Bernabo van Genua wordt door Ambrogiuolo bedrogen, verliest zijn
geld en beveelt daarom zijn onschuldige vrouw te laten dooden. Zij
ontvlucht en in mansgewaad dient zij den Sultan, vindt den
bedrieger en laat haar man naar Alexandrië komen, waar deze
gestraft wordt. Zij doet daarop weer haar vrouwenkleeren aan en
keert met haar man, rijk geworden, naar Genua terug.
Nadat Elisa met haar aandoenlijke geschiedenis haar plicht had vervuld,
zeide koningin Philomena, die schoon en groot was van gestalte en meer
dan een andere een innemend en lachend gelaat had: Men moet zich houden
aan de overeenkomst aangegaan met Dioneo en daar er geen anderen
overblijven dan hij en ik om te verhalen, zal ik het eerst mijn
historie vertellen en hij, die dit als een gunst verkreeg, zal als
laatste spreken. Na die woorden begon zij aldus:
Men pleegt onder het volk dikwijls het spreekwoord te gebruiken dat de
bedrieger de slaaf wordt van den bedrogene, waarvan men op geen enkelen
grond de waarheid zou kunnen aantoonen, indien de feiten het niet
bewezen. Om ons voornemen te volgen en omdat dit alles, lieve donna’s,
waar is, gelijk men beweert, heb ik lust gekregen het u aan te toonen.
Het zal u niet onaangenaam zijn dit te hooren, opdat gij u voor
bedriegers kunt in acht nemen.
Er waren in een herberg in Parijs eenige zeer groote Italiaansche
kooplieden, volgens hun gewoonte de een voor deze, de ander voor gene
zaak. Nadat zij op een avond onder elkaar allen gezellig hadden
gegeten, begonnen zij over verschillende dingen te spreken en van het
eene onderwerp op het andere komend, begonnen zij te praten over hun
vrouwen, die ze thuis hadden gelaten en schertsend begon er een te
zeggen: Ik weet niet, hoe de mijne doet, maar dit weet ik wel, dat,
wanneer een meisje mij in handen komt dat mij bevalt, ik de liefde ter
zijde laat, die ik voor mijn vrouw voel en hiervan profiteer zooveel ik
kan. De ander antwoordde: En ik handel zoo insgelijks, want als ik
geloof, dat mijn vrouw er haar plezier van neemt, dan doet zij het, en
als ik het niet geloof, doet ze het ook en dus doen we wederkeerig
hetzelfde, leer om leer. De derde kwam, het woord nemend, tot dezelfde
meening en om kort te gaan scheen het allen, dat ze het hierover eens
werden, dat zij door het achterlaten van hun vrouwen hun tijd niet
verloren. Slechts een, die den naam droeg van Bernabo Leomellin van
Genua, beweerde het tegendeel en hield vol, dat hij door bijzondere
genade van God een vrouw tot echtgenoote had, die meer begaafd was met
alle deugden dan in het algemeen een edelvrouw, een ridder of een page,
die er misschien in Italië zijn. Want zij was schoon van vorm en nog
zeer jong, handig en sterk en er was niets van vrouwelijke
bedrevenheid, als het borduren van zijden handwerken en dergelijke
dingen meer, wat zij niet beter deed dan wie ook. Behalve dat, zeide
hij, was er geen schildknaap of bediende, die beter en vlugger aan de
tafel van een heer diende en die hoffelijker, wijzer en meer bescheiden
was. Daarna prees hij haar nog meer, omdat ze paard kon rijden, een
valk dragen, lezen, schrijven en rekenen alsof ze een koopman was en
toen na vele loftuitingen kwam hij, die daarover sprak, er toe plechtig
te beweren, dat er geen eerbaarder en kuischer vrouw was te vinden dan
zij. Daarom geloofde hij zeker, dat, indien hij tien jaar of zelfs
altijd buitenshuis bleef, zij zich nooit zou afgeven met een anderen
man. Bij die kooplieden, die zoo spraken was een jonge man, Ambrogiuolo
