ZESDE VERTELLING.

Madonna Beritola wordt op een eiland gevonden met twee geitjes,

nadat zij haar twee zoons heeft verloren. Zij gaat naar Lunigiana,

waar een van haar zoons bij haar huisheer in dienst trad en met de

dochter van hem samen gevonden wordt en in de gevangenis wordt

gezet. Bij den opstand van Sicilië tegen koning Karel, als de

moeder haar zoon herkent, huwt hij de dochter van zijn heer en

nadat zijn broeder is weergevonden, komen zij alle drie weer tot

groot aanzien.

De dames en ook de jongelieden hadden erg gelachen om de lotgevallen

van Andreuccio, door Fiammetta verhaald, toen Emilia bemerkend, dat de

geschiedenis ten einde was, op bevel der koningin aldus begon: Ernstig

en droevig zijn de verschillende wisselingen der Fortuin, naar welke,

omdat telkens als men er over spreekt, onze hoofden ontwaken, die

lichtelijk door zijn listen inslapen, ik meen, dat het luisteren nooit

nadeel kan doen noch aan de gelukkigen, noch aan de ongelukkigen voor

zoover het de eersten verstandig maakt en de tweeden troost. En daarom,

hoewel er al belangrijke dingen hiervoor verteld zijn, wil ik u een

niet minder ware dan treurige historie verhalen, die, hoewel ze een

blijmoedig einde had, zoo groot en lang was van smartelijkheid, dat ik

nauwelijk geloof, dat deze ooit zal worden verzacht door de vreugde,

die volgde.

Liefste donna’s, gij weet, dat na den dood van Keizer Frederik den

Tweeden er in Sicilië een Koning was gekroond, die Manfredi heette. Bij

deze bevond zich in groot aanzien en hooge waardigheid een

napolitaansch edelman Arrighetto Capece; [29] deze had tot echtgenoote

een schoone en edele vrouw, Beritola Caracciola, ook afkomstig uit

Napels. Deze Arrighetto had het bewind over het gemelde Koninkrijk

Sicilië. Toen hij vernomen had, dat Karel de Eerste den slag bij

Beneventum gewonnen en Koning Manfredi verslagen had, zag hij, dat het

Rijk oproerig was en hij durfde niet vast vertrouwen op de ongewisse

wankelmoedigheid der Sicilianen. Om niet de onderdaan des vijands van

zijn Heer te worden, maakte hij zich gereed tot de vlucht. Maar de

Sicilianen vernamen dit en leverden hem terstond met verscheidene

andere vrienden en dienaren van Koning Manfredi over aan Koning Karel,

wien zij ook dadelijk het bezit van het eiland in handen stelden.

Madame Beritola wist bij deze groote omkeering met dat al niet, waar

haar man heen was gegaan en bleef steeds bezorgd om hetgeen er gebeurd

was. Daarom verliet zij uit vrees voor geweld en schennis harer eer al

hare goederen en begaf zich scheep op een kleine bark met haar zoontje

Giusfredi, ongeveer acht jaar oud en vluchtte zoo arm en nog van een

ander zoontje zwanger, naar Lipari, waar zij het knaapje baarde, dat

zij Scacciato, (den Verjaagden) noemde. Daar nam zij een voedster aan

en ging met haar twee kinderen en de voedster in een klein scheepje om

terug te keeren naar Napels bij haar verwanten. Maar het ging haar

anders dan zij had verwacht. Want het scheepje, dat naar Napels zou

zeilen, werd gedreven door een sterken tegenwind naar het eiland Ponzo,

[30] waar zij in een kleinen zeeboezem landden en moesten wachten om

hun reis voort te zetten. Madame Beritola betrad evenals de anderen het

eiland, waar zij een eenzame plaats vond ver uit den weg, en zij alleen

zijnde om haar man begon te treuren en zijn ongeluk te beklagen Terwijl

zij dit dagelijks deed, kwam in haar droefheid, zonder dat de schipper

of iemand anders het bemerkte, er toevallig een galei met zeeroovers,

die het andere zeevolk zonder slag of stoot gevangen namen en dadelijk

wegvoeren. Toen Madame Beritola haar dagelijksche klachten eindigde,

keerde zij weer naar het zeestrand terug om bij haar kinderen te komen,

gelijk zij dat gewoon was. Maar toen zij daar niemand vond, verwonderde

zij zich sterk. Zij vreesde voor wat er gebeurd kon zijn en richtte

haar blikken in zee, waar zij de galei zag, die nog niet ver van land

was en het kleine scheepje voortsleepte.

