De sultan van Babylon geeft een zijner dochters ten huwelijk aan
den koning van Algarvië, welke door verschillende avonturen binnen
den tijd van vier jaar door de handen gaat van negen mannen in
verschillende streken. Eindelijk aan den vader als jonkvrouw
teruggegeven, gaat zij gelijk vroeger naar den koning van Algarvië
als bruid.
Indien de vertelling van Emilia langer geduurd had, zou het medelijden
van de jonge dames met de lotgevallen van vrouwe Beritola ze hebben
doen schreien. Maar toen hieraan een einde was gemaakt, behaagde het de
koningin, dat Pamfilo zou volgen om de zijne te vertellen; daarom begon
hij, die zeer volgzaam was:
Lieve dames! Het is moeilijk door ons te beseffen wat goed voor ons is.
Zoo heeft men dikwijls kunnen zien, dat vele lieden, die meenden zonder
zorg en rustig te kunnen leven, wanneer zij rijk werden, tot God daarom
baden niet alleen, maar geen enkele moeite of gevaar ontzagen om dit te
worden. Dezen, zoodra ze dat bereikten, vonden menschen, die uit
begeerte naar een zoo groot vermogen, hen weer vermoorden, en welke op
hun beurt, voor ze zich verrijkt hadden, weer hun wijze van leven
wenschten. Anderen van een lage afkomst tot het toppunt van staatsmacht
gestegen door duizend gevaarlijke veldslagen, door het bloed van
broeders en vrienden en die geloofden dat dit de hoogste toestand van
geluk was, zonder de eindelooze zorgen en angsten waarvan zij dien ook
vol zagen en bespeurden, leerden niet anders dan door hun wijze van
sterven, dat men in het goud op de koningstafel vergift drinkt. Er
waren er velen, die de lichaamskracht en de schoonheid en ook zekere
menschen, die sieraden met de hevigste begeerte verlangden en die
eveneens als genen niet van te voren gewaar werden naar iets verkeerds
te hebben gehaakt en dat die verlangens de oorzaak waren van hun dood
of van een treurig leven. En opdat ik niet afzonderlijk van alle
menschelijke begeerten spreek, beweer ik alleen, dat er niets door een
sterveling kan worden uitgekozen, dat met volle zekerheid tegen de
wisselingen der fortuin, bestand is. Willen wij dus wijs handelen, dan
moeten wij ons houden aan wat Hij geeft en kan geven, die alleen weet,
wat goed voor ons is. Maar daar gij, donna’s, het meest zondigt in één
opzicht, gelijk de menschen in verschillende dingen door begeerten,
namelijk door het verlangen schoon te zijn, in zoover dat ge, niet
tevreden met de schoonheden u door de natuur geschonken, die nog door
wonderlijke kunstmiddelen zoekt te verhoogen, staat het mij aan u te
verhalen, hoe ongelukkig het was voor een Saraceensche vrouw om schoon
te zijn, die in minder dan vier jaar daardoor negenmaal opnieuw
bruiloft vierde.
Reeds lang geleden leefde er een Sultan van Babylon [34], die Beminedab
heette en bij wien zijn leven lang alles naar wensch geschiedde. Deze
had onder anderen onder zijn vele telgen, mannelijke en vrouwelijke,
een dochter, Alathiel, die, volgens het zeggen van elk die haar zag, de
schoonste vrouw ter wereld van dien tijd was. Omdat hij in een groote
nederlaag, die hij veroorzaakt had aan een menigte Arabieren, welke hem
van achteren hadden aangevallen, uitstekend was geholpen door den
koning van Algarvië [35], had hij, toen de koning hem een bijzonderen
gunst vroeg, hem deze tot vrouw geschonken. Hij deed haar een goed
bewapend en flink loopend schip bestijgen met een aanzienlijk geleide
van mannen en vrouwen en met een voorname en rijke uitrusting zond haar
hem zoo toe en beval haar Gode aan. Toen de zeelui zagen, dat het goed
weer was, zetten ze volle zeilen bij, vertrokken uit de haven van
Alexandrië en voeren zoo verscheidene dagen. Reeds waren zij Sardinië
voorbij en scheen het einde van hun reis hun nabij, toen op een dag
plotseling verschillende winden opstaken, die elk op andere wijze
heftig het vaartuig, waarop de donna en de zeelieden waren, zoo
rammeiden, dat zij zich meermalen voor verloren hielden. Maar toch als
dappere mannen, alle kunst en alle kracht aanwendend, hielden zij het
door de eindelooze zee bestreden toch vol. Toen de derde nacht van den
opgestoken storm naderde en die niet ophield, maar meer en meer toenam,
wisten zij niet, waar ze waren en konden het noch door zeemanskunst
noch op het gezicht af weten, omdat de hemel donker bewolkt en zwart
van duisternis was. Ze waren niet ver van Majolica [36] en voelden het
schip splijten. Aldus geen middel ziende om te ontvluchten en daar
ieder aan zich zelf en niet aan anderen dacht, lieten ze een sloep in
zee en daar ze zich hierin meer vertrouwden dan op het lekke schip,
wierpen de officieren er zich het eerst in. Daarop volgden de mannen,
die op het vaartuig waren, de een na den ander, hoewel wie het eerst er
in waren afgedaald met het mes in de hand wilden beletten, dat allen er
insprongen, maar geloovend den dood te ontvluchten sprongen zij allen
er in neer. Daar de boot niet zooveel menschen kon dragen door de
woeligheid van het weer, ging zij onder en alle, die er in waren,
verdronken. Het schip, dat door een hevigen wind werd voortgedreven,
hoewel het lek was en reeds bijna vol water, liep zeer snel en stiet op
een strand van het eiland Majolica, terwijl er niemand op gebleven was
dan de donna en haar vrouwen, die allen overwonnen door den storm op
zee en de angst, voor dood daarop lagen uitgestrekt. De schok was zoo
hevig, dat alles vastliep in het zand op een steenworp afstand zoowat
van het strand. Daar bleef het geteisterd door de zee den ganschen
nacht zonder door den wind te worden vlot gemaakt. Toen het helder dag
werd en de storm een weinig bedaarde, hief de donna, die halfdood was,
het hoofd op en zoo zwak als zij was, begon zij dan die, dan gene van
haar metgezellen aan te roepen; maar zij riep voor niets, want de
geroepenen waren veel te ver weg.