genaamd van Piacenza, die met de laatste loftuiting, welke Bernabo
gegeven had aan zijn vrouw, den grootsten spot der wereld begon te
drijven en schertsend vroeg hij of de keizer hem dit voorrecht boven
alle andere mannen geschonken had. Bernabo zeide een weinig onthutst,
dat niet de keizer maar God, die wat meer vermocht dan de keizer, hem
die genade had verleend. Toen zeide Ambrogiuolo: Bernabo, ik twijfel er
niet aan, dat gij in deze zaken gelooft de waarheid te zeggen, maar
naar het mij schijnt, hebt gij op hun aard weinig acht gegeven; want
indien gij dit had gedaan zou ik niet denken, dat gij in deze bekende
dingen zoo dom waart en gij hierover niet kalmer zoudt spreken. En
omdat gij niet gelooft, dat wij, die zeer vrij over onze vrouwen
gesproken hebben, ons verbeelden andere vrouwen te hebben of anders
gemaakt dan de uwe, maar dat wij aldus gesproken hebben gelijk wij
meenen, wil ik met u een weinig over die zaak praten. Ik heb altijd
gehoord, dat de man het edelste dier is onder de andere schepsels door
God geschapen en daarna de vrouw, maar de man gelijk men algemeen
gelooft en ziet door zijn werken is de volmaaktste en daar hij
volmaakter is, heeft hij zonder twijfel meer vastberadenheid en
standvastigheid, daar de vrouwen in het algemeen veel bewegelijker zijn
en waarom, dat zou men om vele natuurlijke redenen kunnen aantoonen,
welke ik nu wil ter zijde laten. Indien de man dus van grooter
vastberadenheid is en zich niet kan weerhouden, laat staan tegenover
een, die het hem vraagt, zelfs tegenover het ontberen van een vrouw,
die hem bevalt en bij die begeerte nog alles wil doen om zich met haar
te verstaan en dit niet eens in de maand maar duizend keer per dag, wat
kunt gij dan hopen, dat een veranderlijke vrouw doen kan tegen de
beden, de listen, de geschenken en de duizend andere middelen, die een
slim man heeft, welke haar bemint? Denkt gij, dat zij weerstand kan
bieden? Zeker, hoezeer gij het ook zoudt volhouden, ik zou niet
gelooven, dat gij het zelf denkt. En gij zegt, dat u echtgenoote een
vrouw is en dat zij van vleesch en been is als de anderen. Als dit zoo
is, moeten haar begeerten ook dezelfden zijn en haar krachten geen
anderen om die natuurlijke lusten te weerstaan. Daarom is het mogelijk,
hoe eerbaar zij ook mag wezen, dat zij als een andere handelt en geen
enkele mogelijkheid kan zoo sterk ontkend worden gelijk gij doet als
het tegengestelde bevestigd kan worden. Hierop antwoordde Bernabo: Ik
ben koopman en geen wijsgeer en zal dus als koopman antwoorden. Ik zeg
u, dat wat ik weet, kan gebeuren aan gekkinnen, die geen eergevoel
hebben, maar zij, die verstandig zijn waken zoo voor hun eer, dat zij
veel sterker daarin worden dan de mannen, die er zich niet om
bekommeren. En zoo is het met de mijne gesteld. Ambrogiuolo zeide:
Waarlijk, indien elken keer, dat zij zich tot zulke histories laten
overhalen hun een hoorn op het voorhoofd groeide, die getuigenis gaf
van wat zij hadden gedaan, dan zou ik gelooven, dat weinigen er toe
zouden overgaan, maar in plaats, dat er een hoorn groeit, blijft er bij
hen, die wijs zijn spoor noch indruk achter en de schande en de blaam
bestaan slechts bij bekend geworden zaken; daarom, als zij het kunnen,
doen zij het, of wel ze laten het uit domheid. En houdt dit voor zeker,
dat die alleen kuisch is, die nooit gevraagd is door iemand of zoo zij
het zelf vroeg, niet werd verhoord. En hoewel ik weet, dat dit om
natuurlijke en ware redenen zoo moet zijn, zou ik er niet van spreken