Klaar besefte zij, dat zij nu haar kinderen verloren had gelijk haar

man en dat zij zich daar arm, alleen en verlaten bevond zonder eenige

hoop te hebben ooit weer een van hen te zullen terug zien. Zij begon

jammerlijk om haar man en haar kinderen te roepen en viel in onmacht op

het strand neer. Er was niemand, die haar met koud water of met eenig

ander middel bijstond om haar weer tot zich zelf te brengen, zoodat

haar geesteskrachten konden gaan, waar ze wilden. Maar toen de

verdwenen krachten weer met tranen en klachten in haar ellendig lichaam

terug keerden, begon zij langen tijd om haar kinderen te roepen, die

zij lang in alle holen liep te zoeken. Ten laatste echter ziende, dat

alle moeite tevergeefs was, dat de nacht daalde en hopende en niet

wetend waarom, ging zij op zich zelf letten. Zij verliet daarom het

strand en keerde terug naar hetzelfde hol, waar zij gewoon was te

weenen en te treuren.

Toen nu de nacht met ondenkbare angst en droefheid was doorgeleden, de

dag gekomen en het al negen uur was, is zij daar ze den vorigen avond

niet gegeten had van honger kruiden gaan nemen; daarmede verzadigde zij

haar maag zoo goed ze kon en vroeg zich weenend met allerlei gedachten

hoe het toch met haar gaan zou. Nu zag zij een reegeit komen, die daar

in de buurt in een hol ging, een poosje daarna er weer uit kwam en het

bosch in liep. Zij stond op en begaf zich daarheen, waar zij het beest

uit had zien komen en vond daar twee jonge geitjes, die misschien

dienzelfden dag geworpen waren. Die schenen zeer lief en aardig in haar

oogen. En daar haar zog nog niet op was, heeft zij die zachtjes

opgenomen en aan haar borsten gelegd. Deze weigerden die weldaad niet

en zogen bij haar, alsof het hun moeder geweest was, zoodat zij van af

dat oogenblik geen onderscheid meer kenden tusschen haar geitenmoeder

en Madame Beritola. Daardoor scheen het deze edele vrouw, dat zij een

soort gezelschap in de eenzaamheid had gevonden, en zij leefde op

kruiden, dronk water en weende zoo dikwijls zij aan haar man, haar

kinderen en haar vroeger leven dacht. Zoo was zij bereid aldaar te

moeten leven en sterven, en door dit verblijf werd zij gemeenzaam met

de moeder en met de jonge geitjes. In dien toestand werd de edele vrouw

geheel verwilderd. Een paar maanden later kwam daar toevallig een ander

scheepje met eenige Pisaners aan, dat daar enkele dagen bleef liggen.

Daarop bevond zich ook een edelman Currado (Coenraad) genaamd,

Markgraaf van Malespina, die zijn echtgenoote bij zich had, een

deugdzame, heilige vrouw. Zij kwamen te samen van een bedevaart uit de

provincie Pulia, waar zij al de heilige plaatsen bezocht hadden, eer

zij huiswaarts togen. Deze ging op een goeden dag om zich te ontspannen

met zijn huisvrouw, een deel van zijn bedienden en met zijn honden

langs dit eiland wandelen en kwam nabij de plaats, waar Madame Beritola

zich bevond. De honden begonnen de twee geiten te volgen, die nu al wat

grooter geworden, daar gingen grazen. Deze opgejaagd door die dieren

vluchtten maar naar het hol, waar Madame Beritola was. Zij zag dat en

sprong dadelijk op, greep een stok en joeg de honden weg. Zoo kwamen

daar ook Messire Currado met zijn huisvrouw, die hun honden volgden.

Zij verwonderden zich zeer, toen zij die dame zagen, die nu al bruin en

mager was geworden met verwilderde haren en zij was niet minder

verbaasd over deze lieden.

Maar toen de edelman naar haar verlangen zijn honden tot zich had

geroepen, gaf zij na lang vragen toe met te zeggen wie zij was en wat

zij daar deed en verklaarde hun toen haar toestand, haar ongeluk en

haar beslist voornemen. De edelman, die haar man zeer goed had gekend,

hoorde dit alles aan en begon uit medelijden te schreien en deed zijn

best met zachte woorden haar af te brengen van zulk een wreed plan. Hij

beloofde haar weer in haar eigen huis te brengen of haar bij zich thuis

te onderhouden in zulk een aanzien, alsof zij zijn eigen zuster was.

