ACHTSTE VERTELLING.

De graaf van Angers wordt valsch beschuldigd, vlucht in

ballingschap en laat zijn twee kinderen in Engeland achter. Hij

keert daar terug uit Ierland onder anderen naam, vindt ze in een

goeden toestand, gaat als stalknecht naar het leger van den koning

van Frankrijk en wordt na onschuldig te zijn bevonden, in zijn

vroegeren rang hersteld.

De dames zuchtten vaak over de verschillende lotgevallen van de schoone

donna, maar wie weet welke reden hen deed zuchten? Misschien waren er

onder hen, die niet minder van verlangen naar een zoo vaak herhaalde

bruiloft dit deden dan uit medelijden met Alathiel. Doch dit zullen we

voor het oogenblik ter zijde laten. Toen de laatste woorden van Pamfilo

ze hadden doen lachen en de koningin daardoor zag, dat de vertelling

geëindigd was, keerde zij zich tot Elisa en beval haar, dat die met een

van haar histories de orde zou vervolgen. Deze met een blijmoedig

gelaat zeide: Het is een zeer ruim terrein, waarop wij ons heden

begeven en ieder kan er niet een, maar al licht wel tien tochten op

ondernemen. Zoo heeft de fortuin dit gebied voorzien van vreemde en

ernstige gevallen en om er een te gaan verhalen van dit oneindig

aantal, zeg ik dan:

Sinds de heerschappij over Rome van het Frankische Huis was overgegaan

van de afstammelingen van Karel den Grooten op de Duitschers, ontstond

er tusschen de Franken en eerstgenoemde natie een zeer groote

vijandschap en een felle en voortdurende oorlog, waarvoor zoowel ten

behoeve van de verdediging van zijn land als voor de ontvangen

beleediging de koning van Frankrijk en een zijner zonen met alle macht

uit hun gebied met bijna alle vrienden en verwanten, die zij bijeen

konden brengen, een groot leger verzamelden om tegen de vijanden op te

rukken. Voordat zij vertrokken, maakten zij om hun rijk niet zonder

bestuur te laten Gautier d’Angers in hun plaats tot vicaris-generaal

van het geheele fransche Koninkrijk en begaven zich op weg, want zij

meenden, dat die een edel en wijs man en een getrouw vriend en dienaar

was en hoewel vrij bedreven in de kunst van oorlogvoeren, scheen hij

het hun nog meer voor die moeilijkheden dan voor dit werk. Gautier

begon aldus, toen hij het ambt eenmaal aanvaard had, met verstand en

orde over alles te spreken met de koningin en haar schoondochter en

hoewel zij onder zijn hoede en jurisdictie [38] waren gesteld, eerde

hij ze toch steeds als zijn gebiedsters en meerderen. Deze Gautier was

zeer schoon van gestalte, misschien veertig jaar oud en zoo beminnelijk

en hoffelijk als eenig ander edelman maar zijn kon en bovendien was hij

de aardigste en de meest kiesche ridder, die men toen kende en die het

meeste zorg besteedde aan zijn uiterlijk. Toen de koning van Frankrijk

en zijn zoon al naar den oorlog waren, waarvan ik gesproken heb, en de

vrouw van Gautier stierf, die hem zonder meer slechts een jongen en een

meisje, nog zeer jong naliet, liet de vrouw van den zoon des konings,

terwijl hij het hof van die vorstinnen bezocht en met hem vaak over de

staatszaken sprak, de oogen op hem rusten, beschouwde met groote

genegenheid zijn persoon en zijn manieren en ontbrandde voor hem in

felle, verborgen liefde.