zoo overtuigd als ik het doe, indien ik niet herhaalde malen en met
vele gevallen het bewijs had gehad. Ik zeg u dit namelijk, dat ik,
indien ik bij uw heilige donna was, ik geloof haar in korten tijd over
te halen tot wat ik bij anderen gedaan heb gekregen. Bernabo antwoordde
verlegen: Ons twistgesprek zou met woorden te lang kunnen duren; gij
zoudt dit zeggen en ik dat en eindelijk zou er niets uit volgen. Maar
omdat gij zegt, dat allen zoo buigzaam zijn en gij zoo zijt aangelegd,
ben ik bereid, opdat gij u van de eerbaarheid van mijn donna verzekert,
mij het hoofd te laten afslaan, indien gij haar ooit kunt voeren tot
wat u behaagt. Indien gij het niet kunt, wil ik, dat gij mij minstens
duizend goudguldens betaalt. Ambrogiuolo, al door dit gesprek verhit,
zeide: Bernabo, ik weet niet, wat ik met uw bloed zou doen, indien ik
zou overwinnen, maar indien gij er lust in hebt het bewijs te zien van
wat ik al gezegd heb, zet gij er dan vijfduizend goudguldens tegen, die
u minder dierbaar moeten zijn dan uw hoofd. En daar gij nog geen
enkelen termijn hebt vastgesteld, wil ik mij verplichten naar Genua te
gaan en binnen drie maanden van af den dag, dat ik van hier vertrek,
zal ik uw vrouw naar mijn wil hebben geleid en tot bewijs er van een
van haar dierbaarste zaken met mij terug brengen om u zoodanige en zoo
groote bewijzen te geven, dat gij zelf zult bekennen, dat het waar is,
op voorwaarde, dat gij mij belooft op uw woord niet binnen dien
bepaalden termijn naar Genua te gaan, noch haar iets over die zaak te
schrijven. Bernabo zeide, dat het hem zeer aanstond en hoewel de andere
kooplieden, die tegenwoordig waren, hun best deden hem hiervan af te
brengen, wetend dat er groot kwaad uit kon geboren worden, waren toch
de geesten der twee kooplieden er zoo door verhit, dat ondanks den wil
van de anderen door mooie contracten zij tegenover elkaar wat dat
betreft verplichtingen aangingen.
Toen die geteekend waren, bleef Bernabo achter en Ambrogiuolo kwam zoo
gauw mogelijk te Genua. Na er eenige dagen gebleven te zijn en met veel
voorzorg zich te hebben op de hoogte gesteld van de straatnaam,
waaronder de donna woonde en van haar manier van leven, had hij er weer
van gehoord, wat hij al van Bernabo vernomen had. Daarom scheen het
hem, dat hij een dollen streek had gedaan. Maar toch na een arme vrouw
te hebben gesproken, die veel in haar huis kwam en aan wien de donna
welgezind was kocht hij, daar hij geen ander middel wist, haar met geld
om en liet zich door haar in een opzettelijk gemaakte kist er heen
dragen, en niet alleen in huis, maar zelfs in de kamer der donna en
daar, alsof de goede vrouw wilde weggaan voor eenige dagen, verzocht
zij volgens de les, die Ambrogiuolo haar had gegeven, dat men de kist
er gedurende eenige dagen bewaarde. Toen de kist daar bleef en de nacht
inviel, maakte Ambrogiuolo op het uur, dat hij dacht, dat de dame
sliep, de kist open, en kwam stil in de kamer, waar een licht brandde.
Hij begon de ligging van de kamer te onderzoeken, de schilderijen en
alle andere merkwaardige zaken, die er in waren, om ze in het geheugen
te prenten. Daarop naderde hij het bed en zag, dat de donna en een
klein kind bij haar vast sliepen. Hij deed haar geheel naakt liggen en
zag, dat zij even schoon was als gekleed, maar dat hij geen enkel
teeken kon medenemen behalve een, dat zij op de linkerborst had en dat
bestond uit een kleine uitwas, waarom eenige goudblonde haren groeiden.