Daar zou zij mogen blijven tot God haar meer geluk zou schenken. Toen

zij deze schoone aanbieding niet wilde aannemen, heeft Messire Currado

zijn huisvrouw tot haar laten gaan met den last haar aldaar eten te

doen brengen en ook haar met eenige van haar kleeren uit het schip te

voorzien, daar die van Madame Beritola al versleten waren, maar bovenal

beval hij zijn ega aan al het mogelijke te doen haar mee te brengen.

Die goede vrouw bleef daar bij haar, weende met haar bitter over haar

ongeluk en liet haar kleeren en spijzen brengen en bracht haar met de

grootste moeite van de wereld zoover, dat zij ten laatste nog in het

eten daarvan bewilligde. Daar Madame Beritola beslist zeide nooit te

willen komen op de plaats, waar zij bekend was, haalde zij na veel

bidden die over, dat zij mede zou reizen tot Lunigiana met de twee

geitjes en de moeder, die daar bij gekomen groote vriendschap bewees

aan Madame Beritola en dat niet zonder groote verbazing van de

edelvrouw. Toen het goed weer werd, is Madame Beritola met Messire

Currado en zijn echtgenoote scheep gegaan en nam de geit met de twee

jongen mede. Daar de anderen haar naam niet kenden, werd zij de

Cavriuola (geitenmoeder) genoemd. Zij zeilden met den wind voor snel

tot in den mond van de rivier Magra [31]. Daar zijn zij aan land gegaan

in hun kasteel, waar Madame Beritola bij de echtgenoote van Messire

Currado bleef wonen in weduw-kleeren als een van haar juffrouwen

eerbaar, ootmoedig en gehoorzaam. Zij behield altijd groote liefde voor

haar geitjes, die zij daar deed opvoeden.

De zeeroovers, die het scheepje bemachtigd hadden te Ponzo, waarmede

Madame Beritola daar was aangekomen en die haar, omdat ze haar niet

hadden opgemerkt, daar achterlieten, kwamen met de anderen, die zij

hadden weggevoerd te Genua. Daar deelden de hoofden van de galei den

buit onderling en is onder meer bij loting de voedster der kinderen van

Madame Beritola met de twee zoontjes van deze ten deel gevallen aan een

zekeren Messire Guasparrino d’Oria.

Deze nam de zoogster en de kinderen in zijn huis om ze als lijfeigenen

voor allerlei diensten te gebruiken. De minne was ontroostbaar over den

ongelukkigen toestand, waarin zij en de kinderen zich bevonden. Toen

zij echter bedacht, dat zij met tranen niets uitrichtte en dat zij met

hen in een en dezelfde dienstbaarheid leefde, nam zij als een wel arme,

maar verstandige en voorzichtige vrouw ten eerste het besluit zich te

troosten, zoo goed zij kon en voor het tweede overlegde zij,—omdat zij

onderzocht, wat er van de kinderen geworden was—dat het licht

schadelijk voor hen kon worden, wanneer men mocht weten, wie zij waren.

En daar zij bovendien hoopte, dat wellicht eenmaal de kans kon keeren

en de kinderen, als zij lang genoeg leefden, zich weer tot hun

vroegeren staat konden verheffen, was zij van plan niemand te vertellen

wie zij waren, eer er zich zulk een gunstige gelegenheid voordeed. Zij

gaf ze derhalve tegenover iedereen, die het vroeg, voor haar eigen

kinderen uit en noemde den oudsten knaap niet Giusfredi, maar Gianotto

di Procida. Zij achtte het niet noodig den naam van den kleinste te

veranderen; daarentegen spaarde zij geen moeite Giusfredi (Godfried)

begrijpelijk te maken, waarom zij hem een anderen naam had gegeven en

hoe gevaarlijk het voor hem kon worden, wanneer hij herkend zou worden;

