DERDE DAG.

De tweede dag van de Decamerone eindigt; de derde vangt aan, waarop

men spreekt onder het bewind van Neifile van degenen, die een zaak,

door hen zeer verlangd, weten te verkrijgen of een verlorene weten

te herwinnen.

Reeds begon de dageraad bij het naderen van de zon van rozenrood oranje

te worden, toen de koningin op Zondag opgestaan, haar heele gezelschap

deed oprijzen. Reeds had de hofmeester een groote hoeveelheid der

benoodigdheden vooruit gezonden naar de plaats, waar zij moesten

heengaan en de bedienden, die er moesten gereed maken, wat men

gebruiken zou, toen hij de koningin op weg zag en er al het andere

haastig heen liet dragen, nu men het verblijf daar had opgeheven en er

met de bagage heentoog gezamenlijk met het dienstpersoneel achter de

donna’s en de heeren. De koningin met langzamen tred vergezeld en

gevolgd door haar donna’s en de drie jongelingen en begeleid door den

zang van misschien twintig nachtegalen en andere vogels, ging door een

niet te veel gebruikt pad, maar vol groene kruiden en bloemen, welke

zich bij het opgaan der zon allen begonnen te openen, nam den weg naar

het westen en sprekend, schertsend en lachend met haar gezelschap,

zonder meer dan tweeduizend schreden te hebben gedaan, leidde zij dat

ruim, voor de zon anderhalf uur op was, [43] naar een zeer schoon en

rijk verblijf, dat een weinig verheven uit de vlakte op een heuvel

stond. Toen zij daar binnen waren getreden en overal rond waren gegaan,

roemden zij het daar het een groote zaal had en geboende en versierde

kamers, die vol waren van al wat in een vertrek noodig is, hoogelijk en

beschouwden den bezitter als een groot heer. Toen zij naar beneden

gegaan de zeer ruime en vroolijke binnenplaats er van hadden gezien, de

gewelven vol van de beste wijnen en het zeer frissche water, dat er in

groote massa opwelde, prezen zij het nog meer. Vervolgens verlangend

een weinig te rusten, gingen zij op een galerij zitten, die den

ganschen hof beheerschte en geheel gevuld was met bloemen, welke de

tijd opleverde en met groen. Toen kwam de bescheiden hofmeester en

ontving en versterkte hen met heerlijke meelspijzen en uitstekende

wijnen. Hierna lieten zij zich een tuin openen naast het paleis, die

rondom ommuurd was en waar zij binnen traden en daar die hen bij de

eerste binnenkomst allen van een wonderbare schoonheid scheen, begonnen

zij aandachtiger alle deelen er van te beschouwen. De tuin had rondom

en in het midden vrij breede paden, allen recht als pijlen en bedekt

met houtwerk voor wingerdranken, welke een grootschen aanblik

vertoonden van veel druiven voor dat jaar. En de bloemen verspreidden

door den tuin zulk een sterken geur, vermengd met die van vele andere

planten, die in deze gaarde welriekendheid verbreidden, dat het hen toe

scheen of zij zich daardoor bevonden tusschen alle specerijen, die ooit

in het Oosten groeiden. De zoomen van die paden waren allen vol van

witte en roode rozen en van jasmijnbloemen, zoodat men niet alleen in

den morgen, maar wanneer de zon hooger was in geurige en aangename

schaduw zonder door deze gehinderd te worden, overal kon rondgaan. Het

zou lang duren om te vertellen hoeveel en hoedanige planten er waren en

hoe men ze had gerangschikt; maar geen is er prijzenswaardig, welke ons

klimaat verdraagt, van welke daar geen overvloed was. In het midden

daarvan (wat niet minder maar nog meer prijzenswaardig is dan de

voorafgaande dingen) was een weide met zeer kort gras en zoo groen, dat

het haast zwart leek, geheel bezaaid met wel duizend soorten bloemen,