Daar zij zich jong en frisch voelde en wist, dat hij zonder vrouw was,

dacht zij licht haar begeerte te kunnen voldoen en dat haar niets

verhinderde dan haar verlegenheid. Zij besloot hem die liefde te toonen

en die verlegenheid te verjagen. Toen ze eens alleen was en het

oogenblik gekomen scheen, liet zij hem halen, alsof ze over andere

zaken met hem wilde spreken. De graaf, wiens gedachte ver van die dame

was, ging dadelijk naar haar toe en nadat hij zich met haar, gelijk zij

wilde, op een sofa had neergezet heel alleen in een kamer, en de graaf

reeds twee keer gevraagd had, waarom zij hem had ontboden en zij zweeg,

begon zij eindelijk door liefde bewogen en geheel vuurrood van

schaamte, klagend en bevend te stamelen: Mijn zeer lieve en zoete

vriend en heer, gij kunt als wijs man licht beseffen hoe groot de

zwakheid der mannen en vrouwen is en om verschillende redenen grooter

bij den een dan bij den ander. Daarom moet volgens een rechtvaardig

rechter dezelfde zonde door het verschillende karakter der bedrijvers

niet dezelfde straf ontvangen. En wie zou zeggen, dat men niet veel

meer een armen man en een arme vrouw moet brandmerken, die met arbeid

hun brood moeten verdienen, als zij door liefde worden geprikkeld en

daaraan zouden toegeven dan een rijke en niets doende dame en aan wien

niets, wat aan haar begeerten behaagt, zou ontbreken? Ik geloof bepaald

niemand. Daarom meen ik, dat gezegde dingen een groote reden tot

verontschuldiging moeten zijn ten gunste van haar, die ze kan

aanvoeren, indien zij aan haar liefde toegeeft. En het overige moet het

feit doen, dat zij een wijs en waardig minnaar heeft gekozen, indien

dit de oorzaak is, dat zij bemint. Deze oorzaken, schijnt het mij, zijn

bij mij aanwezig en bovendien meer anderen moeten mij tot liefhebben

dwingen, als mijn jeugd en de afwezigheid van mijn echtgenoot, die

thans mij ten dienste staan tot verdediging van mijn vurige liefde tot

U. Indien die zaken op U denzelfden invloed hebben als op wijze mannen,

bid ik u om mij raad en steun te geven bij wat ik u zal vragen. Het is

waar, dat door de afwezigheid van mijn echtgenoot ik geen weerstand kon

bieden aan mijne begeerten noch aan de kracht der liefde, welke van

zooveel invloed zijn, dat die de sterkste mannen en niet slechts de

teedere vrouwen reeds meermalen hebben overwonnen en ze nog elken dag

overwinnen en dat ik in de rijkdom en ledigheid, waarin gij mij ziet,

mij heb laten verleiden aan de genoegens der liefde toe te geven en

verliefd te worden. Daar ik weet, dat, indien dit bekend werd, het niet

eerbaar zou genoemd worden, vind ik het niettemin, mits het verborgen

is en blijft, volstrekt niet erg. Want toch is Amor zoo gunstig voor

mij geweest, dat hij mij niet alleen de noodige kennis heeft gegeven

voor het kiezen van mijn minnaar, maar dat hij mij er zeer bij geholpen

heeft, daar hij u aan mij waardig heeft getoond om door een edelvrouw

gelijk ik ben, bemind te worden, u, die, als mijn oordeel mij niet

bedriegt, de schoonste, beminnelijkste, aangenaamste en wijste ridder

zijt, dien men in het fransche koninkrijk vinden kan. En indien ik

zeggen kan zonder man te zijn, kunt gij ook beweren gij zonder vrouw te

wezen; daarom bid ik u in naam van een liefde zoo groot als die ik u

toedraag, dat gij mij de uwe niet weigert en dat gij medelijden hebt

met mijn jeugd, die werkelijk als het ijs in het vuur door u verteert.

Bij die woorden kwamen de tranen in zulk een overvloed, dat zij, die

nog meer tot hem smeeken wilde, er niet verder over kon spreken, maar

het gelaat buigend en als overwonnen, liet zij schreiend het hoofd op

de borst van de graaf vallen. De graaf, die een zeer loyaal ridder was,

begon met de ernstigste verwijten die zoo dwaze liefde te berispen en

haar terug te stooten, die hem al om den hals wilde vliegen. Hij begon

haar te bezweren, dat hij liever wilde gevierendeeld worden dan zoo

iets toe te staan tegen de eer van zijn heer hetzij door hem, hetzij

door iemand anders. Toen zij dit hoorde, vergat de donna opeens de

liefde en in wilde woede ontbrand zeide zij: Aldus zou ik door u, een

gewonen ridder, op die wijze met mijn verlangen versmaad worden! Maar

God beware u, nu gij mij wilt doen sterven, dat ik u niet uit de wereld

help. Bij die woorden greep zij plots met de handen in de haren en

terwijl ze die verwarde en alle uitrukte en zich bijna de kleeren van

de borst scheurde, begon zij met luider stem te schreeuwen: Help, help!

De graaf van Angers wil mij geweld aandoen! De graaf dit ziende en meer

wantrouwend jegens den nijd van de hovelingen dan jegens van zijn

geweten en bevreesd, dat er meer geloof zou worden geschonken aan de

kwaadwilligheid van die vrouw dan aan zijn onschuld, stond zoo spoedig

mogelijk op, snelde uit het vertrek en het paleis en vluchtte naar zijn

huis, waar hij zonder anderen raad af te wachten zijn twee kinderen te

paard zette en zelf op een ander gestegen zich zoo spoedig mogelijk

naar Calais begaf.

