Paganino van Monaco rooft de vrouw van signor Ricciardo van
Chinzica. Deze, wetend, waar zij zich bevindt, reist weg, wordt de
vriend van Paganino en eischt haar weer op. Hij staat haar, als zij
het wenscht, aan hem af, maar zij wil niet met hem terugkeeren en
als de heer Ricciardo sterft, wordt zij de echtgenoote van
Paganino.
Ieder in het eerzaam gezelschap vond de geschiedenis door hun koningin
verhaald schoon, en vooral Dioneo, die alleen nog dien dag moest
vertellen. Hij zeide, nadat er vele loftuitingen waren uitgesproken:
Schoone donna’s. Een deel der geschiedenis van de koningin heeft mij
van besluit doen veranderen om in plaats van de geschiedenis, die ik in
het hoofd had, U een andere te vertellen, dan die over de stompheid van
Bernabo,—wat voor goeds er ook voor hem uit voortkwam—en van allen, die
zich wijs maken, wat zij voor anderen veinzen te gelooven namelijk,
dat, terwijl ze de wereld doortrekken en zich verheugen zoowel met deze
als gene vrouw, op dit uur met die en op dat uur met een andere, zij
zich verbeelden, dat de thuis gebleven echtgenooten de handen aan den
gordel houden, alsof wij niet weten, die met hen geboren en getogen
zijn, wat die begeeren. Wanneer ik U die historie vertel, zal ik U
meteen bewijzen hoedanig de dwaasheid is van degenen, die zoo denken en
hoe die nog grooter is van hen, die zich machtiger geloovend dan de
Natuur, meenen door fabelachtige proefnemingen te vermogen wat dezen
niet kunnen en zich inspannen daartoe aan anderen hun aard te ontnemen,
terwijl het karakter van dezen er niet naar is aangelegd.
Er leefde dan eens te Pisa een rechter, meer geestelijk dan lichamelijk
begaafd, die messire Ricciardo di Chinzica heette [39], welke geloofde
met dezelfde middelen de vrouwen te kunnen voldoen, die hij gebruikte
voor zijn studie en die als zeer rijk man, daarom niet minder zich
beijverde een schoone en jonge vrouw tot echtgenoote te verkrijgen,
hoewel hij het een als het ander had moeten vermijden, indien hij zich
zelf raad had kunnen geven gelijk hij het anderen deed. De heer Lotto
Gualandi [40] gaf hem een zijner dochters tot vrouw, Bartolomea
genaamd, een der mooiste en begeerenswaardigste meisjes van Pisa, waar
er maar heel weinig leven, die niet slimmer als de geschakeerde
hagedissen zijn. Toen de rechter haar met zeer groote vreugde naar zijn
woning had geleid en een schoone en schitterende bruiloft had gevierd,
waagde hij het toch maar een keer gedurende den eersten nacht haar
geheel te bezitten om het huwelijksteest te besluiten en het scheelde
maar weinig of hij had de partij niet kunnen uitspelen. Daarom als een
mager, droog en zwak man moest hij den volgenden morgen goeden wijn,
versterkend voedsel en andere middelen gebruiken om in het leven terug
te keeren. Nu begon die mijnheer de rechter, beter kenner van zijn
krachten dan te voren, aan haar een kalender te verklaren goed voor
kinderen om te leeren lezen en die misschien eertijds te Ravenna [41]
was gemaakt, zoodat, naar wat hij haar aantoonde, er geen dag was, die
niet één of zelfs méér dan een feestdag was, ter eere van welke hij
aantoonde, dat man en vrouw zich moesten onthouden om verschillende
redenen van echtelijke verbindingen, waarbij nog kwamen de vasten, de
quatertempers, en de vigiliën der apostelen en van duizend andere
heiligen, en dan zoowel de Vrijdag als de Zaterdag en de Zondag, de
geheele vasten, zekere maanstanden en nog vele andere uitzonderingen.
Hij dacht misschien, dat hij met de vrouwen kon doen wat hij dikwijls
deed bij het bepleiten van een zaak.