Daar zij op niets antwoord hoorde geven, noch iemand zag, verwonderde
zij zich zeer en begon zeer bevreesd te worden. Zij hief zich op zoo
goed zij kon en zag de donna’s die in haar gezelschap waren en al de
andere vrouwen liggen. Zij onderzocht dan de een, dan de ander, maar
vond na veel roepen er weinigen bij bewustzijn, alsof zij allen dood
waren door vreeselijken honger of van angst, waardoor de vrees van de
donna nog grooter werd. Maar niettemin bedwong zij haar angst uit
behoefte aan beraad, omdat zij zich geheel alleen daar bevond, niet
wetend waar ze was en wekte de anderen op, die bij kennis waren, en
deed die opstaan. Toen zij bemerkte, dat die niet wisten, waar de
mannen waren heengegaan en toen zij het schip op het strand geloopen en
vol water zag, begon zij met hen te zamen jammerlijk te klagen. Het was
reeds middag, voor zij iemand op het strand of elders zagen, aan wien
zij eenig medelijden konden inboezemen om hen te helpen. Het uur van
den noen was al voorbij toen toevallig van zijn huis gaande daar een
edelman voorbij kwam, die Pericon van Visalgo heette, met enkele van
zijn trawanten te paard, die, het schip ziende, dadelijk begreep wat er
gebeurde en aan een van zijn knechten beval onmiddellijk er op te
klimmen en hem te vertellen wat er aan de hand was. Hoewel de knecht
het met moeite deed, klom hij er toch op en vond er de adellijke jonge
dame met het weinige geleide, dat zij had, die zich zeer verlegen onder
de sneb van den voorsteven van het schip verborgen hield. Toen die hem
zagen, riepen zij klagend meermalen zijn barmhartigheid in, maar daar
het zoo gesteld was, dat zij niet verstaan werden noch dat zij hem
verstonden, deden zij hun best met gebaren hun ongeluk te beduiden. De
knecht beschouwde alles zoo goed hij kon en vertelde aan Pericon wat er
gaande was. Hij liet de vrouwen er spoedig afhalen en de kostbaarste
dingen, die er op waren en ging met hen naar zijn kasteel. Toen de
donna’s met levensmiddelen en met rust versterkt waren, begreep hij
door de rijke gewaden, dat de donna, die hij gevonden had een voorname
edelvrouw moest wezen en merkte, dat ook aan den eerbied, die hij háár
alleen door de anderen zag bewijzen. En hoewel zij bleek was en geheel
ontdaan door de woede der zee, schenen haar trekken aan Pericon toch
zeer schoon. Hierdoor maakte hij dadelijk bij zich zelf het plan, dat,
als zij geen echtgenoot had, hij haar tot vrouw wilde hebben en als hij
haar niet tot echtgenoote kon krijgen, dan haar vriendschap te vragen.
Pericon was een man van fier uiterlijk en heel zwaar gebouwd. Hij had
haar steeds uitstekend laten bedienen, en toen zij geheel hersteld was
en hij zag, dat ze boven alle verwachting schoon was, betreurde hij
zeer, dat hij haar niet kon verstaan noch zij hem en aldus niet weten
kon wie zij was, maar ontvlamde niettemin bovenmatig door haar
schoonheid in liefde. Met hoffelijke en verliefde attenties deed hij
zijn best haar zonder tegenstand tot zijn bevrediging over te halen,
maar dat hielp niets. Zij wees zijn gedienstigheid beslist af en de
hartstocht van Pericon werd daardoor nog grooter. De dame bemerkte het,
daar ze al gedurende verscheidene dagen daar verkeerde en begreep door
de gewoonten van die lieden, dat zij zich onder Christenen bevond en op
een plaats, waar, indien zij zich had bekend gemaakt en als men het had
geweten, het haar weinig had geholpen. Zij bedacht, dat op den duur òf
met geweld òf door toe te geven, zij Pericon’s zin moest volgen en
besloot met hoogheid van ziel de ellende van haar lot te trotseeren.
Zij beval aan haar vrouwen, waarvan er niet meer dan drie over waren,
dat zij aan niemand zouden toonen wie ze waren, behalve als ze zich
ergens bevonden, waar zij blijkbaar uitkomst voor hun bevrijding zagen.
Bovendien vermaande zij hen vooral hun kuischheid te bewaren, en
beweerde, dat zij zich had voorgenomen, dat niemand ooit dan alleen
haar man van haar zijn zin zou krijgen. Haar vrouwen prezen haar daarom
en zeiden naar hun vermogen haar raad te zullen opvolgen. Pericon
ontbrandde van dag tot dag sterker en hoe meer hij zich in de nabijheid
van het begeerde voorwerp zag en hoe meer hij zich verstooten voelde en
bemerkte, dat zijn listen hem niets baatten, hoe meer hij sluwheid en
kunstmiddelen aanwendde om het gebruiken van geweld tot het uiterste te
bewaren. Hij had een enkele maal bemerkt, dat de donna van wijn hield,
juist omdat zij niet gewoon was deze te drinken, daar haar godsdienst
het haar verbood en hij besloot hiermee als met een dienaar van Venus
haar machtig te worden.
Hij deed, alsof hij zich niet meer bekommerde om hetgeen, waarvan de
donna zich zoo afkeerig toonde, en gaf op een avond bij wijze van een
plechtig feest een mooi avondmaal, waarop de donna kwam. Op dat feest
gaf hij, daar het gastmaal door verschillende oorzaken vroolijk was,
bevel aan hem, die haar bediende, haar van verschillende gemengde
wijnen te laten drinken. Dit gelukte zeer goed en zij, die er zich niet
voor in acht nam, bekoord door het drinken, gebruikte meer dan met haar
eerbaarheid was overeen te brengen, zoodat zij, alle voorbijgaande
tegenspoed vergetend, vroolijk werd en toen zij eenige vrouwen op de
wijze van Majolica zag dansen, begon zij op de Alexandrijnsche manier.