Dit ziende, dekte hij haar weer stil toe, hoewel hij, terwijl hij haar
zoo schoon zag, begeerde zijn leven te wagen om bij haar te liggen.
Maar daar hij gehoord had, dat zij zoo onverzettelijk was in die
dingen, durfde hij het niet. Hij bleef het grootste deel van den nacht
op zijn gemak in de kamer, trok een beurs en een vest zonder mouwen uit
een van haar koffers, een ring en een gordel en deed alles in zijn
kist. Hij ging er ook in en sloot die als te voren en zoo bracht hij
twee nachten door zonder dat de donna er iets van merkte. Op den derden
dag volgens het afgesproken plan kwam de goede vrouw haar kist halen en
bracht die terug, vanwaar ze haar gehaald had. Ambrogiuolo kwam er uit
en nadat hij de vrouw volgens de gedane belofte had tevredengesteld,
keerde hij zoo gauw hij kon, vóór den bepaalden termijn met die zaken
naar Parijs terug.
Toen hij daar de kooplieden had bijeen geroepen, die tegenwoordig waren
geweest bij het gesprek en het doen van de weddenschap, zeide hij in
tegenwoordigheid van Bernabo, dat hij de weddenschap tusschen hen
aangegaan, had gewonnen, omdat hij volvoerd had, waar hij zich op had
beroemd. En om te bewijzen, dat dit waar was, beschreef hij eerst den
vorm van de kamer en de schilderijen, toonde daarna de voorwerpen, die
hij mee had gebracht en beweerde die van haar te hebben gekregen.
Bernabo gaf toe, dat de kamer was zooals hij die beschreef en bovendien
erkende hij ook, dat die voorwerpen aan zijn donna hadden behoord. Maar
hij beweerde, dat hij van een der bedienden des huizes het voorkomen
van de kamer kon weten en op gelijke wijze die voorwerpen kon hebben
gekregen. Daarom, indien hij daartegen niets had in te brengen, scheen
dit hem niet voldoende om zich overwonnen te verklaren. Daarom zeide
Ambrogiuolo: Dit moet wel degelijk voldoende zijn, maar, daar gij wilt,
dat ik nog meer zeg, zal ik dan ook meer zeggen. Ik weet, dat mevrouw
Ginevra onder de linkerborst een tamelijk groote vlek heeft met
misschien zes goudblonde haren er om heen. Toen Bernabo dit hoorde,
leek het hem of hij een smart voelde als van een messteek in het hart,
en daar hij geheel van kleur veranderde, hoewel hij geen woord had
gesproken, gaf hij duidelijk genoeg blijk, dat het waar was, wat
Ambrogiuolo vertelde en zeide: Heeren, wat Ambrogiuolo zegt, is waar,
en omdat hij gewonnen heeft, mag hij om het geld komen, wanneer hij
wil. Aldus werd Ambrogiuolo den volgenden dag volkomen bevredigd.