zij herinnerde hem daaraan niet slechts eens maar zeer dikwijls. De

knaap, wien het niet aan doorzicht ontbrak, richtte zich ook ijverig

naar de aanwijzingen van zijn wijze voedster. Beide broeders leefden

diensvolgens met hun zoogster menig jaar geduldig in het huis van

Messire Guasparrino, slecht gekleed en nog slechter geschoeid en voor

allerlei nederige diensten gebruikt. Zoodra echter Giannotto zestien

was geworden en daar hij meer trots bezat dan met zijn dienstbaren

staat overeenkwam, versmaadde hij de nederige knechtschap, ontvluchtte

den dienst van Messire Guasparrino, ging op een galei, die naar

Alexandrië zeilde en reisde door vele landen zonder echter ergens

vooruit te komen. Eindelijk ongeveer vier jaar, nadat hij van Messire

Guasparrino ontvluchtte en welhaast een knappe, groote jongeling was,

hoorde hij, dat zijn vader nog leefde, dien hij steeds dood had

gewaand, maar dat Koning Karel hem gevangen en in slavernij hield. Daar

hij lang haast wanhopig aan zijn fortuin als een vagebond had

rondgezworven, kwam hij naar Lunigiana. Het toeval wilde, dat hij bij

Currado Malespina in dienst trad, dien hij zeer trouw was en wiens

sympathie hij daardoor verwierf. Ofschoon hij vaak zijn moeder, die

zich bij de echtgenoote van Currado bevond, te zien kreeg, kende hij

haar toch niet en zij ook hem niet, daar de jaren hun beide, sedert zij

elkaar het laatst hadden aanschouwd, sterk hadden veranderd.

Gedurende den tijd, dat Giannotto bij Messire Currado in dienst was,

kwam bij toeval, een dochter van hem, Spina genaamd, de weduwe van

zekere Niccolo van Grignano weer naar haars vaders huis en liet als een

mooi, jong en vroolijk wijfje van zestien jaar hare oogen op Giannotto

rusten en hij de zijnen op haar, zoodat zij beide smoorlijk op elkaar

verliefd werden. Deze liefde bleef niet lang zonder gevolg en duurde

verscheidene maanden, voor men het merkte. Daardoor werden echter de

minnenden te zeker en begonnen hun maatregelen minder voorzichtig te

nemen dan bij zulke gelegenheden noodig was. Toen zij dan ook een dag

samen in een schoon en dicht bosch wandelden, scheidden zij zich van

het overige gezelschap en liepen er ijlings in en toen zij geloofden de

anderen ver genoeg achter gelaten te hebben, lieten zij zich op een

aanlokkelijk grasperk neer met bloemen bedekt en door boomen verborgen

en gaven zich aan de genoegens der liefde over. Daar zij zich echter

langen tijd (die hun voor hun genoegen te kort scheen) te samen

ophielden, werden zij eerst door de moeder van de jonge vrouw en

dadelijk daarop door Currado zelf verrast.

Zeer toornig over het niet vermoedde schouwspel liet deze hen beide

(zonder te laten blijken met welk doel) door drie van zijn bedienden

binden en geboeid naar een van zijn kasteelen brengen, want

tandenknarsend van toorn en woede was hij van plan ze beide een

smadelijken dood te doen sterven. De moeder der jonge dame, die ook

zeer vertoornd op haar dochter was en geloofde, dat haar misdrijf een

zware tuchtiging verdiende, had intusschen uit eenige woorden, die haar

gemaal ontvallen waren, zijn bloeddorstige voornemens met de beide

schuldigen vermoed en kon dit niet verdragen; zij ijlde daarom den

vertoornden man na en bad hem smeekend haar ter wille niet zoo snel het

besluit te nemen op zijn leeftijd den moordenaar van zijn dochter te

worden en zijn handen te bezoedelen met het bloed van zijn knecht, daar

hij toch andere middelen kon vinden om zijn wraak uit te voeren,

wanneer hij ze in de gevangenis liet zetten en hen daar liet lijden en

hun misdaad betreuren. Met dergelijke en andere redeneeringen bracht de

brave vrouw hem er toe, dat hij zijn beslissing veranderde en in plaats

ze te laten ombrengen, beval hij ze beide op verschillende plaatsen in

te kerkeren, ze onder streng toezicht te houden, hun spaarzaam voedsel

te geven en zeer te kort te doen, tot hij anders over hen zou

vonnissen. Dit gebeurde en men kan zich voorstellen, hoe het hun in de

gevangenis te moede werd, waar voortdurend weenen hun lot was en zij

meer vasten moesten dan hun lief was.