Pericon zag dit en scheen, wat hij verlangde, nabij te zijn. Deze zette
met meer overvloed van spijzen en wijnen het maal voort en rekte dit
tot laat in den nacht. Toen eindelijk de gasten vertrokken waren, trad
hij alleen de kamer binnen met de donna, welke meer verhit door den
wijn dan bekoeld door eerzaamheid, alsof Pericon een van haar vrouwen
was, zonder eenige schaamte zich in zijn tegenwoordigheid ontkleedde en
zich te bed begaf. Pericon stelde het niet uit haar te volgen, maar
toen hij het licht had uitgedaan, legde hij zich snel naast haar neer
en na haar in zijn armen te hebben gesloten begon hij zonder eenige
tegenspraak van haar zich op verliefde wijze te verheugen. Toen zij dit
gewaar werd berouwde het haar, daar zij nooit van te voren had geweten
van welk wapen de mannen zich bedienen, dat zij niet dadelijk op de
vleierijen van Pericon was ingegaan en zonder te wachten, dat zij tot
zoo zoeten nacht werd uitgenoodigd, verzocht zij er zelf herhaaldelijk
om niet met woorden, die zij niet verstaanbaar kon maken, maar met
gebaren. Bij dit groote genoegen van Pericon en haar, bereidde de
fortuin niet tevreden haar van koningin te hebben gemaakt tot vriendin
van een kasteelbezitter haar nog treuriger liefdesverhouding. Pericon
had een broeder van vijfentwintig jaar, knap en frisch als een roos,
die Marato heette. Toen deze haar gezien had en zij hem zeer beviel,
scheen het hem, naar de gebaren, die hij van haar kon begrijpen, dat
hij zeer in haar gunst stond en meenend, dat niets wat hij verlangde,
hem haar zou ontnemen dan alleen de waakzaamheid van Pericon, kwam hij
op een wreede gedachte en op dat denkbeeld volgde zonder verwijl de
booze daad.
Er was toen toevallig in de haven van de stad een vaartuig beladen met
koopwaren voor Clarentza [37] in Romania, waarvan twee jonge Genueezen
de meesters waren en reeds was het zeil geheschen om, daar de wind
gunstig was, te vertrekken. Met hen sloot Marato een overeenkomst en
beval, hoe door hen de donna den volgenden nacht moest worden
opgenomen. Toen dit gedaan was en het nacht werd en hij met zich zelf
had overlegd, wat er gebeuren moest, ging hij heimelijk naar het huis
van Pericon, die nergens op verdacht was, met eenige van zijn
betrouwbaarste metgezellen, welke hij had verzameld om ze te zeggen wat
hij van plan was en verborg zich volgens hun afspraak aldaar. Een deel
van den nacht ging voorbij; hij deed zijn metgezellen open en begaf
zich daarheen, waar Pericon met de donna sliep. Daar ontsloot hij de
kamer; zij vermoordden Pericon in den slaap, bedreigden de ontwaakte en
klagende vrouw met den dood, als zij eenig rumoer maakte en voerden
haar mede. Zonder opgemerkt te worden begaven zij zich met een groot
deel der kostbaarheden van Pericon naar de kade. Zonder verwijl gingen
Marato en de donna scheep, terwijl de metgezellen huiswaarts keerden.
De zeelieden spanden met een goeden en frisschen wind het zeil voor hun
reis. De dame beklaagde zich bitter zoowel over het eerste ongeluk als
over het tweede, maar Marato gebruikt een middel, dat God hem gaf en
begon haar zoo te troosten, dat zij zich naar hem voegde en Pericon
vergat en reeds scheen zij gelukkig, toen de fortuin haar een nieuwe
smart bereidde of die met de voorbijgeganen niet tevreden was. Want
daar zij zeer schoon was, gelijk wij al meermalen zeiden en van zeer
lofwaardige manieren, werden de twee heeren van het schip zoo op haar
verliefd, dat zij alles vergetend en van plan haar het hof te maken,
zich steeds in acht namen, dat Marato er de oorzaak niet van zag. Ze
merkten die liefde echter bij elkander op, hadden hierover een geheim
onderhoud en kwamen overeen den buit van die liefde te deelen, alsof
liefde gelijk handelswaar of geld wordt behandeld. Zij zagen, dat
Marato zeer op haar lette en dat zij daardoor in hun plannen werden
gedwarsboomd. Daarom zetten ze op een goeden dag alle zeilen bij en
toen Marato op den achterspiegel stond, naar de zee keek en op niets
acht gaf, naderden zij tegelijk, grepen hem snel van achteren aan en
wierpen hem in het water. Eerst nadat zij een mijl ver weg waren, kon
pas iemand bemerken, dat Marato over boord was geraakt. De donna vernam
dit en geen middel ziende om hem terug te krijgen, begon zij op het
schip op nieuw te weeklagen. De twee minnaars kwamen haar dadelijk
troosten en met zoete woorden en groote beloften, hoewel zij er weinig
van verstond, wisten zij haar, die niet zoozeer den verloren man als
wel haar ongeluk betreurde, te kalmeeren. Na verschillende malen lange
gesprekken met haar te hebben gehouden, scheen zij hen als het ware
getroost en begonnen zij onder elkaar te bepraten, wie het eerst van
hen met haar zou slapen. Daar elk de eerste wilde zijn en zij het
hierover niet eens werden, begonnen zij met kwade woorden en onder
beleedigingen te twisten en toen hun toorn toenam, gingen zij elkaar
met de hand aan het mes woedend te lijf en gaven elkaar (daar wie op
het schip waren, ze niet konden redden) verscheidene steken, zoodat er
een dood viel en de ander op vele plaatsen van zijn lichaam ernstig
verwond bleef leven. Dit mishaagde de donna zeer, daar zij zich daar
alleen zag zonder hulp of raad van wien ook. Zij vreesde zeer, dat de
toorn van de verwanten en vrienden der twee heeren zich tegen haar zou
richten, maar de gebeden van den gekwetste en de snelle aankomst te
Chiarenza, bevrijdden haar van het doodsgevaar.
Daar ging zij met den gewonde aan land en terwijl zij met hem in een
herberg was, verbreidde zich de faam van haar schoonheid door de stad
en kwam den prins van Morea ter ooren, die zich toen te Chiarenza
bevond. Daarom wilde die haar zien en toen dit plaats had en zij hem
toen schooner leek dan de faam meldde, werd hij dadelijk zoo op haar
verliefd, dat hij aan niets anders kon denken. Toen hij gehoord had,
hoe zij daar was gekomen, begreep hij, dat hij haar zou kunnen
bezitten. Terwijl hij middelen zocht en daar de verwanten van den
gekwetste hem kenden, stuurden zij haar zonder af te wachten aan den
prins, wat hem zeer aangenaam was en ook aan de dame, omdat zij uit een
groot gevaar scheen te zijn gered. Nu de prins haar zag, meende hij,
behalve door haar schoonheid, getooid met koninklijke dracht, en daar
hij op geen andere wijze kon weten wie zij was, dat zij een edelvrouw
moest zijn en daardoor nam zijn liefde voor haar nog meer toe. Hij
onderhield haar eervol niet als vriendin, maar behandelde haar als zijn
eigen vrouw.