Bij het gerucht van de donna liepen velen toe, die, toen zij haar zagen

en de oorzaken van haar kreten hadden gehoord, niet alleen aan haar

woorden geloof hechtten, maar er bij voegden, dat het knappe uiterlijk

en de galante manieren van den graaf lang door hem waren aangewend om

dat te bereiken. Ze liepen dan ook woest naar de huizen van den ridder

om hem in hechtenis te nemen, maar toen zij hem er niet vonden,

begonnen zij die alle te plunderen en men brak ze daarop tot op den

grond toe af. De tijding, zoo ongunstig als men die verbreidde,

bereikte in het leger den koning en zijn zoon, die zeer vertoornd hem

en zijn afstammelingen veroordeelden tot een eeuwige ballingschap en

rijke geschenken beloofden aan wien ze levend of dood bij hen bracht.

De graaf, die het betreurde dat hij door te vluchten van onschuldig

zich schuldig deed schijnen, kwam zonder herkend te worden of zich te

doen kennen met zijn twee kinderen te Calais, stak snel naar Engeland

over en ging armelijk gekleed naar Londen, waar hij voor er binnen te

gaan uitvoerig zijn twee kleine kinderen raad gaf en voornamelijk

betreffende twee zaken: ten eerste, dat zij met geduld hun armoe

droegen, waarin buiten hun schuld de fortuin hun met hem had gebracht

en verder, dat zij met de meeste voorzichtigheid zich er voor zouden

hoeden nooit aan iemand te toonen, waar zij vandaan kwamen noch wiens

zonen zij waren, als ze hun leven liefhadden. De zoon, Louis genaamd,

was negen jaar oud en de dochter, die Violante heette, misschien zeven.

Gelijk met hun jeugdigen leeftijd overeenkwam, begrepen ze beide de les

van hun vader volkomen en toonden dit ook later door hun daden. Om te

slagen scheen het hem beter hun namen te veranderen en zoo deed hij;

hij noemde den jongen Perot en het meisje Jeannette en armelijk gekleed

te Londen aangekomen, gelijk wij dat van Fransche vagebonden zien,

begonnen zij daar te bedelen.

Toen zij bij toeval hierdoor op een morgen bij een kerk stonden, kwam

daaruit een voorname dame, die de vrouw was van een der hofmaarschalken

van den koning van Engeland. Zij zag den graaf en zijn twee kindertjes,

die om een aalmoes baden en vroeg, waar zij vandaan kwamen en of het

zijn kinderen waren. Hierop antwoordde hij, dat hij uit Picardië kwam

en dat hij door een vergrijp van zijn oudsten zoon, een schelm, met die

twee gedwongen was te vertrekken. De dame, die medelijdend was, liet de

oogen op het meisje rusten, dat haar zeer beviel, omdat zij schoon,

lief en innemend er uit zag en zeide: Beste man, als gij er vrede mee

hebt, dat ik uw dochtertje tot mij neem, omdat zij zoo’n gunstig

uiterlijk heeft, zal ik haar gaarne huisvesten en indien zij een brave

vrouw wil worden, zal ik haar uithuwen op het gunstig oogenblik zoo,

dat het haar wel zal gaan. Dit verzoek beviel den graaf zeer; hij

stemde haastig toe en gaf haar onder tranen aan haar over en beval haar

zeer aan. Toen hij zoo zijn dochter geplaatst had en wel wist bij wien,

besloot hij niet langer daar te blijven; bedelend trok hij het eiland

door en kwam met Perot in Wales niet zonder groote vermoeidheid, daar

hij niet gewoon was te voet te gaan. Daar was een andere maarschalk des

konings, die in grooten staat met een talrijk personeel leefde, in

welks hof telkens de graaf en zijn zoon verschenen om te eten. In dien

hof, waar een der zoons van den maarschalk en andere adellijke kinderen

waren en er knapenspelen uitvoerden als hardloopen en springen, begon

Perot zich met hen te vermengen en even vlug of vlugger dan eenig ander

dit te doen. Toen de maarschalk dit eens zag en hem de manier en de

wijze van doen van den jongen bevielen, vroeg hij wie dit was. Hem werd

verteld, dat hij de zoon was van een arm man, die dikwijls om een

aalmoes daar kwam, waarop de maarschalk dien liet ontbieden. De graaf,

die God om niets anders bad, stond hem vrijelijk af, hoezeer het hem

verdriet deed van hem te moeten scheiden. Toen hij aldus zijn zoon en

dochter geborgen zag, wilde hij niet langer in Engeland blijven, maar

zoo goed hij kon ging hij naar Ierland en te Stanford gekomen verhuurde

hij zich aan een vazal van den graaf van dat land als knecht en deed

alles wat een bediende of stalknecht behoort te doen en daar bleef hij

langen tijd zonder herkend te worden onder veel moeite en lasten.

Violante, Jeannette genaamd, die met de edelvrouw in Londen gebleven

was, groeide in jaren, in kracht en in schoonheid en kwam zoo in de

gunst zoowel van de dame als van haar man en van ieder ander in het

huis en van elkeen, die haar kende, dat het een wonder was om te zien.

