VIJFDE VERTELLING.

Andreuccio van Perugia gaat naar Napels om paarden te koopen. In

een nacht heeft hij drie ongelukken, waaraan hij echter weer

ontkomt. Hij gaat met een robijn weer naar huis.

De steenen gevonden door Landolfo, begon Fiametta, aan welke de beurt

van verhalen kwam, hebben mij een vertelling in de gedachte geroepen,

niet minder vol gevaren dan die door Lauretta medegedeeld, maar in

zoover daarvan verschillend, dat gene in meerdere jaren, maar deze,

gelijk gij hier hooren zult, in één nacht plaats vond.

Er was—naar hetgeen ik vroeger gehoord heb—in Perugia een jongeling,

die Andreuccio di Pietro heette, een paardenkoopman, die, nadat hij

gehoord had, dat er te Napels goedkoope beesten te krijgen waren,

honderdvijftig goudguldens in zijn beurs stak. Hij was vroeger nog

nooit van huis geweest en ging daar nu met andere kooplieden heen. Toen

hij er op een Zondagavond bij den vesper was binnen gekomen en bij den

waard inlichtingen had gewonnen, was hij den volgenden morgen op de

markt, zag er zeer vele paarden die hem bevielen en hij onderhandelde

wel daarover maar kon over geen enkel tot een accoord komen. Als blijk,

dat hij er kwam om te koopen, was hij zoo onnoozel en onvoorzichtig,

dat hij meermalen ten aanschouwe van ieder, die er kwam en ging, zijn

beurs met florijnen te voorschijn haalde. Terwijl hij zoo onderhandelde

en zijn beurs had vertoond, ging een zeer schoon Siciliaansch meisje

voorbij, maar gereed voor een geringen prijs aan elk man ter wille te

zijn, zonder dat hij haar opmerkte. Zij zag zijn beurs en zei dadelijk

in zich zelf: Wat zou mij beter te pas komen dan dat dit geld aan mij

kwam? en ging verder. Bij het meisje bevond zich een oude vrouw, ook

een Siciliaansche, die, toen zij Andreuccio zag, het meisje vooruit

liet gaan en hartelijk toeliep om hem te omhelzen. Het meisje zag dit

en zonder iets te laten blijken, bleef zij op een hoek op haar wachten.

Andreuccio keerde zich naar de oude, herkende haar, en betuigde haar

hierover zijn genoegen. Zij beloofde hem te komen opzoeken in zijn

herberg en zonder veel woorden meer te verspillen vertrok zij.

Andreuccio keerde zich om tot onderhandelen maar kocht dien morgen

niets. Het meisje, dat eerst zijn beurs en daarna de familiariteit van

haar oude met hem had gezien, begon om te beproeven of er een middel

kon gevonden worden dit geld geheel of ten deele te bemachtigen,

voorzichtig te vragen wie hij was en vanwaar, wat hij daar deed en hoe

hij haar kende. Hierop vertelde zij haar al de bijzonderheden omtrent

Andreuccio, gelijk hij zelf haar die met weinige woorden verhaald had,

want zij had lang met zijn vader op Sicilië en daarna in Perugia

geleefd en zij meldde haar ook, waar hij logeerde en met welk doel hij

gekomen was. Het meisje, geheel op de hoogte zoowel van zijn familie

als van hun namen, maakte hierop het plan door een sluw bedrog aan haar

begeerte te voldoen. Tehuis gekomen, gaf zij de oude den geheelen dag

werk, zoodat zij Andreuccio niet zou kunnen ontmoeten en koos een

meisje uit, dat tot het verrichten van zulke diensten goed was

uitgestudeerd om dien avond naar de herberg te gaan, waar Andreuccio

verblijf hield. Zij kwam daar en ontmoette bij toeval hem aan de deur

en vroeg hem naar zijn naam, waarop die antwoordde, dat hij zelf de

bedoelde persoon was. Zij sprak, na hem ter zijde te hebben gevoerd:

Signor, een voorname donna van deze stad wil u, wanneer u dit behaagt,

gaarne spreken. Toen hij dit hoorde, was hij daar geheel van vervuld en

daar hij zichzelf een knap man toescheen, meende hij, dat die dame op

hem verliefd moest wezen, omdat hij dacht, dat er geen ander schoon

jonkman dan hij toen in Napels was, en antwoordde haastig, dat hij zou

komen. Hij vroeg, waar en wanneer die dame hem wilde spreken. Het

dienstmeisje antwoordde: Heer, wanneer het u bevalt; zij wacht u

tehuis. Andreuccio hernam zonder zich in de herberg bekend te maken: Ga

dan nu vooruit, ik zal na je komen. Toen leidde het meisje hem tot haar

woning, die in een straat stond Malpertugio (kwaad hol) genaamd, waar

al blijkt uit den naam zelf, hoe netjes het er was. Maar hij, die niets

wist noch vermoedde, verbeeldde zich, dat hij naar een fatsoenlijke

buurt ging en naar een lieve dame en trad onbezorgd met het meisje

voorop, het huis binnen. Hij vloog de trappen op, terwijl het meisje

reeds haar meesteres geroepen had en die zeide: Hier is Andreuccio! Hij

zag haar op den hoek boven aan de trap staan, waar ze hem afwachtte.

Zij was nog zeer jong, groot van persoon en met een zeer schoon gelaat,

voornaam gekleed en getooid. Toen Andreuccio haar naderde, ging zij hem

met geopende armen drie treden tegemoet, omhelsde hem, en stond zoo

eenigen tijd zonder een woord te spreken als door overvloedige

teederheid belemmerd. Daarop kustte zij hem weenend het voorhoofd en

zeide met haast gebroken stem: O, mijn Andreuccio, gij zijt welkom.

Hij, verwonderd over die zoo teere liefkozingen, antwoordde verbaasd:

Mevrouw, het doet mij genoegen u hier te ontmoeten. Daarna leidde zij

hem bij de hand naar boven naar de zaal en trad van deze zonder een

woord te spreken in haar kamer, welke geheel doorgeurd was van rozen,

oranjebloesems en andere bloemen. Daar zag hij een prachtig bed met

gordijnen en vele gewaden op rekken naar de gewoonte aldaar en andere

fraaie en rijke sieraden. Als jonge man geloofde hij hierdoor, dat zij

zeker een groote dame moest zijn. Zij zetten zich te samen op een kist

aan den voet van haar bed en zij begon aldus tot hem te spreken:

Andreuccio, ik ben er zeker van, dat gij u verwondert zoowel over de

liefkozingen, die ik u schenk als over mijn tranen, daar gij mij niet

kent en bij toeval nooit over mij hebt hooren spreken; maar gij zult

spoedig iets vernemen, wat u misschien nog meer zal verbazen, namelijk,

dat ik uw zuster ben. En ik zeg u, dat nu God mij zooveel genade heeft

geschonken, dat ik voor mijn dood één van mijn broeders heb aanschouwd

(hoewel ik verlangde ze allen te zien), ik op dit uur tevreden zal

sterven. Indien gij dit wellicht nooit hebt gehoord, zal ik het u

verklaren. Pietro, mijn vader en de uwe, naar ik geloof, dat gij hebt

kunnen weten, woonde lang in Palermo en door zijn goedheid en

vriendelijkheid was hij er en is er nog door hen, die hem kenden, zeer

bemind. Maar onder de anderen, die veel van hem hielden, was mijn

moeder, die edelvrouw was en destijds weduwe, degene, die het meest van

hem hield, zoodat zij ter zijde gesteld hebbend de vrees voor haar

vader en broeder en haar eer, zoo met hem samen leefde, dat ik er uit

geboren werd en daardoor ben ik, die gij hier ziet. Sinds er een reden

kwam voor Pietro om uit Palermo te vertrekken en naar Perugia terug te

keeren, liet hij mij als klein kind met mijn moeder achter, en nooit,

voor zoover ik gewaar werd, dacht hij meer aan mij of haar. Hierover

zou ik, als het mijn vader niet was geweest, hem groote verwijten doen,

wanneer ik let op zijn ondankbaarheid jegens mijn moeder (ik laat daar

de liefde, die hij mij als zijn dochter, niet afkomstig van een

dienstmaagd of een vrouw uit het volk, had moeten toedragen) welke

gelijkelijk het hare en zich zelf, zonder overigens te weten wie hij

was, door de trouwste liefde bewogen, in zijn handen stelde. Maar wat!