Terwijl nu Giannotto en donna Spina onder deze bekommeringen wachtten

en reeds een paar jaar hadden doorgebracht zonder dat Currado aan hen

dacht, zette koning Piero di Raona [32] door de medewerking van den

heer Gian di Procida [33] der Sicilianen tot opstand aan en gaf aan

koning Karel het eiland, hetwelk Currado als een echte Ghibellijn

groote vreugde veroorzaakte. Zoodra dit Giannotto door een van zijn

cipiers werd bericht, riep hij met een zucht: “O wee! Het duurt nu al

veertien jaar, dat ik mij door de wereld in ellende heb rondgesleept en

slechts op zulk een omstandigheid heb gewacht en nu, nu die werkelijk

is ingetreden, moet ik, opdat mij geen hoopvol uitzicht over blijft,

hier in de gevangenis zitten, waaruit ik nooit durf hopen levend te

voorschijn te komen.”

Hoe zoo? sprak de kerkermeester. Wat gaat het jou aan wat er tusschen

twee groote koningen gebeurt en wat hadt je dan in Sicilië te doen?

Giannotto antwoordde: Het verscheurt mij het hart, wanneer ik bedenk,

wat eens mijn vader daar te doen had, van wien ik mij nog wel herinner,

dat hij ten tijde van koning Manfredi een aanzienlijk man was, ofschoon

ik nog een kleine knaap was, toen ik moest ontvluchten.

Wie was dan je vader? vroeg de kerkermeester.

Ik mag u gerust zijn naam noemen, antwoordde Giannotto, daar het gevaar

nu toch voorbij is, wat ik anders had te vreezen, wanneer ik dien had

bekend gemaakt. Hij noemde zich (en noemt zich nog, zoo hij nog leeft)

Arrighetto Capece en ik heet niet Giannotto, maar mijn naam is

Giusfredi en ik ben er zeker van, dat, wanneer ik van hier ontvluchten

en mij in Sicilië vertoonen kon, ik daar tot groot aanzien zou komen.

De goede man zonder verder te vragen, ging, zoodra hij gelegenheid had,

dit vertellen aan Currado. Toen die dit hoorde, deed hij wel tegen den

kerkermeester of hij er zich niet aan stoorde, maar hij ging naar

mevrouw Beritola en vroeg haar vriendelijk of zij een zoon had gehad

bij Arrighetto, die Giusfredi heette. Weenend gaf de donna hem ten

antwoord, dat, als de oudste van de twee nog in leven was, die zoo

heette en twee-en-twintig jaar oud moest zijn. Na dit te hebben

vernomen, meende Currado, dat die het moest wezen en het viel hem in,

zoo het aldus er mee gesteld was, dat hij tegelijk een daad van groote

barmhartigheid kon doen en diens schande en die van zijn dochter

uitwisschen door hem die tot vrouw te geven. Hij liet daarom Giannotto

in het geheim bij zich komen en vroeg in bijzonderheden naar zijn

vroeger leven. Hij vond hier genoegzaam bewijzen, dat hij werkelijk de

zoon van Arrighetto Capece was en zeide: Giannotto gij weet, welk een

beleediging gij mij in de persoon van mijn eigen dochter hebt

aangedaan, terwijl ik u goed en vriendschappelijk behandeld heb, waarom

gij, gelijk het een goed dienaar betaamt, mijn eer en mijn voordeel

altijd had moeten zoeken en bevorderen. Velen, die in mijn plaats

geweest waren, hadden om hetgeen gij mij hebt gedaan, u een smadelijken

dood laten sterven, maar mijn lankmoedigheid duldde dit niet. Nu echter

de zaken staan gelijk gij zegt, dat gij de zoon zijt van een edelman en

edelvrouw, wil ik aan uw lijden een einde maken en u uit de ellende en

de gevangenschap verlossen, waarin gij verkeert en meteen uw eer en die

mijner dochter tot dezelfde hoogte weer verheffen. Gelijk gij weet, is

donna la Spina, die gij tot liefde bewogen hebt op een voor u en haar

onbetamelijke wijze weduwe en haar bruidschat is groot en goed; gij

weet ook hoe haar zeden zijn en wie haar vader en haar moeder; van uw

tegenwoordigen toestand spreek ik niet.

Daarom, wanneer gij wilt, ben ik er toe bereid, dat zij, die op

oneerbare wijze uw vriendin was, uw eerbare echtgenoote wordt en zoo,

dat gij als mijn zoon bij mij en haar, wanneer u dat behaagt, blijft.