Hij hield zich lang aan die gewoonte (niet zonder groote droefheid van
de donna, van wie hij ternauwernood eens in de maand genoot), terwijl
hij wel oppaste, dat een ander haar de werkdagen niet leerde gelijk hij
haar de rustdagen had onderwezen. Toen het eens zeer warm was, kreeg
messire Ricciardo lust om zich te gaan verpoozen op een mooie villa van
hem, dicht bij Monte Nero, en daar eenigen tijd te blijven om met zijn
schoone donna de buitenlucht te genieten. Terwijl hij daar verblijf
hield, wilde hij, om haar eenig genoegen te verschaffen, haar eens
laten visschen en in twee booten, waarvan hij in een was met de
visschers en zij in een andere met andere donna’s, gingen zij
toekijken. Het genoegen sleepte ze voort, zoodat ze zonder het te
merken, verscheidene mijlen ver in zee dreven. Ze bleven daar
aandachtiger toezien, tot opeens een galei opdaagde van Paganino Da
Mare [42], een beroemd zeeroover uit dien tijd, welke, toen deze de
booten had bespeurd, zich daarheen richtte. Dezen konden zoo spoedig
niet vluchten als Paganino die bereikte, waarin de vrouwen waren. Toen
hij daarin de schoone donna zag, begeerde hij niets anders meer en
bracht haar op zijn schip over onder de oogen van messire Ricciardo,
die al op het land was en ging weer heen.
Messire de rechter, die jaloersch was en bang als een haas, was—wat men
niet behoeft te vragen—treurig. Zonder gevolg beklaagde hij zich zoowel
te Pisa als elders over de boosheid der zeeroovers. En hij wist niet,
wie hem zijn vrouw had ontroofd of waar zij heen was gevoerd. Paganino
vond haar zeer mooi; zij stond hem aan en daar hij geen vrouw had,
wilde hij die altijd bij zich houden en zij, die eerst zeer schreide,
begon zoetjes aan te bedaren. Toen de nacht aanbrak, viel de kalender
uit haar gordel; al de feest- en rustdagen gingen haar uit het geheugen
en hij begon haar met daden te troosten, omdat woorden hem dien dag
weinig schenen te hebben geholpen. En hij verdreef haar smart zoo, dat
zij, zoodra zij te Monaco waren aangekomen, den rechter en zijn wetten
vergat en zij op de aangenaamste manier ter wereld met Paganino leefde.
Nadat deze haar naar Monaco gebracht had, leefde hij, behalve dat hij
haar dag en nacht troostte, met haar eervol als zijn echtgenoote. Toen
het op zekeren dag messire Ricciardo ter ooren gekomen was, waar zijn
vrouw zich bevond, overlegde, dat hij nooit beter doen kon dan naar
haar toe gaan en met brandend verlangen besloot hij daartoe over te
gaan, bereid elke som gelds te geven om haar terug te krijgen. Hij ging
scheep, begaf zich naar Monaco en zag daar haar en zij ook hem. Zij
vertelde het ’s avonds aan Paganino en onderrichtte dien van zijn plan.
Den volgenden morgen zag messire Ricciardo Paganino, sprak hem aan en
toonde hem in korten tijd een groote welwillendheid en vriendschap,
terwijl Paganino veinsde hem niet te kennen en afwachtte, wat hij zou
willen doen. Toen het messire Ricciardo den tijd scheen naar zijn beste
weten en het meest geschikt, bekende hij hem de reden, waarom hij was
gekomen en verzocht hem, dat hij zou eischen wat hem beviel, maar dat
hij de donna terug gaf. Hierop antwoordde Paganino met een leuk
gezicht: Messire, gij zijt welkom en om U in het kort te antwoorden,
zal ik U dit zeggen: het is waar, dat ik een jonge vrouw in huis heb,
waarvan ik niet weet of ze van U of van een ander is, omdat ik noch U
ken noch haar dan voor zoover zij korten tijd bij mij heeft gewoond.
Indien gij haar man zijt, gelijk gij zegt, zal ik, omdat gij mij een
beminnelijk edelman schijnt, U bij haar brengen en ik ben er zeker van,
dat zij, indien zij U goed kent en hetgeen gij zegt, waar is, met U wil
meegaan, terwille van Uw beminnelijkheid, en dat gij mij als
schadevergoeding wilt geven, wat gij zelf wilt. Mocht het niet zoo
zijn, dan zoudt gij mij een schurkenstreek leveren door haar mij te
ontnemen, daar ik een jonge man ben, die als ieder ander een vrouw kan
bezitten en vooral deze, die de liefste is, welke ik ooit heb gezien.