De slechte dingen, die lang geleden zijn, zijn gemakkelijker af te

keuren dan te herstellen. Maar zoo stond het dan toch er mee. Hij liet

mij als klein kind in Palermo achter, waar, toen ik opgroeide tot wat

ik nu ben, mijn moeder als rijke donna, mij ten huwelijk gaf aan een

der Gergenti’s, een goed edelman, die uit liefde voor mijn moeder en

mij in Palermo bleef wonen. Daar hij zeer guelfisch [28] gezind was,

liet hij zich in tot onderhandelen met onzen koning Karel, die, toen

koning Frederik dat bespeurde, voordat het gevolg kon hebben, daarom de

vlucht nam naar Sicilië, waar ik verwachtte de eerste edelvrouw te

worden, die er ooit op dat eiland was. Vandaar vluchtten zij naar dit

land, de weinige zaken medenemend, die wij medenemen konden (ik zeg

weinigen met betrekking tot de velen, die wij hadden) en lieten de

landgoederen en de paleizen achter. Daar vonden wij koning Karel, die

zoo goed voor ons was, dat hij ten deele onze schade, voor hem geleden,

herstelde en er ons bezittingen en huizen gaf. En nog geeft hij altijd

aan mijn man, die uw zwager is, een goed inkomen, gelijk gij nog kunt

zien. En zoo ben ik hier als gij mij vindt, dank zij God en niet u,

lieve broeder. Hierna omhelsde zij hem opnieuw en kuste hem nog teeder

weenend op het voorhoofd.

Toen Andreuccio haar dat fabeltje, zoo netjes en goed in elkaar gezet,

hoorde vertellen, die nooit bleef haperen, nooit stotterde en toen hij

zich herinnerde, dat zijn vader werkelijk in Palermo geweest was en

daar hij zelf als jongeling de neigingen kende der jongelieden, die de

jeugd lief hebben en toen hij de teedere tranen zag en de omhelzingen

en de eerzame kussen, geloofde hij, dat dit meer dan waar was. Nadat

zij zweeg, antwoordde hij haar: Mevrouw, het zal u niet verrassen, dat

ik mij verwonder, omdat òf mijn vader, die wel wist waarom hij het

deed, nooit van uw moeder en van u sprak, òf indien hij er wel van

sprak, dit niet ter mijner kennis is gekomen en ik niets van u wist,

alsof gij niet op de wereld bestond. Het is mij echter des te

aangenamer hier een zuster te hebben gevonden, omdat ik hier alleen ben

en dit niet had gehoopt en inderdaad ken ik geen man van hoe hoogen

rang ook, aan wien gij niet dierbaar zoudt zijn zoo goed als aan mij,

die maar een klein koopman ben. Maar met een zaak, bid ik u, doet gij

mij een groot genoegen: Hoe wist gij, dat ik hier was? Hierop

antwoordde zij: Een arme vrouw liet het mij van ochtend weten, die

dikwijls hier komt, omdat zij met onzen vader (naar wat zij mij

vertelt) lang zoowel in Palermo als in Perugia leefde en wanneer het

mij niet fatsoenlijker had geschenen, dat gij in mijn huis kwaamt dan

ik bij u in dat van anderen, was ik al lang bij u gekomen.