Sinds de donna op de voorbijgegane rampen niet meer terug zag en zij
daar een zeer goed leven had en geheel herstelde, werd zij opgeruimd en
haar schoonheden fleurden zoo op, dat men in heel Romania over niets
anders scheen te kunnen spreken. Aldus kreeg de hertog van Athene, een
jong en knap man, een vriend en verwant van den prins, de begeerte haar
eens te zien. Hij kondigde aan een bezoek te komen brengen, gelijk hij
vaak gewoon was, kwam met een fraai en aanzienlijk gezelschap te
Chiarenza en werd daar met eer en met een groot feest ontvangen. Toen
men eenige dagen later over de schoonheden van die donna sprak, vroeg
de hertog of zij zoo wonderbaar mooi was als men zeide. Hierop
antwoordde de prins: Veel mooier, maar laat niet mijn woorden, doch uwe
oogen er u het bewijs van leveren. Op het verzoek van den hertog aan
den prins, gingen zij naar haar toe; zij ontving ze, toen zij van te
voren van hun komst verwittigd was, zeer hoffelijk en met vriendelijk
gelaat en tusschen hen gezeten, kon zij zich niet onderhouden in hun
gesprekken, omdat zij weinig of niets van hun taal verstond. Daarom
beschouwde elk haar als een schoon voorwerp en het meest de hertog, die
ternauwernood kon gelooven, dat zij een stervelinge was. Hij werd het
liefdegift niet gewaar, dat hij bij het aanschouwen met de oogen
indronk en geloofde zijn genoegen te kunnen voldoen door haar te zien,
maar werd ellendig onrustig, doordat hij zich vurig in haar verliefde.
Toen hij met den prins van haar afscheid nam, achtte hij dien boven
allen gelukkig, dat hij zulk een schoon voorwerp tot zijn welgevallen
had en na vele en verschillende overwegingen meer lettend op zijn
vurige liefde dan op zijn eer, overlegde hij of hij den prins niet van
dit genot zou kunnen berooven en zichzelf er mee gelukkig kon maken.
Daar hij geneigd was zich te haasten en alle reden en recht van een der
partijen ter zijde liet, zon hij met zijn gansche ziel op listen.
Op een goeden dag, volgens het booze plan door hem ontworpen met een
geheimen kamerheer van den prins, die Ciuriaci heette, maakt hij zeer
in ’t geheim al zijn paarden en bagage klaar om te kunnen vertrekken.
Toen de nacht viel, werd hij met een metgezel, geheel gewapend, stil
door gezegden man binnen in de kamer van den prins gelaten. Deze stond,
terwijl de donna sliep, wegens de grootte hitte geheel naakt aan een
venster naar de haven gekeerd om een koelte op te vangen, die vandaar
kwam. Daar hij zijn metgezel van te voren had gewaarschuwd wat er te
doen was, ging hij zachtjes door de kamer naar het venster en trof den
prins met een mes in de ribben dat het aan de anderen kant er uit kwam,
pakte hem beet en wierp hem naar buiten. Het paleis was boven de zee en
zeer hoog en het venster, waaraan de prins toen stond, zag uit op een
muurwerk, dat het geweld van de zee had vernield, op een kade, waar
weinig of nooit iemand kwam. Aldus gelijk de hertog had voorzien, werd
de val van het lichaam van den prins door niemand opgemerkt, wat ook
niet kon. Toen de metgezel van den hertog zag, dat dit gebeurd was,
deed hij of hij Ciuriaci wilde omhelzen en wierp hem haastig een door
hem meegebrachten strik om bij wijze van strop en trok zoo, dat
Ciuriaci geen geluid kon maken. De hertog kwam er ook bij, ze worgden
den kamerdienaar en smeten hem er uit evenals de prins. Toen dit
gebeurd was en dit blijkbaar noch door de donna, noch door anderen
bespeurd was, nam de hertog een licht in de hand en hield dit over het
bed en ontwaarde heimelijk de donna, die vast sliep. Hij zag haar
geheel en bewonderde haar zeer en hoewel hij haar reeds gekleed had
gezien, beviel zij hem naakt nog meer. Hierdoor van nog heeter begeerte
ontbrand en niet verschrikt door de misdaad pas door hem bedreven, boog
hij zich nog met bebloede handen naast haar en legde zich nevens haar,
die geheel slaapdronken geloofde, dat het de prins was. Maar toen hij
eenigen tijd met het grootste genoegen naast haar had gelegen, liet hij
na opgestaan te zijn en eenige van zijn dienaren te hebben laten komen,
de donna oppakken, zoo dat ze geen geluid kon geven en door een geheime
deur, waardoor hij binnen was gekomen, wegbrengen en zoo stil mogelijk
te paard zetten. Hij ging met zijn geheele gevolg op reis en weer terug
naar Athene. Maar omdat hij gehuwd was, ging hij niet naar die stad,
maar naar een zeer schoon landgoed, dat hij niet ver daar buiten aan
zee bezat, waar hij de diep bedroefde donna heenvoerde en haar
verborgen hield en met onderscheiding liet bedienen van wat zij noodig
had. De hovelingen van den prins hadden den volgenden morgen tot het
uur van den noen gewacht, dat hij zou opstaan, maar toen zij niets
hoorden, trapten zij de deuren van zijn kamers open, die niet op slot
gedaan waren. Daar zij er niemand vonden, dachten zij, dat hij in het
geheim was weggegaan om eenigen tijd tot zijn genoegen met die schoone
dame alleen te blijven en maakten er zich niet ongerust meer over. Maar
terwijl dat geschiedde, kwam een gek den volgenden dag tusschen de
ruïnes, waar de lichamen van den prins en van Ciuriaci lagen, trok
Ciuriaci bij den strik te voorschijn, liep er vandaan en sleepte hem
achter zich voort. Dit werd niet zonder verbazing door velen gemerkt,
die met listen door den gek zich daarheen lieten leiden, waar hij dien
vandaan gesleurd had en waar men tot zeer groote smart van de heele
stad dat van den prins vond. Men begroef hem met eerbewijzen en toen
men de bedrijvers van zulk een misdaad zocht en zag, dat de hertog van
Athene er niet meer was, maar heimelijk was vertrokken, dacht men, dat
hij het moest gedaan hebben en dat hij de donna met zich mee had
gevoerd. De stedelingen vervingen hun prins door een broeder van deze
en spoorden dien zooveel ze konden tot wraak aan. Hij verzekerde zich,
dat het was, gelijk men dacht en vrienden en verwanten en dienaars van
verschillende plaatsen opgeroepen hebbend, verzamelde hij een mooi,
groot en machtig leger en toog uit om den hertog van Athene te
beoorlogen. Toen de hertog dit hoorde, maakte hij ook al zijn krachten
tot zijn verdediging gereed en vele edelen kwamen hem te hulp.