Daarop hernam messire Ricciardo: Zij is wel degelijk mijn vrouw en als
gij mij brengt, waar zij is, zult gij het zien; zij zal mij dadelijk om
den hals vallen en daarom vraag ik niet anders dan dat dit gebeurt,
gelijk gij het zelf hebt voorgesteld. Laat ons dan gaan, zeide
Paganino. Zij gingen dus naar het huis van Paganino en wachtend in een
zijner zalen, liet Paganino haar roepen en zij gekleed en getooid kwam
uit haar kamer en ging daarheen, waar messire Ricciardo met Paganino
zich bevond, maar sprak dien niet anders toe dan zij een anderen
vreemde zou hebben gedaan, die in Paganino’s huis zou zijn gekomen.
Toen de rechter dit zag, die verwacht had, dat hij door haar met de
grootste vreugde zou zijn ontvangen, verwonderde hij zich zeer en begon
tot zich zelf te zeggen: Misschien hebben de neerslachtigheid en de
langdurige smart, die ik heb doorstaan sinds ik haar verloor, mij zoo
verouderd, dat zij mij niet herkent. Daarom zeide hij: Vrouw, het heeft
mij duur gekost U ter vischvangst te hebben geleid, omdat ik nooit een
smart heb gevoeld gelijk aan die ik heb verduurd, sinds ik U verloor en
het schijnt, dat gij mij niet herkent, zoo koel ontvangt gij mij. Ziet
gij niet, dat ik uw messire Ricciardo ben, hier gekomen om te betalen,
wat deze edele heer wil en in wiens huis wij zijn, om U terug te hebben
en U van hier te voeren; hij wil zoo goed wel zijn, omdat ik het wil, U
aan mij terug te geven! De dame keerde zich tot hem en zeide met een
lichte glimlach: Messire, spreekt U tot mij! Pas op, dat gij mij niet
voor een ander houdt, daar ik, wat mij betreft, mij niet herinner U
ooit te hebben gezien. Messire Ricciardo antwoordde: Let op wat gij
zegt; zie mij goed aan, indien gij ’t U wel zult willen herinneren,
zult gij wel zien, dat ik Uw Ricciardo van Chinzica ben. De donna
zeide: Mijnheer, gij zult mij vergeven, misschien omdat het niet
eerbaar voor mij is, gelijk gij denkt, om U lang aan te zien, maar ik
heb U niettemin zoo goed beschouwd, dat ik wel weet U nooit te hebben
gezien.
Messire Ricciardo verbeeldde zich, dat zij zoo deed uit vrees voor
Paganino om niet in diens tegenwoordigheid te bekennen, dat zij hem
kende, daarom vroeg hij na eenige oogenblikken als gunst van Paganino,
dat hij haar alleen een oogenblik in de kamer mocht spreken. Paganino
zeide, dat het hem beviel, op voorwaarde, dat hij haar niet tegen haar
wil zou kussen en hij beval aan de donna, dat zij met hem in een kamer
zou gaan aanhooren, wat hij haar wilde zeggen en antwoorden, wat zij
verkoos. De donna en messire Ricciardo gingen dus alleen in een kamer
en toen zij gezeten waren, zeide Ricciardo: Kijk, hart van mijn
lichaam, mijn zoete ziel, mijn hoop, herkent gij uw Ricciardo niet, die
u meer bemint dan zichzelf? Hoe kan dat zoo zijn? Ben ik zoo veranderd?