Daarna begon zij hem nauwkeurig en met name naar al zijn verwanten te

vragen, waarop Andreuccio antwoord gaf en geloofde daardoor nog meer,

wat hij moest wantrouwen. Daar het praten lang had geduurd en de hitte

groot was, liet zij grieksche wijn komen en confituren en gaf aan

Andreuccio te drinken, die hierop wilde vertrekken, omdat het het uur

was voor het avondmaal. Zij liet dit niet toe, maar deed of ze heel

kwaad werd en zeide hem omhelzend: O wee mij! Ik zie al te wel, hoe

weinig ik je waard ben! Wat moet men er van denken, dat je met één

zuster bent, die je nog nooit zaagt en in haar huis, waar je, als je

daar komt, wilt weggaan en naar de herberg vertrekken om daar te

avondmalen! Werkelijk, ge moet bij mij blijven soupeeren en hoewel mijn

man er niet is, wat mij zeer spijt, zal ik u toch als vrouw wel goed

weten te ontvangen. Andreuccio, niet wetend wat er op te antwoorden,

zeide: Ik houd van u als zuster zooveel als het moet, maar als ik niet

ga, zal ik den geheelen avond ten eten worden verwacht en ik zal

onbeleefd zijn. Daarop zeide zij: God zij geloofd, dat ik nog hier wel

iemand heb om te berichten, dat men u niet moet afwachten. Het zou nog

hoffelijker van u zijn en uw plicht, om aan uw metgezellen te laten

weten, dat zij hier zouden komen om te avondmalen, en dan, als gij toch

wilt weggaan, zoudt gij allen met elkaar kunnen vertrekken.

Wat mijn metgezellen betreft, sprak Andreuccio, die verlang ik vanavond

niet hier, maar als je bepaald wilt, dat ik hier blijf eten, dan zal ik

dit gaarne doen. Zij deed, alsof ze in zijn herberg liet berichten, dat

men op hem met het eten niet zou wachten. Toen zij na nog veel gebabbel

aan tafel waren gezeten en zij met een overvloed van gerechten bediend

werden, rekte zij slim het maal zoolang, dat het al duister werd en

nadat zij opgestaan waren van de tafel en Andreuccio van haar vandaan

wilde gaan, sprak de juffrouw, dat zij dit volstrekt niet veroorloofde,

omdat Napels geen stad was, waar men bij nacht kan loopen en vooral

geen vreemdeling. Zij gaf voor evenzoo in de herberg te doen weten, dat

hij bleef slapen. Andreuccio, die dit al geloofde en zich daarmee

verblijdde, hoewel hij door lichtvaardig vertrouwen bedrogen was, dat

hij bij zijn zuster vertoefde, bleef daar ook. Hun gesprek, hun

gekeuvel duurde zeer lang na den eten en niet zonder reden en toen de

nacht al voor een groot deel verstreken was, liet zij Andreuccio in

zijn kamer om te gaan slapen met een klein jongske om hem naar believen

te helpen, als hij iets begeerde: aldus begaf zij zich ook met de

andere vrouwen, die zij bij haar had, naar een ander vertrek. Nu was

het in dien tijd van het jaar zeer heet, zoodat Andreuccio ziende, dat

hij daar alleen gebleven was, zich haastig van zijn wambuis ontdeed en

ook zijn broek uittrok, die hij aan het hoofdeinde van zijn bed lei.

Daar gevoelde hij den nooddrang der natuur om het overvloedig gewicht

van zijn buik te verminderen en vroeg daarom den jongen naar het

geheime gemak, die hem een deur wees in een van de hoeken der kamer,

zeggende, dat hij daar binnen zou treden. Zonder argwaan ging

Andreuccio daar binnen, waar hij per ongeluk zijn voet op een plank

zette, die los op een balk lag aan het eene einde, zoodat de plank met

het andere einde omhoog wipte en hij daarmee van boven neerviel. Maar

God bewaarde hem, dat hij zich bij het vallen niet meteen kwetste,

hoewel hij van een tamelijke hoogte neerkwam. Toch werd hij overal vuil

van de uitwerpselen, waar die plek vol van was. Hoe die plaats was, zal

ik beschrijven, opdat gij hetgeen ik verteld heb en wat er nog te

zeggen valt, goed zult begrijpen. Daar waren in een smalle en kleine

ruimte, zooals men dikwijls tusschen de huizen ziet, enkele planken

geplaatst op twee balken, die van het eene huis naar het andere gelegd

waren en die tot zitplaats boven die geul als privaat dienden.

Andreuccio was met een dier planken neergetuimeld. Hij bevond zich

plotseling in de straatgeul en was verstoord door dit onvoorziene

ongeval en riep den jongen toe. Zoodra de knaap hem had hooren vallen,

ging die het zeggen aan zijn meesteres. Zij liep naar zijn kamer, zocht

of zijn kleeren er waren, vond die daar en ook het geld, dat hij

wantrouwend, altijd dwaas bij zich droeg. Daartoe had zij haar netten

uitgezet. Daartoe had zij—van Palermo afkomstig—geveinsd een der

dochteren van Perugia te zijn. Derhalve bekommerde zij zich verder niet

over Andreuccio, maar sloot vlug de deur, waar hij uit was gegaan, toen

hij van boven neerviel. Andreuccio merkend, dat de jongen hem geen

antwoord gaf, ging door met nog veel harder te roepen, maar het was

voor een doovemansdeur. Toen begon hij kwaad te vermoeden en al te laat

het bedrog te bemerken en klom op een kleinen muur, die het uitzicht op

de straat in de geul belette.