Er was dan ook niemand, die op haar gewoonte en manieren lette, die

niet beweerde, dat zij de grootste rijkdom en eer waardig was. Hierdoor

had de donna, die haar van haar vader ontvangen had, zonder ooit te

kunnen weten wie Violante was dan door wat ze van hem gehoord had, zich

voorgesteld haar op eervolle wijze naar den stand, waartoe de edelvrouw

haar rekende te behooren, uit te huwelijken. Maar God, de rechtvaardige

kenner van de hoedanigheden, kende haar als adellijke jonkvrouw en

wist, dat zij zonder schuld voor de zonde van anderen leed en beschikte

het anders. Men moet gelooven, dat hetgeen gebeurde, opdat zij niet in

de hand van een minderen man kwam, door Zijn goedheid werd

bewerkstelligd. De edelvrouw, bij welke Jeannette woonde, had van haar

man een eenigen zoon, dien deze en zij ten zeerste lief hadden, zoowel

omdat het een jongen was als omdat hij het door zijn deugd en zijn

hoedanigheden verdiende, daar hij meer dan een ander welopgevoed was,

waardig, dapper en schoon van gestalte. Hij was misschien zes jaar

ouder dan Jeannette en daar hij haar zeer schoon en vol gratie vond,

werd hij zoo hevig op haar verliefd, dat hij buiten haar niets meer

zag. En daar hij zich verbeeldde, dat zij van lage afkomst was, waagde

hij het niet alleen haar aan zijn vader en moeder tot vrouw te vragen,

maar vreezend dat hij berispt zou worden, omdat hij begonnen was als

een poorter verliefd te worden, hield hij zijn liefde zoo goed hij kon

verborgen. Daardoor martelde die liefde hem nog meer dan wanneer hij

haar had geopenbaard. Hiervan werd hij door overmaat van smart ernstig

ziek. Verscheidene doctoren werden tot zijn genezing ontboden en nadat

zij elk teeken van zijn ziekte hadden beschouwd en geen die kon

begrijpen, wanhoopten zij allen aan zijn genezing. De vader en de

moeder van den jonkman werden hierover zoo bedroefd en neerslachtig,

dat er niets ergers voor hen bestond om te dragen en meermalen smeekte

zij met medelijdende vragen wat de oorzaak van zijn lijden was, waarop

hij zuchtend als antwoord gaf, dat hij zich geheel voelde verteren.

Eens was een heel jonge maar zeer geleerde dokter bij hem en hield hem

bij den arm, waar men den pols pleegt te voelen, toen Jeannette, die

uit eerbied voor zijn moeder hem met zorg bediende, om eenige reden in

de kamer kwam, waar de jonge man lag. Zoodra de jongeling haar zag,

voelde hij zonder een woord te spreken of een gebaar te maken met meer

kracht het liefdevuur in het hart, waardoor zijn pols sterker dan

gewoonlijk begon te kloppen, wat de medicus dadelijk merkte. Hij

verwonderde zich en bleef zwijgen om te zien, hoe lang dat kloppen zou

duren. Zoodra Jeannette de kamer uitging, hield het kloppen op;

daardoor scheen het den arts, dat hij voor een deel de oorzaak van zijn

ziekte had geraden en een oogenblik later, alsof hij aan Jeannette iets

wilde vragen en de zieke steeds bij den arm houdend, liet hij haar

roepen. Ze kwam onmiddellijk en ze was nog niet in de kamer of het

kloppen van de pols kwam bij den jonkman terug en toen ze weg was,

hield het op. Toen de dokter daardoor voldoende zekerheid dacht te

hebben, stond hij op en na den vader en de moeder ter zijde te hebben

geroepen zeide hij tot hen: De gezondheid van uw zoon is niet in de

macht der doktoren maar berust in de handen van Jeannette, welke,

gelijk ik duidelijk uit zekere teekenen heb begrepen, den jongeling

vurig lief heeft, hoewel zij er niets van merkt naar ik meen te zien.

Weet thans wat u te doen staat, als zijn leven u lief is. De edelman en

zijn vrouw waren verheugd, toen zij hoorden, dat er toch een middel was

tot zijn herstel, hoewel het hun speet, dat waar was, waaraan zij

twijfelden, namelijk dat zij Jeannette aan hun zoon tot vrouw moesten

geven. Zij gingen dan ook toen de dokter was vertrokken naar den zieke

en de donna sprak tot hem aldus: Mijn zoon, ik had nooit geloofd, dat

gij mij een van uwe verlangens zoudt hebben verborgen en dat ik u zou

zien verzwakken door hieraan niet te voldoen, omdat gij er zeker van

kunt en moet zijn, dat ik alles, wat ik tot uw bevrediging zou kunnen

aanwenden, al was het minder dan eerlijk, van zelf zou doen. Maar nu

gij zoo hebt gehandeld is God barmhartiger voor u geweest dan gij zelf

en opdat gij aan die ziekte niet sterft, heeft Hij mij de oorzaak van

uwe ziekte geopenbaard, die niets anders is dan een hartstochtelijke

liefde, die gij voor een jong meisje hebt, wie het dan ook zij. Gij

hoeft u er werkelijk niet over te schamen, omdat uw leeftijd het eischt

en als gij niet verliefd zoudt zijn, zou ik u er minder om achten.