Daaronder bevonden zich gezonden door den keizer van Constantinopel
diens zoon Constantijn en zijn neef Manovello met een mooi en groot
gevolg, welke door den hertog met eere werden ontvangen en nog meer
door de hertogin, omdat die hun zuster was.
Daar de zaken van dag tot dag verergerden, liet de hertogin op een
geschikt oogenblik beide in haar kamer komen en met veel tranen en veel
woorden verhaalde zij hun daar de heele historie en de oorzaken van den
oorlog. Zij maakte melding van de beleediging haar door den hertog
wegens die vrouw aangedaan. Hij geloofde haar in het verborgene te
onderhouden. Zij beklaagde zich hierover zeer en bad hen voor de eer
van den hertog en tot haar verlichting herstel aan te brengen, wat door
hen het best kon gebeuren. De jongelieden wisten, hoe alles had plaats
gehad en daarom zonder haar veel te vragen, troostten zij de hertogin
zoo goed ze konden en vervulden haar van goede hoop. Toen ze van haar
wisten, waar de donna zich bevond, vertrokken zij en daar zij de
wonderbare schoonheid van de dame dikwijls hadden hooren roemen,
verlangden zij haar te zien en verzochten den hertog, dat hij haar
vertoonde. Deze herinnerde zich niet, wat met den prins was gebeurd
door haar aan hem zelf te doen aanschouwen en beloofde dit. Hij liet in
een zeer fraaien tuin op de plaats, waar de donna woonde een prachtig
middagmaal gereed maken en liet hen daar den volgenden morgen met
weinig anderen metgezellen eten. Terwijl Constantijn met haar aanzat,
begon hij haar vol bewondering te beschouwen en gaf in zich zelf toe,
dat hij nooit zoo iets schoons had gezien en dat het de hertog zeker te
vergeven was en ieder ander, die om zulk een schoonheid te bezitten,
verraad pleegde of een andere lage daad. Doordat hij haar telkens
aankeek en haar steeds meer bewonderde, overkwam hem hetzelfde als den
hertog. Hij vertrok verliefd op haar, liet alle gedachte aan den oorlog
varen, en peinsde hoe hij haar het best aan den hertog kon ontvoeren en
zijn liefde voor iedereen zou verbergen. Maar terwijl hij van dat vuur
brandde, kwam de tijd tot uitrukken tegen den prins, die het gebied van
den hertog al naderde. Daarom vertrokken de hertog en Constantijn en al
de anderen volgens het gegeven plan uit Athene. Hij ging naar de
grenzen om weerstand te bieden en opdat de prins niet meer kon
voorwaarts rukken. Hier bleef Constantijn en had altijd zijn ziel en
geest bij die donna, en verbeeldde zich, dat, nu de hertog niet in de
buurt was, hij aan zijn lust zeker zou kunnen voldoen door een reden te
hebben naar Athene terug te keeren en deed of hij zeer ziek was. Daarom
met verlof van den hertog ging hij, na al zijn macht aan Manovello te
hebben overgedragen naar Athene, naar zijn zuster. Na eenige dagen
bracht hij haar aan het praten over de behandeling, die zij van den
hertog scheen te ondergaan, doordat deze de donna onderhield. Hij zeide
haar, dat hij haar zou helpen voor zoover zij het verlangde en dat hij
de donna, waar zij zich ook bevond, zou laten wegvoeren. De hertogin
meende, dat Constantijn dit deed om harentwil en niet uit liefde voor
de donna, en zeide, dat het haar zeer naar den zin was, indien hij het
werkelijk zoo deed, dat de hertog nooit zou weten, dat zij er in had
toegestemd, waar Constantijn ten volle voor instond. De hertogin stemde
er in toe, dat hij deed, wat hij het geschiktst achtte. Constantijn
liet stil een lichte bark uitrusten en liet die op een avond komen in
de buurt van den tuin, waar de donna woonde, na aan de zijnen, die er
op waren, te hebben uiteengezet, wat er te doen was. Daarna ging hij
met de anderen naar het paleis, waar de donna verblijf hield.
Daar werd hij door hen, die in haar dienst waren, vriendelijk ontvangen
en ook door de donna, en ging met haar, gevolgd door haar dienaren en
zijn metgezellen, naar den tuin, zooals hij begeerde. En alsof hij de
donna namens den hertog alleen wilde spreken, begaf hij zich met haar
naar een poort, die op de zee uitkwam en welke reeds door een van zijn
trawanten geopend was. Nadat hij daar volgens het afgesproken teeken de
bark had gemerkt, liet hij haar snel opnemen en op het schip zetten en
zeide gekeerd tot haar gevolg: Niemand mag zich verroeren of een woord
spreken, indien hij niet wil sterven, omdat ik niet van plan ben den
hertog van zijn vrouw te berooven, maar de schande uit te wisschen, die
hij mijn zuster aandeed. Niemand durfde hierop te antwoorden. Onderwijl
besteeg Constantijn met de zijnen het schip, naderde de dame, die
weeklaagde, beval, dat de riemen in het water werden gestoken en in zee
te gaan. Eer vliegend dan drijvend kwamen zij bij den volgenden
dageraad te Egina. Constantijn stapte hier aan land, rustte uit en
voldeed aan zijn verlangen met de donna, die zich over haar noodlottige
schoonheid beklaagde. Zij bestegen vervolgens weer het schip, kwamen in
enkele dagen te Chios en daar uit vrees voor een berisping van zijn
vader en dat de geroofde dame hem niet zou worden toegestaan, behaagde
het Constantijn als op een veilige plaats te blijven. Daar beweende de
schoone donna verscheidene dagen haar lot, maar er op nieuw door
Constantijn getroost zooals hij het den vorigen keer had gedaan, begon
zij pleizier te krijgen in wat de fortuin haar van te voren had bereid.
Terwijl de zaken aldus voortgingen, kwam Osbech, destijds koning der
Turken, die in voortdurenden krijg was met den keizer, in dien tijd
toevallig te Smirna. Hij hoorde er, dat Constantijn zich te Chios
ophield zonder eenige voorzorg en er een wellustig leven leidde met een
vrouw, die hij had geroofd. Hij begaf zich op een nacht met enkele
lichte oorlogschepen er heen, landde er heimelijk met zijn manschappen,
overviel er velen in den slaap, eer zij konden bemerken, dat er
vijanden gekomen waren en ten slotte werden enkelen gewaarschuwden, die
naar de wapens grepen, gedood. Na het heele eiland te hebben
platgebrand, en den buit en de gevangenen op schip te hebben gebracht,
keerden zij naar Smirna terug. Daar aangekomen vond Osbech, die een
jonge man was bij het beschouwen van den buit de schoone donna en
wetend, dat zij het was, die met Constantijn had geleefd en op bed
slapend was gevangen genomen, was hij zeer gelukkig haar te zien,
maakte haar dadelijk tot zijn vrouw, vierde bruiloft en legde zich
verscheidene maanden lang met haar verheugd ter ruste.