Bernabo, van Parijs vertrokken, ging met zeer verbitterden geest naar
de donna te Genua. Toen hij het naderde, wilde hij er niet binnen gaan
maar bleef er wel twintig mijlen vandaan op een van zijn landgoederen
en hij zond een knecht, waarin hij veel vertrouwen stelde, met twee
paarden en met zijn brieven naar Genua, schreef aan de donna, dat hij
was teruggekeerd en dat zij met den bediende tot hem zou komen. Hij gaf
bovendien in het geheim aan den knecht last, dat die op een plaats,
waar deze het het geschikst achtte zonder genade de donna moest
vermoorden en dat hij dan naar hem moest terugkeeren. Toen de knecht te
Genua aankwam en de brieven waren overhandigd en de boodschap was
overgebracht, werd hij door de vrouw met groote vreugde ontvangen,
welke den volgenden morgen met den knecht te paard steeg en den weg
naar zijn landgoed insloeg. Terwijl zij samen voortreden en over
allerlei dingen spraken, kwamen zij in een zeer diepe en eenzame
vallei, afgesloten door hooge rotsen en boomen, die aan den knecht de
plaats leek om veilig het bevel van zijn meester te volvoeren. Hij trok
het mes, nam de donna bij den arm en zeide: Mevrouw, beveel uw ziel
eerst aan God, daar gij zonder verder voort te reizen moet sterven. De
donna zag het mes, hoorde de woorden en zeide geheel ontsteld: Bij God
genade! Voor gij mij doodt, zeg mij, waarmee ik u kwaad heb gedaan, dat
gij mij moet dooden? Mevrouw, zei de knecht, gij hebt mij met niets
kwaad gedaan en waarmee ge het uw echtgenoot deed, weet ik niet, alleen
dat hij mij beval zonder medelijden met u te hebben, u op dezen weg te
dooden en als ik het niet zou doen, dreigde hij mij te laten ophangen.
Gij weet wel, hoe ik gebonden ben en hoe ik, wat hij mij gelast, niet
kan weigeren. God weet, hoe ik met u begaan ben, maar ik kan niet
anders. Daarop hernam de donna weenend: In Gods naam wordt niet om
anderen te dienen de moordenaar van iemand, die u nooit iets kwaads
toevoegde. Aan God, die alles weet, is bekend, dat ik nooit iets deed
waardoor ik van mijn man zulk een loon moest ontvangen. Maar laat ons
dit nu ter zijde stellen: gij kunt wanneer gij wilt, tegelijkertijd aan
God, aan mijn man en aan mij een dienst doen, doordat gij mijn
kleederen aantrekt en gij mij alleen uw wambuis en een overrok geeft.
Keer hiermee naar mijn en uw heer terug en zeg hem, dat gij mij hebt
gedood en ik zweer u bij het leven, dat ik u schuldig ben, dat ik mij
zal verwijderen en dat noch hij, noch gij, noch iemand in deze streken
iets van mij zal hooren. De knecht, die haar ongaarne doodde, kreeg
spoedig medelijden. Hij nam haar kleeren en na haar zijn wambuis en
overrok te hebben gegeven en haar het weinige geld achter gelaten te
hebben, dat zij bij zich had, verzocht hij haar, dat zij uit die streek
wegging, liet haar in de vallei met een paard alleen en begaf zich naar
haar heer, tot wien hij zeide, dat zijn bevel niet slechts was
volvoerd, maar dat haar lichaam door de wolven was verslonden.
Bernabo ging na eenigen tijd naar Genua terug, waar hij, toen het feit
bekend werd, zeer werd geminacht. De donna, alleen en troosteloos
achter gelaten, ging, zoodra de nacht gekomen was en zoo goed mogelijk
vermomd, naar een dorp daar in de buurt en hier kocht zij van een oude
vrouw al wat ze noodig had, bracht het wambuis naar haar lichaamsmaat
in orde door het te verkorten en maakte zich uit haar overrok een paar
broeken. Zij knipte zich de haren en geheel vervormd in de gedaante van
een zeeman ging zij naar de zeekant. Daar vond zij bij toeval een
Catalonisch edelman, segnor Encararch genaamd, die van zijn schip, dat
niet ver vandaar lag, te Alba was afgestapt om zich aan een fontein te
verfrisschen. Zij trad met hem in onderhandeling, bood zich hem als
dienaar aan, ging er scheep en liet zich Sicurano van Finale noemen.
Hier trok hij betere kleeding aan in de liverei van den edelman en
begon dien zoo goed en met zooveel toewijding te dienen, dat hij zeer
in zijn gunst kwam. Niet lang daarna voer die Catalonieër met een
lading naar Alexandrië, bracht eenige pelgrimsvalken aan den Sultan en
bood hem die aan. De Sultan onthaalde hem een paar maal en nadat hij de
manieren van Sicurano gezien had, die hem steeds bediende en welke hem
behaagden, vroeg hij dien van den Catalonieër over te nemen. Hoewel het
dien verdroot, stond hij hem dezen toch af.