Aldus mijn zoon, wees voor mij niet op uw hoede maar beken mij al uw

verlangens en werp de zwaarmoedigheid en de gedachte, die gij hebt en

waaruit die ziekte voortkomt, weg; vat moed en wees er zeker van, dat

er niets bestaat tot uw bevrediging, wat ik zoo mogelijk niet zal doen

voor u, die ik meer lief heb dan mijn leven. Verjaag de verlegenheid en

de vrees en zeg mij vrij of ik voor uw liefde iets kan doen. En als gij

meent, dat ik mij er niet om bekommer en dit tot een goed einde voert,

houdt mij dan voor de wreedste moeder, die ooit een zoon baarde.

Toen de jongeling de woorden van de moeder hoorde, bloosde hij eerst;

hij bedacht, dat niemand meer aan zijn verlangen kon voldoen, verjoeg

zijn verlegenheid en zeide: Mevrouw, niets anders heeft mij mijn liefde

doen verbergen dan dat ik bemerkt heb bij de meeste lieden dat zij, als

zij oud zijn, zich hun jeugd niet meer willen herinneren. Maar omdat ik

u daartoe wel bereid zie, zal ik niet alleen bekennen, wat gij hebt

gemerkt, maar ik zal u toevertrouwen op wie ik verliefd ben op

voorwaarde, dat binnen uw vermogen zoodanig gevolg uit uw belofte

voortkomt, dat gij mij weer gezond zult zien. De donna—te veel

vertrouwend, dat het gebeuren zou op de wijze, waarnaar zij zich het

voorstelde—antwoordde gulweg, dat hij gerust elk verlangen zou

openbaren, want dadelijk zou zij beproeven wat hem zou bevredigen.

Mevrouw, zei toen de jonkman, de groote schoonheid en de lofwaardige

manieren van onze Jeannette en de onmogelijkheid haar mijn liefde te

doen bemerken, hoewel zij medelijdend is en het gemis aan moed die

liefde aan wie ook toe te vertrouwen, hebben mij in den toestand

gebracht waarin gij mij ziet. Indien gij, wat gij mij hebt beloofd op

de een of andere wijze niet nakomt, wees er dan zeker van, dat mijn

leven kort zal zijn. De donna, die het meer tijd achtte voor

bemoediging dan voor berisping, zeide glimlachend: Ah, mijn zoon, woudt

gij daarvoor ziek worden? Bedaar en laat mij begaan tot gij eenmaal

beter zult zijn. De jonkman vol goede hoop toonde in den kortst

mogelijken tijd teekens van de grootste verbetering, waarover de donna

zeer verblijd begon met na te komen, wat zij had beloofd.

Ze liet op een goeden dag Jeannette roepen en vroeg haar

schertsenderwijze zeer hoffelijk of ze een of anderen minnaar had.

Jeannette werd zeer rood en antwoordde: Mevrouw, een arm meisje en uit

haar huis verjaagd gelijk ik ben en die in dienst van anderen verkeert

gelijk ik doe, vraagt men niet en past het niet liefde te verwachten.

Hierop sprak de donna: Indien gij er geen hebt, willen wij er u een

geven, met wien gij zeer gelukkig zult zijn en meer behagen zult hebben

in uw schoonheid, want het zou niet betamen aan een meisje zoo mooi als

gij, dat gij zonder minnaar zoudt blijven. Hierop antwoordde Jeannette:

Mevrouw, gij hebt mij uit de armoede van mijn vader gescheiden en mij

als uw dochter opgevoed en daarom zal ik alles tot uw genoegen doen

maar hierin niet, daar ik geloof er goed mee te handelen. Indien het u

behaagt mij een man te geven zal ik dien trachten lief te hebben, maar

geen ander, want van de erfenis mijner voorvaderen is mij niets

overgebleven behalve de eer, welke ik hoop te bewaren en te dienen,

zoolang ik leef. Dit woord scheen zeer nadeelig aan de donna voor haar

plan om de belofte aan haar zoon te houden, hoewel zij als verstandige

vrouw in stilte het meisje zeer prees en zeide: Maar Jeannette, als

Zijne Majesteit de koning, die een jong man is gelijk gij een mooi

meisje, van u liefde begeerde, zoudt gij hem die weigeren? Zij

antwoordde daarop dadelijk: De koning zou mij geweld aan kunnen doen,

maar hij zou mij nooit anders kunnen krijgen dan op eerlijke wijze. De

dame begreep hoe ze dacht, liet alle woorden verder ter zijde en

besloot haar op de proef te stellen. Aldus gaf zij haar zoon het plan

te kennen om als hij genezen zou zijn, haar met hem in een kamer te

laten en dat hij zijn best zou doen met haar zich zijn genoegen te

verschaffen. Zij zeide, dat het haar schandelijk leek voor haar zoon op

te komen als een koppelaarster en het meisje te bidden. De jongeling

was hierover in ’t geheel niet tevreden en werd opeens veel erger ziek.

Toen de donna dit zag, openbaarde zij haar bedoeling aan Jeannette.

Maar zij vond haar standvastiger dan ooit. Zij vertelde aan haar

echtgenoot, wat zij met het meisje had besproken en hoewel het hun

pijnlijk scheen, overlegden zij met wederzijdsch goedvinden haar aan

hem tot gemalin te geven, daar ze liever haar zoon levend zag dan met

een echtgenoote zijner niet waardig dan dood en zonder eenige vrouw, en

zoo deden zij na vele gesprekken.

Jeannette was hierover zeer verheugd en dankte God met vroom gemoed,

dat Hij haar niet had vergeten, maar toch noemde zij zich nooit anders

dan de dochter van een Picardiër. De jonge man genas, vierde gelukkiger

dan ieder ander man bruiloft en wijdde veel tijd aan haar.

Perot, die met den maarschalk van den koning van Engeland in Wales was

gebleven, steeg ook in den gunst van zijn heer en werd een knapper en

dapperder man dan wie ook op het eiland, zoodat noch bij de

steekspelen, noch bij het worstelen, noch bij eenige andere

wapenoefening er iemand was, die hem evenaarde. Daarom was hij onder

den naam Perot, de Picardiër, bij allen bekend en beroemd. En gelijk

God zijn zuster niet had vergeten, zoo toonde Hij ook aan hem te

denken, want toen er in die streek een pestziekte kwam, nam die de

helft der bewoners weg zonder te rekenen, dat het grootste deel van de

rest uit vrees naar andere streken vluchtte, zoodat het geheele land

verlaten scheen. Door die ziekte stierven de maarschalk, zijn heer,

diens vrouw, een zijner zoons en vele anderen zoowel broeders als neven

en verwanten, en er bleef geen ander over dan een reeds huwbaar meisje

en met eenige andere dienaren: Perot. Toen de pest een weinig ophield,

nam ze hem, die een rechtschapen en goed man was tot echtgenoot, tot

genoegen en op raad van een klein aantal vasallen, die in het leven

waren gebleven en maakte hem tot heer van alles, wat aan haar vervallen

was. Het duurde niet lang of toen de koning van Engeland hoorde, dat de

maarschalk dood was en daar hij de kracht van Perot, den Picardiër,

kende, zette hij hem in de plaats van den overledene en gaf hem diens

waardigheid. Dat gebeurde in korten tijd met de twee onschuldige

kinderen van den graaf van Angers, door hem als verloren achtergelaten.

Het was al achttien jaar geleden, dat de graaf van Angers vluchtend

Parijs had verlaten en sinds woonde hij in Ierland. Hij had een vrij

ellendig leven, had veel moeten verduren en toen hij al oud werd, kreeg

hij zin om te weten, zoo hij kon, wat er van zijn twee kinderen

geworden was. Daar hij zich geheel van uiterlijk veranderd zag en hij

zich sterker voelde door lange arbeid dan toen hij als jonkman niets

uitvoerde, bleef hij niet, waar hij lang was geweest maar vertrok arm

en slecht uitgerust, kwam in Engeland en ging daarheen, waar hij Perot

had achtergelaten. Hij vond hem als maarschalk en als een groot heer en

zag hem gezond, sterk en knap terug; dit beviel hem zeer, maar hij

wilde zich niet laten herkennen voor hij wist, wat er van Jeannette

geworden was. Daarom begaf hij zich op weg en maakte geen halt, voor

hij in Londen kwam en daar, na voorzichtig naar de donna te hebben

gevraagd aan wien hij het meisje had overgelaten, vond hij Jeannette

als vrouw van haar zoon. Dit viel hem zeer mee en hij achtte al zijn

vroegere tegenspoed gering, nu hij zijn kinderen levend en in goeden

staat had terug gevonden en verlangend haar te zien, begon hij als arm

man zich op te stellen in de buurt van haar huis. Toen Jacquet

Lamiens—zoo heette de echtgenoot van Jeannette—hem daar eens zag, arm

en oud, kreeg hij medelijden en beval aan een van zijn bedienden, dat

hij hem in zijn huis voerde en dat hij hem uit barmhartigheid te eten

gaf, wat de knecht gaarne deed. Jeannette had reeds van Jacquet

verscheidene zoons gekregen, waarvan de oudste niet ouder dan acht jaar

was. Het waren de mooiste en de aanvalligste kinderen ter wereld.