De keizer, die voor dat die dingen gebeurden, een verdrag had aangegaan
met Basano, koning van Capadocië, opdat die tegen Osbech met zijn
krachten aan den eenen kant aanviel, en hij van de andere zijde dien
met de zijnen zou aangrijpen, en die het nog niet had kunnen nakomen,
omdat enkele zaken, die Basano eischte, hem niet aanstonden als minder
voordeelig, stond, toen hij vernam wat er met zijn zoon was gebeurd,
zeer bedroefd, zonder uitstel, toe wat de koning van Capadocië
verlangde. Hij spoorde hem aan, zooveel hij kon, zich op Osbech te
werpen en maakte zich gereed hem van de andere zijde te lijf te gaan.
Osbech vernam dit, verzamelde zijn leger, voor hij door de twee
machtige souvereinen was ingesloten, ging den koning van Capadocië
tegemoet, liet de schoone dame in Smirna ter bewaking achter aan een
trouwe dienaar en vriend en na den koning van Capadocië kort daarop
ontmoet te hebben, streed hij, werd in den slag gedood en zijn leger
verslagen en verstrooid. Hierdoor rukte Basano zegevierend naar Smirna
en zag, dat alle hem als overwinnaar gehoorzaamden. De dienaar van
Osbech, die Antiochus heette, aan wien de schoone donna ter bewaking
was gebleven, werd, hoewel hij reeds bejaard was, op haar verliefd,
omdat hij haar zoo schoon vond zonder de trouw aan zijn vriend en heer
te bewaren. Daar hij haar taal kende (wat haar zeer aangenaam was, daar
het haar scheen, dat zij gedwongen werd verscheidene jaren als
doofstomme te leven, omdat zij niemand kon verstaan noch door wie ook
begrepen kon worden), maakte hij, door de liefde geprikkeld, zich in
weinige dagen met haar zoo gemeenzaam, dat zij kort daarop, niet meer
lettend op hun heer, die oorlog voerde, niet alleen vrienden werden
door intimiteit, maar verliefd werden en elkaar wonderbaarlijk genoegen
verschaften. Doch toen zij vernamen, dat Osbech overwonnen en dood was
en dat Basano naderde en alles plunderde, namen zij samen het besluit
dien niet af te wachten, maar na het grootste deel der kostbaarheden,
die aan Osbech behoorden te hebben meegenomen, begaven zij zich te
samen heimelijk naar Rhodes, waar zij niet lang bleven of Antiochus
werd doodelijk ziek. Hij was er toevallig gelogeerd met een koopman van
Cyprus, van wien hij veel hield en die zijn vertrouwdste vriend was.
Toen hij zijn einde voelde naderen, dacht hij er aan hem zoowel zijn
goederen als zijn dierbare donna na te laten. Reeds den dood nabij,
riep hij ze beide tot zich en sprak tot hen:
Ik voel mij zonder twijfel verzwakken, wat mij leed doet, daar ik mij
nooit zoo er in verheugde te leven als ik het nu deed. Het is waar, dat
ik over één zaak tevreden sterf, omdat ik daartoe gedwongen, mij zie
heengaan in de armen van de twee personen, die ik meer dan eenige
anderen, die er op de wereld bestaan, bemin, namelijk in de uwe, beste
vriend en in die van deze vrouw, die ik meer dan mijzelf heb lief
gehad, sinds ik haar kennen leerde. Het is waar, dat het zorgelijk voor
mij is, haar hier te zien blijven als vreemde en zonder hulp of raad,
terwijl ik sterf, en het zou voor mij nog erger zijn, indien ik u niet
hier zag, die—geloof ik—voor haar dezelfde vriendschap zal hebben als
gij voor mij zoudt gehad hebben. Daarom bid ik u zooveel ik kan, dat,
zoo ik mocht sterven, aan u mijn goederen en haar zullen toevertrouwd
zijn en dat gij voor de een zoowel als voor de anderen doet, wat gij
meent, dat mijn ziel rust zal geven. En u, liefste vrouw, verzoek ik,
dat gij na mijn dood mij niet vergeet, opdat ik mij daarop kan
beroemen, dat ik op dit ondermaansche bemind ben geweest door de
schoonste vrouw, die ooit door de natuur was voortgebracht. Indien gij
beide mij hierop geruststelling kunt geven, zal ik zonder twijfel
getroost heengaan. De bevriende koopman en de donna weenden beide
evenzeer bij het hooren van die woorden en toen hij dit gezegd had,
gaven zij hem moed en beloofden hem op hun woord dat te doen, wat hij
vroeg, indien hij mocht sterven. Het duurde niet lang of hij overleed
en zij lieten hem eervol begraven.
Toen eenige dagen later de koopman van Cyprus alles had geregeld, wat
hij op Rhodes te doen had en naar Cyprus wilde terugkeeren op een schip
van Catalanen, dat zich daar bevond, vroeg hij aan de donna, wat zij
wilde doen, daar hij naar Cyprus terug moest. De donna antwoordde hem,
dat zij, als het hem beviel gaarne met hem mee zou gaan, hopend, dat
zij uit vriendschap voor Antiochus door hem als een zuster zou
behandeld worden. De koopman antwoordde, dat hij met al, wat haar
aanstond, tevreden was, en opdat zij tegen iedere beleediging, die kon
voorkomen, voor zij in Cyprus waren, beveiligd zou zijn, beweerde hij,
dat zij zijn vrouw was. En toen zij op het schip gingen, werd hun een
hut bij den voorsteven gegeven, opdat de daden niet met de woorden
tegenstrijdig waren en sliep hij met haar in een vrij klein bed.
Hierdoor gebeurde wat bij het vertrek van Rhodes geen van beide van
plan was, namelijk dat door de duisternis, de gelegenheid en de warmte
van het bed, omstandigheden, die niet gering zijn (terwijl ze de
vriendschap en liefde voor den overleden Antiochus vergaten), zij door
een gelijke begeerte gedreven, elkaar begonnen te liefkozen, zoodat zij
eer zij te Baffa aangekomen waren, een verbintenis hadden aangegaan.
Toen zij te Baffa waren, leefde zij er nog lang met den koopman.
