VIERDE VERTELLING.

Landolfo Ruffolo wordt arm, en daarna zeeroover. Door de Genueesen

gevangen genomen lijdt hij schipbreuk en redt zich op een kist vol

kostbare juweelen. Hij wordt op Corfoe door een vrouw opgenomen en

keert rijk naar huis terug.

Laurette zat naast Pampinea en toen zij die tot het roemvol einde van

haar vertelling gekomen zag, begon zij zonder langer te wachten aldus

te spreken: Zeer genadige donna’s. Geen daad kan naar mijn oordeel u

meer er een van de fortuin blijken dan iemand van de diepste ellende

tot koninklijken rang zich te zien verheffen gelijk de vertelling van

Pampinea aantoonde, dat Alexander overkomen is. En opdat, wat van de

voorgestelde stof ook in het vervolg gezegd wordt, zal overeenstemmen

met hetgeen ik nu van dezelfde strekking verhaal, zal ik mij niet

weerhouden u een historie te vertellen, die, hoewel zij de grootste

ellende inhoudt, echter niet zulk een schitterenden uitslag heeft. Ik

weet wel, als ik daar op let, dat die met minder aandacht zal worden

aangehoord, maar omdat ik niet anders kan, zal het mij worden vergeven.

Men houdt den zeekant van Reggio tot Gaeta voor het liefelijkste deel

van Italië. Hier bevindt zich in de nabijheid van Salerno een kust, die

op de zee uitziet, welke de bewoners la Costa d’Amalfi noemen, vol

kleine steden, tuinen en beken, bewoond door de rijkste en

ondernemendste kooplieden. Onder gezegde steden is er een Ravello [27]

genaamd, waar, zoo er heden al rijke lieden wonen, destijds een zeer

rijke leefde, Landolfo Ruffolo. Daar hij niet genoeg had aan zijn geld

en verlangde dit te verdubbelen, liep hij gevaar alles te verliezen met

zijn leven er bij. Hij dan, gelijk dat gewoonte is bij kooplieden, na

een plan te hebben gemaakt, kocht een zeer groot schip, bevrachtte het

voor zijn rekening met verschillende koopwaren en ging hiermee naar

Cyprus. Na hier te zijn aangekomen, vond hij hier met hetzelfde soort

koopwaren, die hij had aangebracht, andere schepen, zoodat hij niet

alleen heel goedkoop moest verkoopen wat hij had meegebracht, maar als

hij ze kwijt wou raken, ze moest wegsmijten, zoodat hij hierover de

wanhoop nabij was. Hij had hiervan zeer veel verdriet, niet wetend wat

te doen, nu hij zag, dat hij van een zeer rijk man in korten tijd arm

was geworden en hij dacht er over òf te sterven òf door roof zijn

schade te herstellen, opdat hij, waar hij rijk vandaan was gekomen,

niet arm zou terugkeeren. Toen hij een kooper voor zijn groot schip

gevonden had, kocht hij met dit geld en met het andere, wat hij voor

zijn koopwaar had ontvangen, een licht scheepje om te kapen en voorzag

dit met al wat hiertoe noodig was, rustte het uitstekend uit en begon

op alles jacht te maken, vooral op de Turken. Bij de kaapvaart was de

fortuin hem zeer gunstig, die ’t hem niet was geweest in den handel.

Misschien in één jaar roofde en nam hij zooveel schepen van de Turken,

dat hij niet alleen herkregen had, wat hij in den handel had verloren,

maar hij had het meer dan verdubbeld. Toen hij van de eerste smart van

het verlies hersteld was en wist, dat hij genoeg had, nam hij zich voor

er geen tweede keer in te loopen en dat, wat hij nu had, hem genoeg zou

zijn. Hij besloot naar huis terug te keeren en beangst voor den handel,

wilde hij zijn geld niet meer in koopwaar omzetten, maar stak met het

scheepje, waarmee hij het had gewonnen, in zee.