Zoodra zij den graaf zagen eten, gingen zij om hem heen staan en

begonnen hem vreugde te betuigen alsof zij zich door geheime kracht

bewogen voelden, dat hij hun grootvader was. De graaf herkende zijn

kleinkinderen en begon ze liefde te toonen en te streelen; daardoor

wilden de kinderen niet meer van hem weg, hoezeer de man belast met het

toezicht op hen ze ook riep. Jeannette bemerkte dit, ging de kamer uit,

kwam, waar de graaf zich bevond en dreigde ze te kastijden, als ze niet

deden, wat hun meester wilde. De kinderen begonnen te schreien en te

zeggen, dat zij bij dien braven man wilden blijven, dien zij meer lief

hadden dan hun meester. De dame en de graaf lachten daarom. De graaf

was opgestaan niet op de wijze van een vader, maar als een arm man om

zijn dochter eerbied te betuigen als edelvrouw en voelde, toen hij haar

zag, in het hart een wonderbare vreugde.

Maar noch toen, noch later herkende zij hem, omdat hij zeer was

verouderd bij wat hij placht te zijn, daar hij oud en kaal was en een

langen baard had en mager en bruin was geworden en eer een ander man

scheen dan de graaf. Toen de donna zag, dat de kinderen niet van hem

wilden scheiden en huilden, toen zij ze wilde doen heengaan, zeide zij

tot den meester, dat hij ze toch daar maar een weinig liet blijven.

Terwijl dit gebeurde, kwam de vader van Jacquet terug en hoorde dit van

hun meester. Daarom zeide hij, die Jeannette minachtte: Laat ze aan het

slechte avontuur over dat God hen bezorgt, want zij keeren terug,

vanwaar ze afkomstig zijn. Zij stammen door hun moeder af van bedelaars

en het is dus niet te verwonderen, dat zij gaarne met bedelaars

verkeeren. De graaf hoorde deze woorden en was er zeer bedroefd over,

maar toch het hoofd gebogen duldde hij die beleediging gelijk hij vele

anderen gedragen had. Jacquet, die de ontvangst had gezien, welke de

kinderen den goeden man bereidden, namelijk aan den graaf, hoezeer het

hem ook mishaagde, hield toch zooveel van hen, dat hij liever dan ze te

zien schreien beval, dat, indien de goede man daar in eenigen dienst

wilde treden, hij er welkom zou zijn. Hij antwoordde, dat hij daar

gaarne bleef, maar dat hij niet anders kon dan de paarden oppassen, wat

hij zijn heele leven gedaan had. Men vertrouwde hem derhalve een paard

toe en hij begon, zoodra hij dit verzorgd had, met de kinderen te

spelen.

Terwijl de fortuin op die wijze als hier beschreven den graaf van

Angers en de kinderen leidde, stierf de koning van Frankrijk na vele

wapenstilstanden met de Duitschers en in zijn plaats werd zijn zoon

gekroond, wiens vrouw den graaf had verjaagd. Toen die den laatsten

wapenstilstand met de Duitschers had geëindigd, begon hij op nieuw een

zeer fellen krijg, waarbij om hem als nieuwe verwant te helpen de

koning van Engeland een groot aantal soldaten zond onder bevel van

Perot, zijn maarschalk en van Jacquet Lamiens, den zoon van den anderen

maarschalk, waarmee de brave man, te weten de graaf, heen ging en

zonder door iemand herkend te worden langen tijd in het kamp bleef als

stalknecht. Daar gedroeg hij zich als een flink man, zoowel door

raadgevingen als door daden meer dan men van hem vergde. Gedurende den

oorlog werd de koningin van Frankrijk ernstig ziek en toen zij haar

einde zag naderen, biechtte zij, gedreven door haar zonde, vroom aan

den aartsbisschop van Rouaan, die door allen als een zeer heilig en

goed mensch werd beschouwd en onder andere zonden verhaalde zij hem,

dat door haar aan den graaf van Angers groot onrecht was gedaan. Ze had

er geen vrede mee het hem slechts te vertellen, maar zij verhaalde in

tegenwoordigheid van vele andere waardige mannen alles, wat er gebeurd

was en verzocht hen bij den koning te bewerken, dat de graaf, indien

hij leefde, in zijn rang zou worden hersteld en zoo niet dan een van

zijn zoons. Niet lang daarna werd zij, uit dit leven verscheiden,

begraven.