Toevallig kwam daar voor zaken een edelman Antigono genaamd, op hoogen
leeftijd, maar van hooger verstand en met weinig geld, omdat hem, daar
hij zich voor vele dingen in dienst had gesteld van den koning van
Cyprus, de fortuin ongunstig was geweest. Op een goeden dag ging hij
langs het huis, waar de schoone donna woonde, toen de Cypriaansche
koopman met zijn waren zich in Armenië bevond en werd hij bij toeval
door die dame daar aan een venster opgemerkt. Omdat zij zeer schoon
was, begon hij haar strak aan te kijken en zich te herinneren, dat hij
haar vroeger moest gezien hebben, maar hij kon maar niet bedenken waar.
De schoone dame, die langen tijd de speelbal der fortuin geweest was,
maar die den tijd naderde, dat haar ongelukken een einde moesten nemen,
herinnerde zich, zoodra hij Antigono gewaar werd, dat zij hem in
Alexandrië in dienst van haar vader in niet weinig aanzien had gekend
Aldus kreeg zij dadelijk hoop, dat zij nog eens door zijn raad tot den
koninklijken rang kon terugkeeren, en wetend, dat haar koopman er niet
was, liet zij zoo gauw ze kon Antigono roepen. Toen die kwam, vroeg zij
verlegen of hij Antigono van Famagosta was gelijk zij geloofde.
Antigono antwoordde van ja en zeide bovendien: Madonna, ik meen u te
herkennen, maar ik kan mij op geenerlei wijze herinneren vanwaar, en
bid u daarom, indien dit u niet hindert dat gij mij in het geheugen
terugbrengt wie gij zijt. De donna hoorde wie hij was en luid weenend
wierp ze zich met haar armen om zijn hals en vroeg na eenigen tijd aan
hem, die zich zeer verbaasde, of hij haar nooit in Alexandrië gezien
had. Zoodra Antigono de vraag vernam, herkende hij haar dadelijk als
Alathiel, de dochter van den Sultan, die men in zee verdronken waande
en wilde haar de verschuldigde eerbied betuigen.
Maar zij dulde het niet en verzocht hem een oogenblik naast haar te
gaan zitten. Toen Antigono dit deed, vroeg hij haar eerbiedig hoe en
wanneer en van waar zij hier gekomen was, omdat men het in den ganschen
lande van Egypte voor zeker hield, dat zij reeds voor vele jaren den
dood had gevonden in de golven. Daarop antwoordde de donna: Ik wou
maar, dat het gebeurd was liever dan het leven te leiden wat ik gehad
heb en ik geloof, dat mijn vader hetzelfde zou wenschen, indien hij het
ooit te weten kwam en na die woorden begon zij bitter te weenen. Toen
hernam Antigono: Mevrouw, verlies den moed niet, voor het noodig is.
Vertel mij, als het u behaagt, uw lotgevallen en hoe uw leven geweest
is. Misschien kan de zaak door ons nog zoo loopen, dat wij met Gods
hulp alles in orde maken Antigono, sprak de schoone donna, het schijnt,
als ik u zie, dat ik mijn vader aanschouw en mij bewogen voel door die
liefde en door die teederheid, die ik hem moet toedragen. Terwijl ik
mij voor u kon onbekend houden, heb ik mij aan u doen kennen en er zijn
weinig menschen, waarover ik door ze toevallig te zien, zoo blij had
kunnen zijn als ik het ben door u te hebben aanschouwd en herkend.
Daarom zal ik aan u, wat ik in mijn ongelukkig leven steeds verborgen
hield, als aan een vader openbaren. Indien gij mij op eenigerleiwijze
tot mijn vroegeren toestand kunt doen terugkeeren, bid ik u het te
beproeven. Indien gij het niet kunt, verzoek ik u aan niemand ooit te
zeggen mij te hebben gezien of ooit iets van mij te hebben bespeurd.
Bij die woorden schreide zij voortdurend over hetgeen haar was
overkomen van den dag af, dat zij op Majolica schipbreuk leed tot op
het oogenblik, dat zij hem verslag deed. Hierover begon Antigono
medelijdend te weenen en zei na eenig nadenken: Mevrouw, daar het
geheim is gebleven bij uw ongelukken wie gij zijt kan ik u zonder
twijfel aan uw vader nog dierbaarder weergeven en daarna aan den koning
van Algarvië als echtgenoote. Toen zij vroeg hoe, zette hij haar
planmatig uiteen wat er gedaan moest worden en opdat er geen oponthoud
zou tusschen komen, ging Antigono dadelijk naar Famagosta terug, kwam
bij den koning en zeide: Sire, indien het u behaagt, kunt gij u zelf op
een zelfde oogenblik groote eer aandoen en aan mij een grooten dienst
bewijzen zonder groote kosten voor u. De koning vroeg hoe. Toen sprak
Antigono: Te Baffa is de schoone, jonge dochter van den Sultan
aangekomen, van welke zoo lang het gerucht ging, dat zij verdronken was
en om haar eer te redden heeft zij lang groote ontbering geleden; zij
is nu arm en verlangt naar haar vader terug te keeren. Indien het u
aanstaat haar onder mijn hoede te stellen, zal dat voor u een groote
eer zijn en voor mij een groot voordeel. Ik geloof niet, dat de Sultan
dien dienst ooit zal vergeten. De vorst door koninklijke edelmoedigheid
bewogen, antwoordde dadelijk, dat het hem behaagde, liet haar met
eerbewijzen halen en te Famagosta komen, waar zij door hem en door de
koningin met een onbeschrijfelijke vreugde en met buitengewoon
eerbetoon werd ontvangen. Door den koning en de koningin naar haar
lotgevallen ondervraagd, antwoordde zij volgens de voorlichting haar
door Antigono gegeven en verhaalde alles.