Toen hij daaruit naar buiten was gesprongen, zocht hij op de straat

naar de deur van het huis en riep daarvoor langen tijd vergeefs en

stommelde en stootte er tegen. Toen hij hierover klagend zijn ongeluk

gewaar werd, begon hij te roepen: O wee, in hoe weinig tijd heb ik

honderdvijftig florijnen en een zusje verloren! En na vele andere

woorden begon hij opnieuw op de deur te slaan en te schreeuwen en hij

deed dit zoo hard, dat de omwonende buren, die dit rumoer niet konden

verdragen, van hun bed opstonden. Daar was ook een der dienstmaagden

van de juffrouw, die met nogal slaperig voorkomen naar het venster kwam

en kwaad tot hem zei: Wie ben jij, die daar beneden klopt? Och, sprak

Andreuccio, kent u mij niet, ik ben Andreuccio, de broer van uw

juffrouw Fiordaliso. Hebt gij, vriendlief, wat te veel gedronken? Ga

dan maar goed slapen en kom morgen weer terug; ik weet van geen

Andreuccio en weet ook niet wat voor dwaasheden gij vertelt. Ga hier

dus in ’s hemels naam weg en laat ons asjeblieft stilletjes slapen.

Wat? sprak Andreuccio, weet u dan niet, wat of ik zeg? Zeker weet je

dat! Is de familie van Sicilië van zulk een soort, dat men die in zoo

korten tijd vergeet, geef me dan tenminste mijn kleeren terug, die ik

hier heb gelaten en ik zal met God weggaan. Daarop zeide zij lachend:

Me dunkt, vriendje, je droomt. Met dit antwoord ging zij naar binnen en

sloot het venster. Andreuccio reeds zeker van zijn schade werd tegelijk

door verdriet en toorn haast razend en nam zich voor met geweld te

bemachtigen, hetgeen hij niet door goede woorden wist te verkrijgen.

Daarom nam hij een steen en begon met veel luider slagen dan te voren

weer aan de deur te kloppen. De buren, die van te voren ontwaakt en van

hun bed opgestaan waren, hoorden dit gedaver en dachten, dat hij een of

andere rustverstoorder was, die zoo sprak om deze goede dame te

kwellen; boos door het groote spektakel, dat hij maakte, staken zij

daarom hun hoofden uit de ramen en begonnen alle tegelijk te schreeuwen

net als de honden op straat blaffen achter den staart van een vreemde

hond, die daar loopt: het is een schandaal op dit uur zoo aan de deur

te komen van fatsoenlijke vrouwen en die dwaasheden toe te roepen, ga

dus in ’s hemelsnaam hier vandaan, goeie man en laat ons slapen

asjeblieft. Als u met haar iets hebt uit te staan, kom dan morgen terug

en hinder ons zoo niet den heelen nacht. Door die woorden vatte

wellicht een knecht van de juffrouw moed, dien Andreuccio daar

binnenshuis noch gezien noch gehoord had en die uit het venster kwam en

met een ruwe, vreeselijke en barsche stem zeide: Wie is daar beneden?

