeugd wel had weten te besteden, waar hij heen was gegaan
met een bijl op den schouder, beweerde hij, dat Christus aldus
behandelde wie Hem Zijn bruiden ontnam.