Kijk, mijn mooi-oogje, beschouw mij nog een weinig. De donna begon te
lachen en zonder hem te laten uitspreken, zeide zij: Gij weet wel, dat
ik niet zoo kort van geheugen ben. Ik weet wel, dat gij messire
Ricciardo van Chinzica zijt, mijn echtgenoot, maar gij, terwijl ik met
u was, hebt getoond mij al zeer slecht te kennen, want als gij wijs
waart geweest of zijt, waarvoor gij wilt gehouden worden, hadt gij wel
zooveel besef gehad, dat gij hadt moeten begrijpen, dat ik jong en
frisch en ondeugend was en bijgevolg moeten weten, wat voor jonge
vrouwen behalve gekleed worden en eten, al schamen zij zich het te
zeggen, vereischt wordt; hoe gij dat deed, weet gij. En als de studie
der wetten u liever is dan de vrouw, hadt gij haar niet moeten nemen,
hoewel het aan mij nooit scheen, dat gij een rechter waart, maar
veeleer een stadsomroeper van heilige dagen en feesten, zoo goed kende
gij die evenals de vastendagen en de vigilieën. En ik zeg u, dat,
indien gij zooveel feestdagen hadt laten vieren door de boeren, die uw
velden bearbeiden, als gij aan hem hebt laten doen, die mijn klein veld
had te bewerken, gij geen korrel graan zoudt hebben geoogst. Ik heb hem
getroffen, welken God, die welwillend mijn jeugd behoedde, heeft
uitgekozen en met wien ik deze kamer bewoon, waarin geen sprake is van
zulke feestdagen (ik meen van zulke feesten als gij, meer devoot voor
God dan voor vrouwenvereering, zoo dikwijls hebt gevierd,) en nooit
komt door dezen uitgang de Zaterdag of de Vrijdag of de vigilieën of de
quatertempers of de vastentijd, die zoo lang is, maar dag en nacht
wordt hier gewerkt en het linnen geslagen en van af, dat dien nacht de
vroegmetten klonken, weet ik wel, hoe het bovendien van af den eersten
keer gaat. En daarom wil ik bij hem blijven en werken zoolang ik jong
ben. En de feesten, de boetedagen en de vasten zullen wij dienen,
wanneer ik oud zal zijn. En maakt jij op goed geluk, zoo gauw je kunt,
dat je weg komt en doe zonder mij, wat je bevalt.
Toen messire Ricciardo die woorden hoorde, ondervond hij een onduldbare
smart en zeide, toen hij haar zag zwijgen: Kijk, mijn zoete ziel, wat
spreekt gij daar voor taal! Let gij dan niet op de eer van uw ouders en
de uwe? Wilt gij liever hier blijven als bijzit van deze en in
doodzonde dan te Pisa als mijn vrouw? Hij zal u, zoodra gij hem zult
vervelen, met groote schande door uw eigen schuld wegjagen; ik zal u
altijd liefhebben en altijd zelfs als ik het niet zou willen, zult gij
mijn huisvrouw zijn. Moet gij voor die bandelooze en schandelijke
begeerte uw eer achter stellen en die van mij, die u meer bemin dan
mijn leven? Kom, mijn schat, spreek zoo niet meer, maar ga met mij mee;
van af heden, nu ik uw verlangen ken, zal ik mijn best doen dit te
bevredigen en daarom, mijn zoetelief, verander Uw besluit en ga met mij
mee, want ik heb mij nooit wel gevoeld, sinds gij mij zijt ontnomen.