Door die klank hief Andreuccio het hoofd op en zag daar een man, welke,

naar Andreuccio kon merken, een groote vechtersbaas scheen te zijn, met

een ruigen, zwaren baard om zijn mond en die geeuwend en gapend zijn

oogen wreef of hij van bed was gekomen uit een zwaren slaap. Hem

antwoordde Andreuccio niet zonder angst: Ik ben de broeder van de

juffrouw van dit huis. Maar die hoorde zijn woorden niet tot het einde

aan en sprak hem nog veel barscher toe dan hij de eerste maal had

gedaan, zeggende: Ik weet niet waarom ik mij laat weerhouden beneden te

komen en je met een eind hout zoo te laten rondspringen, dat je je niet

meer kunt verroeren, daar je hier vannacht niemand laat slapen, stomme

ezel en dronkelap, die je bent. Hierbij trok hij het hoofd naar binnen

en sloot het venster. Sommige van de buren, die den aard van dien man

wel kenden, spraken goedig tot Andreuccio: In ’s hemels naam, vriend,

maak bijtijds, dat je weg komt en laat je niet doorsteken, ga veilig

weg zooals men je zegt; dat is het beste. Andreuccio, ontsteld van de

stem van dien man en van zijn gezicht en bewogen door den raad der

buren, die (gelijk hij meende) te goeder trouw spraken, ging als de

treurigste man ter wereld en om zijn verlies wanhopig weg. Hij begaf

zich naar die wijk, waar hij daags te voren het meisje gevolgd was en

zonder goed den weg te weten, om naar de herberg terug te keeren.

Bovendien was hij nog boos, omdat hij zoo leelijk rook, en begeerde hij

aan den zeekant te geraken om zich te wasschen. Hij verdwaalde aan den

linkerkant en liep door de Catalonische straat opwaarts. Zoo het

hoogste deel der stad bereikend, ontmoette hij toevallig twee mannen,

die hem tegen kwamen met een lantaarn in de hand. Daar hij vreesde, dat

het de wacht of anders kwaad volk mocht zijn, verborg hij zich om ze te

ontwijken in een oud vervallen huis, dat hij daar in de nabijheid vond.

Maar daar gingen ook deze lieden op af als met opzet, waar de een, die

ijzeren gereedschappen op den schouder droeg, met den ander begon rond

te kijken en over allerlei dingen daartusschen door spraken zij.

Hierbij zeide een van hen: Wat beteekent dat? Ik ruik de leelijkste

lucht, die ik ooit van mijn leven bespeurd heb. Bij die woorden hief

hij den lantaarn omhoog en zag den ongelukkigen Andreuccio, zoodat zij

verwonderd vroegen: Wie is daar? Andreuccio sprak geen woord. Maar zij

naderden hem met het licht en vroegen hem, wat hij, zoo smerig, daar

deed. Toen vertelde Andreuccio hun van het begin af aan, wat er met hem

gebeurd was. Zij vermoedden op den gis af, waar hem dit ongeluk gebeurd

kon wezen, en zeiden met nadruk: Dat kan zeker nergens anders geweest

zijn, dan bij Scarabon, den brandstichter. Daarom keerden zij zich tot

Andreuccio en zeiden hem: Als dat zoo is, vriend, dat jij je geld hebt

verloren, dan mag je God nog danken voor het geluk van boven neer te

zijn gevallen en dat je niet meer in dat huis mocht komen, want je kunt

er van op aan, dat ze je daar vermoord hadden, zoodra je in slaap zoudt

zijn gevallen en je zoudt dan je leven met je geld zijn kwijt geraakt.

Maar wat helpt je al dat schreeuwen! Je zoudt eerder de sterren van den

hemel kunnen halen dan een cent van je geld uit hun handen. Ja, je

zoudt nog doodgestoken worden, zoodra die kerel hoorde, dat je er nog

altijd over sprak. Hierna fluisterden zij een poosje te samen en

spraken hem daarop weer toe. Hoor vriend, we hebben medelijden met je

en als je in ons gezelschap wilt wezen om iets te doen, wat wij ons

hebben voorgenomen, meenen wij er haast zeker van te zijn, dat jou veel

meer ten deel zal vallen dan de waarde van wat je verloren hebt.

Andreuccio in volslagen wanhoop, antwoordde, dat hij daartoe bereid

was. Nu was dienzelfden dag de aartsbisschop van Napels begraven,

Monseigneur Philippus Minutolo, in een rijk gewaad en met een robijn

aan zijn vinger, die meer dan vijfhonderd goudguldens waard was, welken

die twee zich hadden voorgenomen te gaan berooven. Zij gaven dit aan

Andreuccio te kennen. Deze, meer begeerig dan bedachtzaam, begaf zich

met hen op weg. Toen zij nu naar de groote kerk gingen en Andreuccio

vreeselijk rook, sprak een van hen: Zouden wij geen middel kunnen

vinden, opdat deze man zich ergens kan wasschen en dat hij niet zoo

gruwelijk ruikt? Best, zei de ander, we zijn hier dicht bij een put.