Sicurano verwierf in korten tijd niet minder de genade en de liefde van
den Sultan door zijn goede wijze van werken als hij het bij den
Cataloniër had gedaan. Na verloop van tijd gebeurde het, dat er op
zekeren datum van het jaar, bij wijze van kermis, een groote
verzameling moest bijeenkomen van kooplieden zoowel Christenen als
Mahomedanen te Acre, dat onder de heerschappij van den Sultan stond.
Opdat de kooplieden er veilig waren, was de Sultan gewoon er behalve
andere beambten, een van zijn grootwaardigheids-bekleeders heen te
zenden met lieden, die als wacht dienst deden. Toen dat tijdstip
naderde, had hij plan om er Sicurano heen te sturen, die uitstekend de
taal kende en zoo deed hij. Toen Sicurano in Acre kwam als heer en
kapitein van de garde der kooplieden en van den handel en daar goed en
ijverig deed, wat tot den dienst behoorde en allen om zich heen
beschouwde, zag hij er veel Siciliaansche, Pisaansche, Genueesche,
Venetiaansche en andere Italiaansche kooplieden en onderhield zich met
hen gaarne tot herinnering aan zijn land. Toen hij eens onder andere
keeren was gekomen in een winkel van Venetiaansche kooplieden, zag hij
onder meer kostbaarheden een beurs en een gordel, welke hij wel als de
zijnen herkende en was daarover verwonderd, maar zonder een ander
gezicht te trekken, vroeg hij vriendelijk van wie ze waren en of ze hem
die wilden verkoopen. Nu was Ambrogiuolo van Piacenza hierheen gekomen
met veel koopwaar op een Venetiaansch schip, dat hem behoorde. Hij
vernam, dat de kapitein van de garde vroeg van wie ze waren, kwam naar
voren en zei lachend: Heer, het zijn voorwerpen van mij en ik verkoop
ze niet, maar als zij u bevallen, zal ik ze u gaarne schenken.
Sicurano, die hem zag lachen, vermoedde, dat de koopman door een of
ander gebaar hem had herkend, maar toch hield hij zich goed en zeide:
Gij lacht misschien, omdat gij mij als krijgsman ziet vragen naar zulke
vrouwenzaken. Ambrogiuolo zeide: Neen, daar lach ik niet om, maar ik
lach om de manier, waarop ik ze verkreeg. Sicurano antwoordde hem:
Kijk, als God U goed geluk geeft, en dit geen geheim is, zeg mij dan,
hoe gij ze hebt gekregen. Neen, hernam Ambrogiuolo, dezen werden mij
met iets anders geschonken door een edelvrouw van Genua, mevrouw
Ginevra genaamd, echtgenoote van Bernabo Leomellin, een nacht, dat ik
met haar sliep en zij mij vroeg, of ik ze van haar liefde wilde
behouden. Nu lach ik, omdat ik mij de dwaasheid van Bernabo herinner,
die gek genoeg was om vijfduizend goudguldens tegen duizend te
verwedden, dat ik zijn vrouw niet zou kunnen verleiden naar mijn wil,
wat ik deed, zoodat ik de weddenschap won. Hij, om haar zoo gauw
mogelijk te straffen voor het misdrijf, dat alle vrouwen begaan, keerde
van Parijs naar Genua terug, en liet haar, naar wat ik sinds gehoord
heb, dooden. Toen Sicurano dit hoorde, begreep hij snel wat de reden
was van den toorn van Bernabo jegens hem en begreep volkomen, dat dit
de oorzaak was van zijn lijden en hij besloot in stilte ze hem niet
ongestraft te laten houden. Sicurano deed dus of de geschiedenis hem
zeer ter harte ging en verbond zich listig met hem tot een nauwe
vriendschap, zoo, dat toen de jaarmarkt afgeloopen was, Ambrogiuolo
door zijn aanmoediging met hem en met al wat hij had, zich naar
Alexandrië begaf, waar Sicurano voor hem een winkel liet inrichten en
hem daarvoor geld genoeg ter hand stelde. Deze ziende, dat er groot
voordeel voor hem was te behalen, bleef er gaarne. Sicurano begeerig
zijn onschuld te bewijzen aan Bernabo, rustte niet, eer hij door middel
van eenige groote Genueesche kooplieden, die in Alexandrië waren,
nieuwe listen vond om hem te doen overkomen. Bernabo kwam in armzalige
omstandigheden aan en hij werd heimelijk door een van Sicurano’s
vrienden ontvangen, tot het hem tijd scheen zijn plan uit te voeren.