Hierop antwoordde de donna: Wat mijn eer betreft wil ik, dat, nu er
niets aan te doen is, niemand anders dan ik er zorg voor draagt;
jammer, dat mijn ouders er zich niet om bekommerd hebben, toen zij mij
aan U afstonden. Maar daar ze op de mijne niet gelet hebben, ben ik nu
niet van plan op de hunne acht te slaan. En als ik nu zondig met een
vijzel, zal ik hier nog liever blijven, wanneer ik er zondig met een
stamper er bij; geeft gij daarom niet meer om mij. Dit zeg ik U:
hier—schijnt het mij—ben ik de vrouw van Paganino, terwijl het mij
scheen, dat ik te Pisa Uw bijzit was, daar ik dacht, dat slechts door
de standen van de maan en meetkundige berekeningen de planeten tusschen
U en mij samen kwamen, terwijl hier Paganino mij den ganschen nacht in
de armen sluit en mij omhelst en innig kust en hoe hij met mij omgaat,
mag God U in mijn plaats zeggen. Gij belooft ook, dat gij Uw best zult
doen. Met wat dan? Door het in drieën te doen en door je zelf er met
stokslagen toe te drijven? Ik zie, dat gij een dappere held zijt
geworden, sinds ik van U af ben. Ga heen en tracht te leven, hoewel het
mij eerder schijnt, dat gij op deze wereld slechts als huurder van je
leven en niet als eigenaar er van bestaat, zoo aamborstig en
uitgemergeld ziet gij er uit. En dit zeg ik U nog bovendien: dat, als
hij mij in den steek zou laten—wat hij mij niet van zins schijnt,
zoolang ik bij hem wil blijven—, ik niet van plan ben bij U terug te
keeren, want als men je heelemaal zou uitpersen als de druiven, zou je
nog geen schoteltje vocht opleveren. Daar ik tot mijn groote schade en
teleurstelling eens bij U geweest ben, zal ik mijn voordeel dan elders
zoeken. En hierom zeg ik U nogmaals, dat er hier geen feesten zijn noch
vigilieën; daarom wil ik hier ook blijven en gaat gij dus maar heen met
God, anders zal ik schreeuwen, dat gij mij geweld wilt aandoen.
De heer Ricciardo zag zich in een kwaad parket en erkende nu de
dwaasheid, een jonge vrouw te hebben genomen, ging treurig en
neergeslagen de kamer uit en zei nog veel tot Paganino, wat hem voor
niets hielp. Ten slotte zonder iets te hebben uitgericht, en de donna
te hebben achtergelaten, ging hij naar Pisa terug en verviel door smart
tot zulk een stompzinnigheid, dat hij, wanneer hij door die stad liep,
aan ieder, die hem groette of hem iets vroeg, niets anders antwoordde
dan: de gemeene dief verlangt geen rustdag en kort daarop stierf hij.
Daar Paganino de liefde wist en kende, die de donna hem toedroeg, nam
hij haar tot echtgenoote en zonder ooit feesten of vigilieën of vasten
te houden, hielden zij elkaar bezig zoo veel ze konden en besteedden
goed hun tijd. Daarom schijnt het mij, lieve donna’s, dat de heer
Bernabo in twist met Ambrogiuolo de zaken averechts behandeld heeft.
Die geschiedenis liet het heele gezelschap zoo lachen, dat er geen een
was, wien er de kaken niet pijn van deden en eenstemmig wisten al de
donna’s, dat Dioneo de waarheid had gezegd en dat Bernabo een domoor
was geweest. Maar toen de historie uit was en het lachen ophield, zag
de koningin, dat het al laat was. Daar allen gesproken hadden en het
einde van haar heerschappij was gekomen volgens den ingestelden regel,
nam zij den krans van het hoofd, plaatste dien op het kopje van Neifile
met blij gelaat en sprak: Voortaan, waarde gezellin, zal aan u de
regeering zijn over dit kleine volk en zij ging zitten om te rusten.
Neifile bloosde door de ontvangen hulde een weinig en op haar gelaat
verscheen de rozige gloed van April of Mei, die zich toont bij den
dageraad en de schoone oogen schitterend als de morgenster hield ze een
weinig neergeslagen. Maar toen het jolige rumoer van de aanwezigen,
waarmee zij vroolijk hun gezindheid jegens de koningin betuigden,
ophield, kreeg zij weer moed, zette zich wat hooger dan gewoonlijk, en
zeide:
Daar ik uw koningin ben en niet wil afwijken van de orde gevolgd door
hen, die voor mij geweest zijn en waarvan gij door uwe gehoorzaamheid
het gezag hebt goedgekeurd, zal ik u in weinig woorden mijn meening
doen kennen en als die met u raad is goedgevonden, zullen wij die
nakomen. Gelijk gij weet, is het morgen Vrijdag en overmorgen Zaterdag,
vervelende dagen voor de meeste menschen, wegens de spijzen, die men
dan pleegt te eten, zonder te rekenen, dat de Vrijdag onze eerbied
waard is, omdat het de dag is, waarop Hij stierf, die voor ons leed.