Daar is gewoonlijk een strik in met een grooten emmer. Laat ons

daarheen gaan, wij zullen hem flink afspoelen. Daar gekomen vonden zij

wel het touw, maar de emmer was er afgenomen. Zij overlegden om hem in

den put te laten zinken, opdat hij zich zelf daar zou wasschen en als

hij schoon was, zou hij aan het touw schudden, opdat zij hem dan

terstond weer zouden optrekken. Zij hebben hem zoo daarin laten zakken.

Maar het toeval wilde, dat, zoodra hij beneden in de put was, eenige

mannen van de wacht naar de put liepen om te drinken, zoowel omdat het

zeer warm was als omdat zij iemand nagezeten hadden en dorstig werden.

Zoodra dit tweetal de wacht zag, gingen zij haastig op de vlucht. De

mannen van de wacht bemerkten hen niet, maar Andreuccio, die beneden in

de put gereinigd was, begon het touw te schudden. Boven om den put

stonden de wachters, die hun schilden, hun wapens en hun mantels

afgelegd hadden en het touw optrokken. Zij meenden, dat er een emmer

vol water aan hing. Toen Andreuccio merkte, dat hij de opening van de

put naderde, liet hij het touw los en sloeg zijn handen op den kant; de

anderen, die dit zagen, schrikten er zoo geweldig van, dat zij uit

angst het touw lieten schieten en zoo hard als ze konden, weg liepen.

Hierover verbaasde Andreuccio zich zeer, welke, indien hij zich niet

stevig had vastgehouden, weer ruggelings op den bodem van den put was

gevallen en dat niet zonder groote verwonding of den dood. Maar toen

hij desondanks er uit gekomen was en er de wapens vond liggen, die hij

wel wist, dat zijn metgezellen daar niet hadden heengebracht, begon hij

zich nog meer te verwonderen. In dien angst niet wetend wat dat

beteekende, beklaagde hij zich over zijn ongeluk en besloot daar

vandaan te gaan zonder een van die voorwerpen aan te roeren. Zoo liep

hij er weg zonder te weten waarheen en kwam zijn twee kameraden

tegemoet, die zich terug begaven om hem uit den put te trekken. Toen

zij hem zagen, waren ze toch zeer verwonderd en vroegen hem wie of hem

daaruit had getrokken. Andreuccio antwoordde, dat hij er eigenlijk

niets van af wist en verhaalde geregeld achter elkaar, hoe het in zijn

werk ging en ook wat hij rondom den put had gevonden. De anderen

hoorden toe en vertelden hem lachend, waarom zij daar vandaan gevlucht

waren en wat voor lui hem daaruit hadden getrokken. Zij gingen, toen

het middernacht was, zonder verdere afspraak naar de groote kerk. Zij

kwamen daar zonder moeite binnen en gingen naar het graf, een marmeren,

buitengewoon groote tombe. Ondanks haar geweldige zwaarte werd zij door

hen met hun ijzers en gereedschappen zoo hoog geheven, dat een man er

in kon komen en stutten zij den steen op die wijze van onderen. Toen

dit gebeurd was, sprak een van hen: Wie zal er nu in gaan? De ander zei

daarop: Ik niet. En ik evenmin, hernam de eerste, maar laat Andreuccio

er in afdalen. Ik zal het ook niet doen, sprak Andreuccio. Toen keerden

zij zich beide tot deze en zeiden: Hoe dat? Ga je er niet in? Daal je

er niet in af, bij God, dan zullen wij jou met deze ijzeren bouten

zooveel slagen op je kop geven, dat we je er in laten doodvallen.