Toen die bekentenis aan den koning was verteld, bewoog hem dit na

eenige zuchten over het onrecht den braven man aangedaan door het

gansche leger en bovendien op vele andere plaatsen een oproep te doen,

opdat, wie hem inlichtingen zou verstrekken over den graaf van Angers

of althans over zijn zoons, ruimschoots door hem beloond zou worden,

daar hij hem voor onschuldig hield aan hetgeen waarvoor hij in

ballingschap was gegaan volgens de bekentenis gedaan door de koningin

en plan had hem tot zijn vroegeren rang en een meerderen te doen

terugkeeren. Toen de graaf in de gedaante van een stalknecht dit hoorde

en merkte, dat dit waar was, begaf hij zich dadelijk naar Jacquet en

verzocht hem samen te komen met Perot, omdat hij hun wilde aanwijzen

wie de koning zocht. Toen alle drie aldus vereenigd waren, zeide de

graaf tot Perot, die er al aan dacht zich bekend te maken: Perot, hier

is Jacquet, die uw zuster tot vrouw heeft, maar die nooit een

bruidschat heeft gehad en opdat uw zuster niet zonder bruidschat

blijft, wil ik, dat hij en geen ander de belooning krijgt, die de

koning zoo groot voor u belooft en ik zeg u als zoon van den graaf van

Angers en voor Violante, uw zuster en uw vrouw en voor mij, dat ik zelf

de graaf van Angers en uw vader ben. Perot hoorde dit, keek hem strak

aan, herkende hem spoedig, omhelsde hem en viel schreiend aan zijn

voeten. Jacquet hoorde eerst, wat de graaf gezegd had en toen ziende

wat Perot deed, werd hij op eens zoo overstelpt door verwondering en

blijdschap, dat hij nauwelijks wist wat te doen. Maar toch sloeg hij

geloof aan zijn woorden en schaamde zich zeer over de beleedigende

woorden, die hij jegens den graaf als stalknecht had gebruikt, viel hem

schreiend te voet en vroeg voor elke vroegere beleediging vergeving,

welke de graaf, na hem welwillend te hebben opgeheven, hem schonk.

Nadat zij alle drie over hun verschillende lotgevallen hadden gesproken

en zich te samen zeer hadden beklaagd en verheugd, wilde Perot en

Jacquet den graaf van kleeding laten verwisselen, maar hij stond dit

niet toe en wilde dat eerst Jacquet de zekerheid had de beloofde

belooning te ontvangen en dat hij, als dit gebeurd was, hem aan den

koning zou voorstellen in zijn dracht van palfrenier om hem meer

beschaamd te maken. Jacquet verscheen dus met den graaf en Perot voor

den koning en bood aan hem den graaf en diens kinderen voor te stellen,

waardoor deze hem volgens den gedanen oproep moest beloonen. De koning

liet spoedig in aller tegenwoordigheid de belooning brengen, die

wonderbaar scheen in de oogen van Jacquet. Hij beval hem die mee te

nemen, indien hij werkelijk den graaf en zijn kinderen bracht, gelijk

hij het beloofde. Toen keerde Jacquet zich om en na den

graaf-stalknecht en Perot voor zich te hebben geplaatst zeide hij:

Sire, zie hier vader en zoon; de dochter, die mijn vrouw is en niet

hier, zult gij met Gods hulp spoedig zien. De koning, dit hoorend, zag

den graaf aan en hoewel hij veel was verouderd bij wat hij vroeger was,

herkende hij hem toch na hem eenigen tijd te hebben aangezien en met

tranen in de oogen hief hij hem die geknield bleef, op, kuste en

omarmde hem, sprak met Perot vriendelijk en beval, dat de graaf

dadelijk van kleederen, bedienden, paarden en wapenrusting voorzien zou

worden, gelijk dat zijn adeldom eischte, wat spoedig gebeurde.

Bovendien behandelde de koning Jacquet met veel eer en wilde alles

weten van zijn vroegere lotgevallen. En toen Jacquet de hooge

belooningen aanvaardde, omdat hij hem den graaf en de kinderen had

aangewezen, zeide de graaf tot hem: Neem dit van de schatten van Zijne

Majesteit den koning en denk er aan tot uw vader te zeggen, dat uw

zonen, zijn kleinkinderen en de mijnen niet van moederskant van een

bedelaar afstammen. Jacquet nam de geschenken aan en liet zijn vrouw en

schoondochter te Parijs komen. De vrouw van Perot kwam ook mee en daar

maakte zij allen met den graaf een groot feest, dien de koning in al

zijn rechten had hersteld en meer had gemaakt dan hij ooit was geweest.

Toen ging elk met ’s konings verlof huiswaarts en de graaf leefde te

Parijs tot aan zijn dood roemrijker dan ooit.

De Decamerone van Boccaccio · 第 22 / 116 题