Daarom denk ik is het juist en geschikt tot Gods eere, dat wij ons dien
dag eer met gebeden dan met vertellingen bezighouden. Bovendien hebben
de dames op Zaterdag de gewoonte zich het hoofd te wasschen en zich van
het stof te ontdoen en van de onreinheid, die zij hebben opgedaan door
hun bezigheden in de afgeloopen week. Zij hebben insgelijks de gewoonte
te vasten ter eere van de Moedermaagd van Gods Zoon en den geheelen
volgenden Zondag geenerlei arbeid te verrichten. Daar wij dien dag
onzen leefregel niet geheel kunnen volgen, acht ik het voegzamer ons
dien dag van het verhalen van histories te onthouden. Daarna, omdat wij
hier vier dagen gebleven zijn, geloof ik, indien wij willen vermijden,
dat nieuwe gasten komen, dat het goed zal zijn van plaats te veranderen
en elders heen te gaan en ik heb al bedacht en voorzien, waarheen wij
ons zullen begeven. Wanneer wij ons dus op die nieuwe plaats zullen
vereenigd hebben op Zondag na de siësta—daar wij heden genoeg
gelegenheid gehad hebben om te spreken en van gedachten te
wisselen—vermeen ik, zoowel omdat gij meer tijd zult hebben om na te
denken als omdat het nog mooier zal zijn een weinig de ongebondenheid
van de geschiedenissen te beperken, dat men zal moeten spreken van hen,
die door hun ijver gekregen hebben, wat zij lang hadden begeerd, of die
hebben weergevonden, wat zij hadden verloren. Dat hierover elkeen
nadenke om iets te zeggen wat nuttig of althans aangenaam kan zijn voor
het gezelschap, terwijl het voorrecht van Dioneo behouden blijft.
Ieder prees de taal der koningin en de door haar voorgestelde orde en
zij beslisten, dat het zoo zou wezen. Nadat de koningin haar hofmeester
had laten komen, wees zij hem nauwkeurig aan, waar hij ’s avonds de
tafels moest zetten en wat hij daarna moest doen gedurende den geheelen
tijd van haar bewind. Toen dit gedaan was, stond zij met het gansche
gezelschap op en gaf aan ieder verlof te doen, wat hem het meest
beviel. De dames en heeren begaven zich dientengevolge naar een kleinen
tuin, en daar, nadat zij een weinig hadden gewandeld, hielden zij op
het aangewezen uur het avondmaal met vreugd en genoegen. Nadat zij
hiervan waren opgestaan, leidde, naar het de koningin behaagde, Emilia
den dans en werd het volgende lied gezongen, waarop de ander
antwoordde:
Welke donna zal zingen, als ik het niet doe,
Die voldaan ben in al mijn begeerten!
Kom dan, Amor, oorzaak van al mijn vreugde
Van al mijn hoop, van al mijn blij geluk;
Laat ons samen wat zingen
Niet van zuchten, noch van bittere pijnen,
Die mij thans Uw vreugde zoeter maken
Maar alleen van het heldere vuur,
Waarvan ik brandend in blijdschap leef en mij verheug
U aanbiddend als mijn god.
Gij hebt mij voor de oogen gesteld, o Amor,
Den eersten dag, dat Uw vuur in mij gloeide
Zulk een jongeling,
Dat er aan schoonheid, aan hartstocht noch moed
Ooit een betere zal zijn te vinden
Noch aan hem gelijk.
Ik ben zoo voor hem ontvlamd, dat ik
Blij met U zing, o mijn heer.
En wat mij hierin het meest verheugt,
Is, dat ik hem evenveel behaag als hij mij,
Dank zij U, Amor.
Ik hoop in deze wereld mijn verlangen
Te bevredigen en in de andere vrede te vinden
Door het volkomen vertrouwen,
Dat ik hem toedroeg. God, die dit ziet,
Zal er zich in zijn hemelrijk nog over erbarmen.
Hierna zong men er nog vele anderen, deed men nog verscheidene dansen
en bespeelde men verschillende instrumenten. Maar toen de koningin het
tijd achtte om te gaan rusten, ging elk, voorafgegaan door toortsen,
naar zijn kamer en de twee volgende dagen vrij van de taak, waarvan de
koningin had gesproken, verwachtten zij met verlangen den Zondag.