De lange gevangenschap had wel de lichaamskrachten van Giannotto

verminderd maar de edelmoedige geest door afkomst geërfd, had die niet

in het minst verzwakt en ook niet de innige liefde, die hij voor zijn

donna had. Hoe vurig hij ook verlangde, wat Currado hem aanbood en

hoezeer hij het in zijn bereik zag, onderdrukte hij toch geenszins wat

de grootheid van zijn ziel hem gebood te zeggen en hij antwoordde:

Currado, noch eerzucht, noch hebzucht, noch eenige andere reden kon mij

bewegen tegen uw bloed of wat ook aan u behoort, als een verrader

bedrog te plegen. Ik beminde uw dochter, bemin haar nog en zal haar

steeds beminnen, omdat ik haar mijn liefde waard acht en indien ik niet

eerlijk genoeg heb gehandeld en volgens de meening van gewone menschen

een zonde deed, is dit altijd een gevolg van de jeugd en men zou

bevinden, dat, indien men die wilde vernietigen, men meteen de jeugd

zelf zou verdelgen, welke, zoo de ouderen zich herinneren wilden jong

te zijn geweest en de fouten van anderen met de hunnen wilden

vergelijken en omgekeerd, ook niet zoo ernstig zou schijnen als u en

anderen dit voorkomt. Ik heb dan ook als vriend en niet als vijand

gefaald. Wat gij aanbiedt, heb ik altijd verlangd en als ik had

geloofd, dat mij zou worden toegestaan, wat gebeurd is, had ik het al

lang gevraagd en het zal mij nu dus te aangenamer zijn, omdat de hoop

zooveel te geringer was. Indien gij niet de gezindheid hebt, die uit uw

woorden doorstraalt, voedt mij dan niet met ijdele hoop, laat mij naar

de gevangenis terugkeeren en laat mij, als het u bevalt, daar treuren,

hoewel ik, zoolang ik la Spina bemin, u als haar vader zal liefhebben

en eeren, hoe gij ook jegens mij handelen zult.

Toen Currado dit gehoord had, verwonderde hij zich en hield hem voor

een man van een groot karakter, prees zijn liefde en achtte hem er des

te meer om. Daarom stond hij op, omhelsde en kuste hem en zonder de

zaak langer te vertragen, beval hij, dat la Spina insgelijks in ’t

geheim tot hem gebracht werd. Zij was in de gevangenis bleek, mager en

zwak geworden en bijna geheel veranderd gelijk Giannotto als man. Zij

bedongen met wederzijdsch goedvinden, volgens gewoonte, de

huwelijksvoorwaarden. Nadat Currado eenige dagen lang zonder dat iemand

wist, wat er geschiedde, hun beiden alles verschaft had, wat voor hen

noodig en aangenaam was, scheen het hem tijd te zijn, ook hun moeder te

verheugen; daarom liet hij zijn vrouw en de Cavriuola roepen en zeide

tot de laatste: Wat zoudt gij wel zeggen, mevrouw, indien ik u uw zoon

weer bracht en hem u beide als de man van mijn dochter zou voorstellen?

Ik zou niet anders kunnen zeggen, antwoordde la Cavriuola, dan dat,

indien ik u nog meer verplicht kon worden, dan ik het u reeds ben, mijn

verplichting jegens u des te grooter zou wezen als gij mij datgene

zoudt teruggeven, wat mij dierbaarder is dan mezelve. Wanneer gij mij

die zoudt terugschenken, zooals gij mij zegt, zoudt gij in mij de

verloren hoop weer doen herleven. En weenend zweeg zij. Toen zei

Currado tot zijn vrouw: En hoe zou het jou schijnen, als ik je zoo’n

schoonzoon gaf? Hierop antwoordde die: Zelfs als het geen edelman was

van hun slag maar een mindere man, zou het mij ook aanstaan, wanneer

het u behaagde. Currado hernam: Binnen kort hoop ik aldus twee vrouwen

gelukkig te maken. Hij vroeg aan de twee jongelieden, die al hun

vroeger uiterlijk hadden teruggekregen en naar hun stand gekleed waren:

Hoe zou het u niet aangenaam zijn behalve de vreugde, die gij geniet,

bovendien hier uwe moeder terug te zien? Giusfredi antwoordde: Ik

geloof niet, dat de smart over haar ongelukken haar nog in leven heeft

gelaten, maar, als dat zoo was, dan zou dit mij groote blijdschap

schenken als ook, dat ik door uw goeden raad weer een groot deel van

mijn goederen in Sicilië zou terug krijgen. Toen liet Currado daar

beide dames binnen komen. Zij ontvingen de jonge bruid zeer vriendelijk

en vroegen zich niet weinig verbaasd af, welke gedachte het geweest kon

zijn, die Currado tot zulk een welwillendheid had gevoerd, dat

Giannotto daardoor met haar was verloofd. Mevrouw Beritola, die de

woorden van Currado gehoord had, begon oplettend te kijken en een

geheime aandrift verhelderde in haar een vage herinnering aan de

kinderlijke trekken van het gelaat van haar zoon en zonder eenig verder

bewijs af te wachten vloog ze hem met open armen om den hals. De

overvloeiende teederheid en de moedervreugde beletten haar een woord te

spreken; zelfs alle bewustzijn verliet haar, zoodat ze voor dood in de

armen van haar zoon lag. Deze verwonderde er zich zeer over, nu hij

zich herinnerde, dat hij haar vele keeren te voren in hetzelfde kasteel

zag en haar echter nooit had herkend. Toch herkende hij nu het

uiterlijk van zijn moeder terstond, deed zich zelf verwijten over zijn

vroeger onoplettendheid en kuste haar teeder, terwijl hij haar in zijn

armen hield. Maar toen mevrouw Beritola, vriendelijk geholpen door

donna Currado en door la Spina zoowel met koud water als met andere

middelen, in zich zelf de verloren krachten had teruggeroepen, omhelsde

zij haar zoon onder vele tranen en met veel zoete woorden. En vol

moederlijke liefde kuste zij hem duizend maal en misschien meer en hij

zag haar vele malen eerbiedig aan en sprak haar lief toe.

Doch nadat de eerbare en blijde omhelzingen drie of vier keer waren

herhaald niet zonder groote vreugde en welgevallen van de aanwezigen en

zij elkaar hun geschiedenis hadden verteld, zeide Giusfredi tot

Currado, die al aan zijn vrienden tot ieders genoegen de nieuwe

verbintenis door hem bekend gemaakt en het plan tot een schoon en

prachtig feest had opgevat: Currado, gij hebt mij met vele dingen

verheugd en gij hebt mijn moeder langen tijd goed ontvangen, opdat nu

in geenen deele door u wordt nagelaten wat gij kunt doen, bid ik u, dat

gij mijn moeder, mijn feestgezelschap en mij verheugen zult door de

tegenwoordigheid van mijn broeder, die in de gedaante van een dienaar

in het huis van Guasparrin d’Oria verblijf houdt, welke mij en hem,

gelijk ik u al vertelde, op reis gevangen nam. En dan: dat ge iemand

naar Sicilië zendt, die grondig navraag doet naar de gesteldheid en den

toestand van het land en er zich voor beijvert te weten te komen, wat

er van mijn vader d’Arrighetto geworden is, of die dood is of levend en

indien hij leeft in welk een toestand en dat die bode van alles goed op

de hoogte tot ons terug keert. Het verzoek van Giusfredi stond Currado

aan en zonder verwijl zond hij zeer vertrouwde personen zoowel naar

Genua als naar Sicilië. Degeen, die naar Genua ging en messire

Guasparrino vond, verzocht hem dringend namens Currado, dat hij dien

Scacciato en zijn voedster moest zenden, en vertelde hem geregeld wat

door Currado voor Giusfredi en voor zijn moeder gedaan was. Toen de

heer Guasparrino dit hoorde, was hij zeer verwonderd en zeide: Zeker

zou ik voor Currado alles doen wat ik kon om hem genoegen te

verschaffen, ik heb werkelijk al veertien jaar den jongen man naar wien

gij vraagt in huis en zijn moeder, die ik hem gaarne wil sturen; maar

zeg hem namens mij, dat hij niet te veel aan de verzinsels hecht van

dien Giannotto, die zich nu Giusfredi laat noemen, omdat die sluwer is

dan deze wel denkt. Na die woorden liet hij den braven man onthalen,

liet in ’t geheim de voedster roepen en onderzocht met haar dit feit.

Toen zij van de opstand van Sicilië had gehoord en dat Arrighetto

leefde, verjoeg zij de vrees, die zij had gekoesterd, vertelde alles

achtereenvolgens en vertrouwde hem de redenen toe, waarom zij aldus die

wijze van doen had volgehouden. Messire Guasparrino zag, dat de woorden

van de zoogster met die van den bode van Currado goed overeenstemden en

kreeg er vertrouwen in.