Toen hij reeds in den Archipel was, verhief zich ’s avonds een storm,

die niet slechts tegen zijn koers in ging, maar die de zee zeer ruw

maakte, wat zijn scheepje niet goed kon verduren, zoodat hij in een

zeeboezem, welken een klein eiland gevormd had, voor dien wind beschut,

zijn toevlucht nam en zich voornam beter weer af te wachten. Hij was

hier pas kort, toen er twee galjoenen van Genueezen ankerden, die van

Constantinopel kwamen om hetzelfde weer als Landolfo te ontvluchten en

met moeite er in slaagden. De manschappen hiervan, die het scheepje

zagen en hem den weg hadden afgesloten om te vertrekken, hoorden, wie

hij was en daar zij al bij gerucht wisten, dat hij zeer rijk was,

besloten zij, gelijk natuurlijk is bij menschen begeerig naar geld en

roofziek, het te bemachtigen. Toen zij een deel van hun volk met den

voetboog en wel gewapend hadden aan land gezet, lieten zij een gedeelte

er van naderen, zoodat niemand van het scheepje, als hij niet wilde

doorboord worden, er uit kon komen. De anderen, die booten hadden laten

zakken, naderden, begunstigd door de zee, het vaartuig van Landolfo en

met weinig moeite hadden ze in korten tijd het heele scheepsvolk zonder

een man te verliezen in handen. Zij brachten Landolfo op een van hun

galjoenen, namen alles van zijn scheepje weg, deden dat zinken en

lieten hem slechts een armzalig wambuis.

Toen den volgenden dag de wind gekeerd was, zeilden de galjoenen naar

het westen en dien geheelen dag was hun reis gunstig, maar tegen den

avond stak er een storm op, die hooge zeeën voortjoeg en de twee

schepen van elkaar scheidde. Door de kracht van den wind stootte het

schip, waarop de ellendige en arme Landolfo zich bevond, met een

vreeselijken schok op de hoogte van het eiland Cefalonia op een

zandbank en op dezelfde wijze als een glas tegen een muur geslagen,

barstte het geheel uiteen. De arme schipbreukelingen, die er zich op

bevonden, begonnen, terwijl de zee vol drijvende koopwaren was en vol

kisten en planken, gelijk dat gewoonlijk geschiedt en terwijl de nacht

zeer donker was en de zee dreigend en hol, te zwemmen, voor zoover dat

mogelijk was en zich vast te klampen aan de voorwerpen, die bij toeval

vóór hen dreven. Onder hen was ook de ellendige Landolfo, die nog den

vorigen dag herhaaldelijk den dood had aangeroepen, dien hij verkozen

had, liever dan dat men hem arm naar huis zag terugkeeren. Maar hij was

toch bevreesd, nu hij dien onder de oogen zag. Toen hem ook een plank

in handen kwam, ging hij daaraan hangen, opdat misschien God hem het

verdrinken zou besparen en hem hulp zou zenden tot zijn redding.

Schrijlings hield hij zich, zoo goed hij kon, hieraan vast door de zee

en de wind dan hier en dan daarheen geslingerd, tot het dag werd. Toen

rondziende, ontwaarde hij niets dan lucht en water en een kist, die op

de golven dreef, welke hem telkens tot zijn grooten schrik naderde,

daar hij vreesde, dat die hem zou stooten, zoodat hij zou verdrinken.