rondom omsloten van zeer groene en krachtige oranjeboomen en ceders,

die rijpe vruchten droegen en ook onrijpe en nog bloemen en die niet

alleen heerlijke schaduw gaven voor de oogen maar ook den reuk

streelden. In het midden van den tuin was een fontein van het blankste

marmer en met wonderbaar beeldhouwwerk. Daar binnen wierp die—ik weet

niet of het door een kunstmatige of een natuurlijke ader was—door een

beeld heen, dat op een zuil in het midden daarvan overeind stond,

zooveel water en zoo hoog ten hemel, dat het steeds met heerlijk

gedruisch in den helderen spiegel terugviel en er zelfs minder van

noodig zou zijn om een molen mee te bewegen. Dit water—dat de fontein

deed overstroomen, als die vol was—verdween langs geheimen weg van de

weide en ging door zeer schoone en kunstig gemaakte kanaaltjes. Eenmaal

daarbuiten, in het daglicht gekomen, omringde het dien geheel en het

liep vandaar in dezen door elk deel van den tuin heen en verzamelde

zich eindelijk op een plek, waar de mooie tuin zijn uitgang had en daar

stroomde het helder naar de vlakte neer, waar het, voor het daar

neerstortte, met zeer groote kracht en tot niet weinig nut voor den

heer twee molens deed draaien. Het gezicht van dien tuin, zijn schoone

orde, de planten en de fontein met de kleine beken, die er uit

neervloeiden, behaagde zoo aan elke donna en aan de drie jongelingen,

dat alle begonnen te beweren, dat, indien er op aarde een Paradijs te

maken was, zij geen andere gedaante er voor wisten te vinden, dan deze

tuin geven kon, en dat zij ook niet dachten, dat zij buiten dezen een

dergelijke schoonheid zouden aantreffen. Terwijl zij er zeer vergenoegd

rondgingen en zich van verschillende bladeren zeer schoone kransen

maakten, hoorden zij van alle kanten op wel twintig manieren vogels,

die als om strijd zongen, en bespeurden zij een bekoorlijke schoonheid,

welke zij, verrast door de andere, nog niet hadden opgemerkt. Zij zagen

namelijk den tuin vol van wel honderd soorten schoone dieren, die zij

elkaar aanwezen. Van den eenen kant kwamen konijnen te voorschijn, van

de anderen liepen hazen voorbij; daar zagen zij geiten liggen en ginds

jonge herten weiden. Bovendien gingen er verscheidene onschadelijke

beesten gelijk huisdieren heen en weer. Al die dingen schonken hun na

de andere bekoringen een nog veel grooter genoegen. Toen zij het een en

het ander voldoende gezien hadden en naar hun verlangen hadden

gewandeld, lieten zij rondom de schoone fontein de tafels zetten en

nadat zij hier eerst zes liederen hadden gezongen en eenige dansen

hadden gedaan, naar het de koningin beviel, begonnen zij te eten en

werden zij in de grootste en schoonste en rustigste orde bediend. Door

de goede en heerlijke spijzen vroolijker geworden stonden zij op en

gaven zich weer over aan muziek, zang en dans, tot het de koningin bij

de opkomende hitte tijd scheen, om aan wien het behaagde, te gaan

slapen. Dezen gingen er toe over, genen door de schoonheid van dit oord

overmeesterd, wilden niet heengaan maar bleven daar de een bezig was

met het lezen van romans, de ander met schaakspelen of met dammen,

terwijl de anderen siësta hielden. Maar toen de noen voorbij was, stond

men op, waschte het hoofd met frisch water en kwam men op de weide,

gelijk het de koningin behaagde, bijeen. Nadat men zich aldaar volgens

gewoonte had neergezet, wachtte men het oogenblik af om geschiedenissen

te gaan vertellen over het onderwerp door de koningin voorgesteld. De

eerste onder hen, aan wien de koningin dien last opdroeg was

Filostrato, die aldus begon:

De Decamerone van Boccaccio · 第 25 / 116 题