Weinige dagen daarna zond de koning haar op haar verzoek met een schoon
en aanzienlijk geleide van heeren en dames onder de leiding van
Antigono naar den Sultan, die haar—wat niemand hoeft te vragen—met
vreugde ontving en ook Antigono met haar geheele gevolg. Toen zij wat
had uitgerust, wilde de Sultan weten, waardoor ze nog leefde en waar
zij zoo lang gebleven was zonder ooit iets van haar toestand te laten
vernemen. De donna, die de voorlichtingen van Antigono zeer goed had
onthouden, begon tot haar vader aldus te spreken:
Mijn vader, ongeveer den twintigsten dag na mijn afscheid van u werd
ons schip door een zwaren storm aangegrepen en stiet op een nacht op
zekere stranden daar in het Westen nabij een plaats Aigues-Mortes
genaamd. Wat er van de mannen geworden is, die op het schip waren zal
ik wel nooit te weten komen. Zooveel herinner ik mij wel, dat toen het
dag werd en ik als uit den doode opstond, het gebarsten schip reeds
door boeren was opgemerkt. Die waren uit de gansche streek toegeloopen
om het te plunderen. Ik en twee vrouwen werden op het strand gedragen
en dadelijk door jonge mannen gegrepen, die deze de eene en gene de
andere van onze gezellinnen medenamen en vluchtten. Wat er van hen
geworden is, zal ik ook wel nooit te weten komen. Maar toen ik door
twee jongelieden werd aangerand, die met elkaar streden om mij te
bezitten, en die mij bij de haren sleepten, terwijl ik steeds luid
schreeuwde, kwamen er langs dezen, die mij een eind weegs voortsleurden
om in een groot bosch te gaan, vier mannen op dat oogenblik te paard
aanrijden. Zoodra toen de jonge mannen, welke mij voorttrokken, die
zagen, lieten ze mij dadelijk los en namen de vlucht. De vier mannen,
die mij van een gezaghebbend uiterlijk schenen, kwamen, dit ziende,
naar de plaats, waar ik was en vroegen mij vele dingen. Ik antwoordde
veel maar werd niet door hen verstaan en kon het ook hen niet. Na lang
beraad zetten zij mij op een van hun paarden, leidden mij naar een
klooster van vrouwen van hun godsdienst en daar—al weet ik niet, wat ze
ook zeiden—werd ik zeer welwillend en steeds met onderscheiding
opgenomen en met groote vroomheid heb ik toen met hen te samen den
Heiligen Crescentius van Valcreuse gediend, dien de vrouwen van dit
land zeer lief hebben. Maar toen ik al eenigen tijd bij hen was, reeds
een weinig hun taal had geleerd en zij mij vroegen wie ik was en van
waar, begreep ik ook waar ik was en vreesde ik, dat, als ik de waarheid
zou zeggen, zij mij zouden verjagen als vijandin van hun Kerk. Ik
antwoordde, dat ik de dochter van een groot edelman op Cyprus was, die
mij naar Creta had gestuurd om te worden uitgehuwelijkt, waar wij bij
ongeluk op het strand geloopen waren en schipbreuk leden.
Dikwijls uit vrees voor erger volgde ik hun dienst; eindelijk vroeg mij
het hoofd van die dames, welke zij abdis noemen, of ik naar Cyprus
wilde terugkeeren en ik antwoordde, dat ik niets liever wilde, maar
zij, bezorgd voor mijn eer, had mij aan niemand willen toevertrouwen,
die naar Cyprus ging. Maar er waren zekere goede lieden met hun vrouwen
uit Frankrijk gekomen, waarvan er eene een verwante was van de abdis en
toen zij vernam, dat zij naar Jeruzalem gingen om het Heilige Graf te
bezoeken, waar zij Hem, dien zij voor God houden, werd begraven, nadat
Hij door de Joden was gekruisigd, beval zij mij hun aan en verzocht hun
mij op Cyprus aan mijn vader terug te geven. Hoeveel eer die edellieden
mij bewezen en hoe vriendelijk zij met hun dames mij behandelden, zou
een lange geschiedenis wezen om te vertellen. Wij kwamen aldus scheep
gegaan na enkele dagen te Baffa en toen ik mij daar zag aankomen, waar
niemand mij kende en ik niet wist wat te zeggen aan de edellieden, die
mij aan mijn vader wilden terugbrengen gelijk hun door de
eerbiedwaardige abdis was gelast, liet Allah, die zich misschien over
mij erbarmde, op de kade Antigono voor mij gereed staan op het
oogenblik, dat wij te Baffa aan wal stapten. Haastig riep ik hem en in
onze taal om niet door de edellieden noch door hun vrouwen verstaan te
worden, en vroeg ik hem mij als zijn dochter te ontvangen. Hij begreep
mij dadelijk en na mij een groote vreugd te hebben betuigd, bewees hij,
voor zoover zijn armoede het hem veroorloofde, eer aan die heeren en
dames en leidde mij naar den koning van Cyprus. Deze ontving mij met
zulke eerbewijzen en heeft mij zoo naar u teruggezonden, dat het niet
te vertellen is. Als er aan u nog iets moet verhaald worden, zal
Antigono, die mijn lotgevallen van mij vele malen heeft gehoord, dit
doen. Antigono zeide toen zich tot den Sultan keerend: Heer, zij heeft
gesproken gelijk zij verscheidene malen met mij deed en gelijk deze
heeren en dames, waarmee zij kwam, mij berichtten. Alleen heeft zij
nagelaten een ding te zeggen, en ik meen, dat zij dit verwaarloosde,
omdat het haar niet zou passen het u mede te deelen, namelijk hoe vaak
die edellieden en die dames, waarmee zij kwam, spraken van haar eerbaar
leven onder die vrome nonnen en van haar deugd en van haar reine zeden
en van de tranen en de klachten dier dames en heeren, toen zij, nadat
die zusters haar mij hadden overgegeven, vertrokken. Wanneer ik u
hiervan alles zou willen vertellen, zou niet alleen deze dag, maar ook
de volgende nacht niet voldoende zijn; ik wil er alleen dit nog maar
van zeggen, dat volgens hen en naar wat ik er van heb kunnen zien, gij
u er op kunt beroemen, dat gij de schoonste, de braafste en de
waardigste dochter hebt van alle vorsten, die thans een kroon dragen.
De Sultan gaf naar aanleiding hiervan een fabelachtig feest en bad
Allah meermalen, dat Hij hem de genade verleende aan allen de dure
diensten te kunnen vergelden, die zijn dochter hadden geëerd en vooral
aan den koning van Cyprus, door wien zij met zooveel onderscheiding was
terug gezonden. Eenige dagen later, nadat hij groote geschenken had
laten gereed maken voor Antigono, gaf hij hem verlof naar Cyprus terug
te keeren en liet aan den koning per brief en door bijzondere gezanten
dank betuigen voor wat hij voor zijn dochter had gedaan. Hierna, omdat
hij wilde ten einde brengen wat hij had begonnen namelijk, dat zij de
vrouw werd van den koning van Algarvië, liet hij hem dit alles uiteen
zetten en schreef hem bovendien, dat die, indien het hem behaagde haar
te bezitten, haar liet halen. De koning van Algarvië deed dit zeer
verheugd en na met alle eerbewijzen haar te hebben laten overkomen,
ontving hij haar zeer vriendelijk. En zij die misschien door acht
mannen tienduizend keer geliefkoosd was, legde zich als een maagd aan
zijn zijde en deed hem gelooven, dat zij het was en leefde zeer
gelukkig langen tijd met hem als koningin. En daarom zegt men: Een
gekuste mond verliest geen geluk, maar vernieuwt zich integendeel als
de maan.