Andreuccio was bang, dat zij doen zouden, waarmee zij dreigden en dacht

onder het afdalen bij zich zelf: die twee laten mij hier in gaan om mij

te bedriegen. Want als ik hun alles gegeven zal hebben, zullen zij er

mee gaan strijken en hun kans waarnemen, terwijl ik bezig ben er uit te

komen. Zoo zou ik hier blijven zonder iets te behouden. Daarom nam hij

zich voor, eerst voor zich zelf te zorgen, voordat hij er uit geholpen

zou zijn en denkend aan den prachtigen ring, waarvan hij hen had hooren

spreken, heeft hij die, zoodra hij daar beneden was, van de hand van

den Aartsbisschop getrokken en aan de zijne gestoken. Daarna nam hij

den staf, den mijter, en de handschoenen en toen hij hem tot op het

hemd beroofd had, reikte hij alles aan zijn metgezellen toe en zei, dat

er niets meer te vinden was. Die beweerden toen, dat de ring er bepaald

moest wezen en zeiden, dat hij overal goed moest zoeken, maar hij

antwoordde, dat hij dien niet vond, deed zich voor, alsof hij zocht en

liet hen een beetje wachten. Maar zij, die van hun kant net zoo sluw

waren als hij, hielden nog altijd vol, dat hij goed zou kijken en

namen, toen het hun goed dacht, de stutten weg, die de zerk over de

tombe omhoog hielden. Zij vluchtten daarop heen en lieten den armen

Andreuccio daaronder opgesloten. Iedereen kan licht begrijpen, hoe het

Andreuccio te moede werd, toen hij dit zag. Hij beproefde herhaaldelijk

met het hoofd en de schouders om de zerk op te beuren, maar zijn moeite

was tevergeefs. Tengevolge daarvan werd hij door de grootste droefheid

overmand en viel op het doode lichaam van den Aartsbisschop in zwijm,

zoodat, indien op dat oogenblik iemand beide had gezien, deze zeer

moeilijk had kunnen weten wie van hun tweeën het meest dood was, de

Aartsbisschop of Andreuccio. Toen hij weer tot zich zelf was gekomen,

begon hij hierbij bitter te schreien, daar hij zag, dat hij zeker moest

sterven, wat er bij twee mogelijkheden ook mocht gebeuren: omkomen van

honger en van den stank onder de wormen van het lijk, zoo niemand hem

daaruit verloste, of ongetwijfeld als een kerkroover opgehangen worden,

indien er al enkele menschen zouden komen, die hem daar vonden. Met

zulke gedachten en zeer treurig, hoorde hij lieden langs de kerk gaan

en spreken, die daar, gelijk hij dacht, heen kwamen om hetzelfde te

doen, wat hij nu al met zijn metgezellen had verricht, waardoor zijn

angst nog vermeerderde. Die kwamen naar de tombe, openden deze en

zetten die op stutten, maar zij begonnen het er over oneens te worden

wie van hen naar beneden zou gaan, wat niemand doen wilde. Ten slotte,

na een langen twist, zeide een hunner, een pater: Waarom zijn jullie

bang? Vrees je, dat hij je op zal eten? De dooden eten nooit menschen,

daarom zal ik er nu in afdalen. Toen hij dit gezegd had, hield hij zijn

borst tegen den kant van het graf, stak zijn hoofd naar buiten en liet

de beenen er in zakken om er in af te dalen.

Andreuccio, die zich al opgericht had, zag dit, en greep den dief bij

een van zijn beenen en deed net, alsof hij hem naar onderen wou

trekken. De ander werd dit gewaar, gaf een vreeselijken gil en

slingerde zich zelf snel op den kant van het graf omhoog. De anderen

daardoor hevig ontzet, lieten het graf open staan en vluchtten, alsof

hun honderdduizend duivels tegelijk op de hielen zaten. Toen Andreuccio

dit merkte, werd hij boven verwachting verheugd; hij sprong op den rand

van het graf en liep de kerk uit den weg langs, dien hij gekomen was.

Toen de dageraad nu al rees, is hij al dolende met den ring aan de hand

toevallig aan de haven gekomen en daarna aan zijn herberg. Daar

ontwaarde hij zijn gezelschap en den kastelein, die allen dien nacht

zeer bezorgd over hem geweest waren. Nadat hij verteld had, wat hem

overkomen was, scheen het hem op raad van den herbergier het best

meteen uit Napels te vertrekken, wat hij haastig deed. Hij kwam weer te

Perugia, nadat hij dus zijn geld met een ring had verwisseld, waar hij

was heengegaan om paarden te koopen.

De Decamerone van Boccaccio · 第 19 / 116 题