Toen hij als een uitgeslapen heerschap nog op verschillende wijzen dit

had onderzocht en hij telkens meer de zaak moest gelooven, schaamde hij

zich over de vernederende behandeling van den jongen en als vergoeding

hiervoor, wetend, dat hij een Arrighetto was en bleef en daar hij een

mooi meisje had van elf jaar, gaf hij hem die met een groote bruidschat

tot vrouw. Er werd een groot feest gemaakt en hij begaf zich met den

jongen, het meisje, den bode van Currado en de min op een welgewapende

galei naar Lerici. Hij werd er door Currado met zijn geheele geslacht

ontvangen en ging naar een slot van deze, daar niet ver vandaan, waar

een groot feest was voorbereid.

Hoe groot de vreugd der moeder was bij het terugzien van haar zoon, die

van de twee broeders en van alle drie en van de drie jegens de trouwe

voedster, hoe groot ook die van allen om messire Guasparrino en zijn

dochter en van hem om allen en van allen te samen met Currado en zijn

vrouw en zijn zoons en vrienden, kan niet uit woorden blijken; en

daarom, dames, moet ge u dit maar verbeelden. Opdat de vreugde volledig

werd, behaagde het God den Heer, den overvloedigsten gever, wanneer Hij

eenmaal begint te schenken, blijde berichten te doen inkomen van het

leven en den toestand van Arrighetto Capece. Want toen de vreugde groot

was en de gasten (dames en heeren) nog aan tafel bij het eerste

gerecht, kwam de bode terug, die naar Sicilië gegaan was en die onder

anderen van Arrighetto vertelde, dat, toen die gevangen werd gehouden

door koning Karel, op het oogenblik, dat het oproer tegen den koning op

dat eiland begon, het woedende volk naar de gevangenis liep, de

wachters doodde, hem er uit haalde en hem als de voornaamste vijand van

koning Karel tot hun kapitein maakte en hem volgde om de Franschen te

verjagen en te dooden. Hierdoor was hij in de hoogste gunst gekomen van

koning Pietro, die hem in al zijn rijkdom en aanzien had hersteld.

Vandaar dat hij weer tot hoogen rang en grooten rijkdom was gekomen.

Hij voegde er bij, dat Arrighetto hem zeer eervol had ontvangen en

onbeschrijfelijk verheugd was geweest over zijn vrouw en zijn zoon,

waarvan hij nooit voor zijn gevangenschap iets meer had vernomen.

Bovendien zond hij naar hen een jacht met eenige edellieden, die den

bode op den voet volgden. Currado met eenige van zijn vrienden gingen

de edellieden, die voor vrouwe Beritola en Giusfredi kwamen, haastig

tegemoet en hij ontving hen vriendelijk ook aan zijn gastmaal, dat nog

op het midden was, toen hij ze binnen leidde. Daar aanschouwden de

donna Giusfredi en bovendien alle anderen hem met zulk een vreugde als

nooit nog was voorgekomen. Dezen, voor ze zich ten maaltijd zetten,

groetten, bedankten, zoo goed ze konden, namens Arrighetto Currado en

zijn vrouw voor de bewezen eer en ook de dochter en den zoon.

Arrighetto bood zich met al wat hij kon tot hun dienst aan. Toen

keerden zij zich tot Messire Guasparrino, op wiens goedheid niet

gerekend was, en zeiden hem, dat zij er zeker van waren, dat al wat hij

voor Scacciato gedaan had, als Arrighetto het zou weten, door deze met

gelijke en meerdere gunsten zou worden beloond. Hierop zetten zij zich

zeer verheugd aan den disch van de twee jonggehuwden.

En niet alleen dien dag gaf Currado een feest voor zijn schoonzoon aan

zijn andere familielieden, verwanten en vrienden, maar nog vele andere

dagen. Nadat vrouwe Beritola had uitgerust, scheen het haar en

Giusfredi en de anderen, tijd om te vertrekken en met vele tranen namen

zij, op het jacht gestegen, afscheid van Currado en zijn vrouw en

messire Guasparrino, en namen la Spina mede. Ze hadden voorspoedigen

wind, kwamen weldra in Sicilië, waar en de zoons en de donna’s met

zooveel vreugde door Arrighetto werden ontvangen in Palermo, dat het

niet te beschrijven is. Men gelooft, dat zij daar langen tijd volkomen

gelukkig leefden en dat zij erkentelijk voor de ontvangen weldaad,

vrienden waren van Messire, den goeden God.

De Decamerone van Boccaccio · 第 20 / 116 题