Iederen keer als die hem nabij kwam, verwijderde hij die, zooveel hij

kon, hoewel hij weinig kracht over had, met de hand. Maar terwijl dat

gebeurde, kwam er uit de lucht opeens een windstoot los en gaf de zee

aan de kist zoo’n schok en aan de plank, waarop Landolfo zat, dat hij

omgesmeten onder water raakte en zwemmend boven kwam meer door vrees

dan door kracht en zich ver van de plank verwijderd zag. In angst die

niet te kunnen bereiken, naderde hij de kist, die vrij dichtbij was en

met de borst aan het deksel geleund, stuurde hij haar zoo goed hij kon

met de armen vooruit. Op die manier door de zee dan hier, dan daarheen

geslingerd, zonder te eten, omdat hij niets had, en meer drinkend dan

hem lief was, en zonder iets anders dan water te zien, bleef hij den

geheelen dag en bij den invallenden nacht in dien toestand. Den

volgenden dag, òf naar Gods wil, òf doordat de kracht van den wind het

deed, en terwijl hij haast een spons was geworden, en de zijden van de

kist met de beide handen stevig vasthield (gelijk we het drenkelingen

zien doen, als ze iets beet pakken), kwam hij aan de kust van het

eiland Corfoe, waar een arm vrouwtje toevallig haar potten met zand en

zeewater waschte en schoon maakte. Toen zij hem zag naderen en niet

wist, wat het was, twijfelde zij en liep schreeuwend weg. Hij kon niet

spreken en niets zien, maar daar de zee hem toch naar den vasten wal

voerde, werd de vorm van de kist voor de vrouw duidelijk en daarna

scherper oplettend en kijkend, ontwaarde zij eerst de armen om de kist

uitgestrekt. Vervolgens ontdekte zij het menschengezicht en begreep

wel, wat dat had te beduiden. Daarom bewogen door medelijden, ging zij

een eind het water in, dat al stil was, trok hem bij de haren met de

heele kist aan land en maakte met moeite zijn handen daarvan los.

Terwijl zij de kist op het hoofd van een harer dochters laadde, die bij

haar was, droeg zij hem als een klein kind op het land, bracht hem in

een badkamer en wreef en waschte hem zoo met warm water, dat de

verloren warmte in hem terugkeerde en een deel der verdwenen krachten.

Toen het tijd scheen, liet zij hem uit de badkamer gaan en versterkte

hem met goeden wijn en beschuit en op een goeden dag had hij welhaast

zijn krachten herwonnen en wist, waar hij zich bevond. Derhalve achtte

de goede vrouw zich verplicht hem de kist terug te geven, die zij had

gered en hem te zeggen, dat hij voortaan zijn geluk verder te zoeken

had en zoo deed zij. Hij herinnerde zich niets van een kist, maar nam

die toch aan gelijk de brave vrouw hem die gaf, denkend, dat die zoo

weinig waard was, dat hij er geen dag vertering van zou kunnen betalen.

Daar hij die zeer licht vond, ontbrak hem haast alle hoop. Niettemin,

toen zij niet thuis was, brak hij die open om te zien, wat zich daarin

bevond en werd daarin vele gezette en losse, kostbare steenen gewaar.

Hij zag, dat ze van groote waarde waren en dankte God, dat die hem niet

geheel had verlaten en kwam geheel op streek. Maar daar hij in korten

tijd tweemaal wreed door de fortuin was bedrogen en hij voor den derden

keer bang was, dacht hij er over na zeer voorzichtig te werk te gaan om

die zaken naar huis te krijgen. Na ze daarom zoo goed hij kon in oude

lompen te hebben gewikkeld, zeide hij tot de brave vrouw, dat hij de

kist niet meer noodig had, maar dat zij hem daarvoor een zak zou geven,

en dat zij die mocht behouden. De goede vrouw deed dit volgaarne en

nadat hij haar zooveel mogelijk bedankt had voor de hem bewezen

weldaad, deed hij zijn zak om den hals, vertrok vandaar en besteeg een

bark, ging naar Brindisi en vervolgens langs de kust tot Trani, waar

hij eenige lakenhandelaars vond, die zijn medeburgers waren en bij wien

hij uit barmhartigheid ontvangen werd, daar zij al zijn ongelukken al

hadden hooren verhalen behalve van de kist. Bovendien leenden zij hem

een paard en gaven hem geleide om hem naar Ravello te vergezellen,

waarheen hij wilde terugkeeren. Toen hij daarna in veiligheid scheen,

dankte hij God, dat die hem hierheen had gevoerd, opende zijn bundeltje

en onderzocht nauwkeuriger alles, wat hij eerst niet had gedaan. Hij

bevond, dat hij zoovele en dure steenen bezat, dat, als hij ze tegen

schappelijken prijs verkocht en nog minder, hij dubbel zoo rijk zou

wezen als toen hij vertrok. Nadat hij den weg gevonden had om zijn

steenen te verkoopen, zond hij naar Corfoe een flinke hoeveelheid geld

als loon voor de bewezen dienst aan de brave vrouw, die hem uit de zee

had gesleept en zoo ook behandelde hij te Trani hen, die hem hadden

geholpen. Het overige behield hij zonder opnieuw handel te drijven en

leefde er braaf van tot aan zijn stervensuur.

De Decamerone van Boccaccio · 第 18 / 116 题