Reeds had Sicurano de historie door Ambrogiuolo aan den Sultan doen
vertellen, die er behagen in schepte. Maar toen hij Bernabo daar zag,
dacht hij, dat uitstel niet goed was, koos het geschikte oogenblik, en
verzocht den Sultan, dat die Ambrogiuolo en Bernabo voor zich deed
verschijnen. Hij zou in tegenwoordigheid van Bernabo, indien het niet
met zachtheid bij Ambrogiuolo kon gebeuren, met gestrengheid aan den
dag brengen, hoe de zaak naar waarheid geschied was, waarop hij zich
betreffende de vrouw van Bernabo beroemde. De Sultan beval, toen
Ambrogiuolo en Bernabo verschenen waren in tegenwoordigheid van velen,
met strengen blik, dat de eerste naar waarheid vertelde, hoe hij van
Bernabo vijfduizend goudguldens had gewonnen. En hier was Sicurano bij,
in welken Ambrogiuolo meer vertrouwen had en die met een nog
boosaardiger gelaat hem met de vreeselijkste folteringen bedreigde, als
hij het niet bekende. Ambrogiuolo dubbel verschrikt en zeer gedwongen
verklaarde, daar hij geen andere straf er voor verwachtte dan de
teruggaaf van de vijfduizend goudguldens en van de voorwerpen, in
tegenwoordigheid van Bernabo en van vele anderen, duidelijk hoe het
feit was gebeurd en verhaalde alles. Toen Ambrogiuolo gesproken had,
zeide Sicurano als uitvoerder van des Sultans bevelen tot Bernabo
gekeerd: En wat deedt gij uw vrouw naar aanleiding van dat bedrog?
Hierop antwoordde Bernabo: Ik, overmand door den toorn over het verlies
van mijn geld en over de blaam en de schande, die ik om mijn vrouw op
mij scheen te hebben geworpen, deed haar door een van mijn knechts
dooden en naar wat die mededeelde, is zij spoedig door de wolven
verslonden.
Toen dat alles in tegenwoordigheid van den Sultan gezegd was en door
hem gehoord en begrepen, zonder dat hij nog inzag, wat Sicurano, die
zelf de vragen gesteld had, er mee voorhad, zeide deze: Heer, gij kunt
wel begrijpen, hoezeer die goede dame zich kan beroemen op haar minnaar
en haar echtgenoot, want de minnaar ontrooft haar de eer en tegelijk
vernietigt hij haar goede naam met bedrog en maakt haar echtgenoot
ongelukkig en de echtgenoot eerder geloovend aan de leugens van anderen
dan aan de waarheid, die een langdurige ervaring hem had doen kennen,
laat haar dooden en verslinden door de wolven. En behalve dit gaat de
liefde zoowel van den minnaar als van den echtgenoot voor haar zoover,
dat, terwijl beide lang met haar leven, geen van beide haar leert
kennen. Maar opdat gij volkomen zult inzien, wat elk van hen heeft
verdiend, waar gij mij de bijzondere gunst wilt toestaan den bedrieger
te straffen en den bedrogene te vergeven, zal ik haar hier zoowel in Uw
tegenwoordigheid als in de hunne doen verschijnen.
De Sultan geneigd om in deze zaak in alles Sicurano ter wille te zijn,
zeide, dat hij het goed vond en dat hij de donna zou doen komen.
Bernabo verwonderde zich hierover zeer, daar hij vast geloofde, dat zij
dood was en Ambrogiuolo, die zijn ongeluk al vermoedde, had nu vrees
voor erger dan alleen zijn geld terug te betalen en wist niet of hij
meer te hopen dan te vreezen had, omdat de donna daar kwam en
verwachtte met groote verwondering haar komst.
Toen de Sultan aan Sicurano dit had toegestaan, wierp die zich weenend
aan de voeten van den vorst, liet tegelijk haar mannenstem varen en
haar mannelijk voorkomen en zeide: Heer, ik ben de ongelukkige Ginevra;
ik heb zes jaar in mansvermomming door de wereld gezworven door dien
verrader van een Ambrogiuolo valsch en oneerlijk beschuldigd en door
dezen wreeden en onrechtvaardigen man aan een knecht overgeleverd om te
worden gedood en om verslonden te worden door de wolven. Zij rukte haar
kleeren vaneen en toonde door haar boezem een vrouw te wezen en maakte
dit aan den Sultan en ieder ander duidelijk en zich toen tot
Ambrogiuolo wendend vroeg zij hem honend of hij ooit, gelijk hij
blufte, met haar had geslapen. Deze herkende haar reeds en als door
schaamte verstomd, zeide hij niets. De Sultan, die haar altijd voor een
man had gehouden was, toen hij dit zag en hoorde, zoo verwonderd, dat,
hoe meer hij er van vernam, hij des te meer geloofde, dat het eer een
droom was dan werkelijkheid.
Maar toch, toen de verbazing ophield en hij de waarheid kende, prees
hij met den grootsten lof het leven, de standvastigheid, het gedrag en
de deugdzaamheid van Ginevra, die tot nu toe Sicurano was genoemd. Hij
liet eerbare vrouwenkleederen voor haar komen en vrouwen, die haar
gezelschap zouden houden op haar verzoek en schold Bernabo de verdiende
doodstraf kwijt. Toen deze haar herkend had wierp hij zich schreiend
aan haar voeten, en vroeg vergiffenis, die zij, hoe weinig hij het ook
waard was, hem welwillend schonk, hief hem op en omhelsde hem innig als
echtgenoot. Daarna beval de Sultan, dat Ambrogiuolo op een of andere
plaats van de stad aan een paal zou worden gebonden en met honig zou
worden ingewreven en er niet van zou worden losgemaakt, eer hij er van
zelf afviel. Dit geschiedde. Daarna gaf hij last, dat, wat aan
Ambrogiuolo behoord had, aan de donna zou worden gegeven, wat niet zoo
weinig was, want het was een geldswaarde van meer dan tienduizend
pistolen. Daarna gaf hij een prachtig feest, waarbij hij Bernabo als
echtgenoot van mevrouw Ginevra en mevrouw Ginevra als zeer waardige
vrouw eerde en schonk ze aan juweelen en gouden en zilveren vaatwerk en
geld nogmaals voor een waarde van meer dan tienduizend pistolen. Na hem
een schip te hebben geleend, gaf hij hun na het feest verlof, wanneer
het hun aanstond, naar Genua terug te keeren, waar zij zeer rijk en met
groote vreugde aankwamen en met groote eer werden ontvangen vooral
mevrouw Ginevra, die door allen dood gewaand werd en die steeds bekend
was geweest om haar groote eerbaarheid en hare vele deugden.
Ambrogiuolo werd denzelfden dag aan den paal gebonden en met honing
ingewreven en tot vreeselijke straf door muggen, wespen en horzels,
waarvan dit land vol is, niet alleen gedood maar eindelijk tot op het
gebeente verslonden. Zijn gebleekte beenderen, nog slechts samenhangend
door pezen, gaven nog lang, zonder te worden weggenomen, aan iedereen
getuigenis van zijn boosheid. Zoo bleef de bedrieger de slaaf van den
bedrogene.